Datum
22-03-2012

Ontheffing reewild Provincie FryslÂN gedeeltelijk geschorst

Homepage
Nieuwsarchief
In relatie met:
 
 

uitspraak                                                                                                  afschrift

 

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht
procedurenummer: AWB 10/985

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 januari 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

 

in het geding tussen

 

de stichting De Faunabescherming, gevestigd te Amstelveen,
eiseres (hierna: De Faunabescherming),

gemachtigden: H.H. Niesen, waarnemend voorzitter, en A.P. de Jong, secretaris,
en

het college van gedeputeerde staten van Fryslan,
verweerder (hierna: het college),

gemachtigden: S. Marra en mr. W.H.L. Oostra, beiden werkzaam bij de provincie Fryslan.

 

Procesverloop

Bij brief van 11 mei 2010 heeft het college De Faunabescherming mededeling gedaan van zijn

besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Flora- en faunawet (Ffw).

Tegen dit besluit heeft De Faunabescherming beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de stichting Stichting Faunabeheer Eenheid Fryslan (hierna: de

Faunabeheereenheid) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. De

Faunabeheereenheid heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 4 november 2010. Namens

De Faunabescherming en het college zijn hun gemachtigden verschenen. Namens de

Faunabeheereenheid zijn verschenen B. Schmidt, voorzitter, en C. Udding, secretaris.

 

Motivering

Feiten

1.1                 Bij besluit van 3 december 2009 heeft het college aan de Faunabeheereenheid voor
de periode van 7 december 2009 tot en met 6 december 2014 voor het gehele werkgebied
ontheffing verleend van het bepaalde in de artikelen 9 en 72, vijfde lid, van de Ffw voor het
doden met gebruikmaking van de kogelbuks van 1796 reeën per jaar in het belang van de
openbare veiligheid, ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen en bossen, in het
belang van het reguleren van de populatieomvang en ter voorkoming en bestrijding van
onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren.

1.2                 Bij besluit van 11 mei 2010 heeft het college het bezwaar van De
Faunabescherming tegen het besluit van 3 december 2009 ongegrond verklaard.

1.3                 Bij besluit van eveneens 11 mei 2010 heeft het college de aan de
Faunabeheereenheid verleende ontheffing op een aantal punten gewijzigd. Het college heeft
een aantal voorschriften gewijzigd. Verder heeft het college naast de bij besluit van

3 december 2009 verleende ontheffing tevens ontheffing verleend van het bepaalde in artikel
74, eerste lid, van de Ffw in het belang van de openbare veiligheid.

 

Toepasselijke wetgeving

2.1           Ingevolge artikel 9 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een
beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met
het oog daarop op te sporen.

Ingevolge artikel 72, vijfde lid, van de Ffw, voor zover in deze zaak van belang, is het
verboden dieren te vangen of te doden met andere dan de in het eerste of tweede lid bedoelde
middelen.

Ingevolge artikel 74, eerste lid, van de Ffw, is het verboden bij de uitoefening van
bevoegdheden toegekend bij of krachtens de artikelen 65 tot en met 70, dieren te vangen of
te doden:

a. met een geweer of een jachtvogel in een veld dat niet voldoet aan de krachtens artikel 49
gestelde eisen;

b. door middel van drijven, voorzover het edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen
betreft;

c. op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paas- en pinksterdag, de beide kerstdagen en
hemelvaartsdag;

d. op begraafplaatsen.

Ingevolge artikel 68, eerste lid, van de Ffw kunnen gedeputeerde staten, voorzover in deze
zaak van belang, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen
afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, ten aanzien
van beschermde inheemse diersoorten, het Faunafonds gehoord, ontheffing verlenen van het
bepaalde bij of krachtens de artikelen 9,72, vijfde lid, en 74:

a. in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid;

b. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

c. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij
en wateren;

d. ter voorkoming van schade aan flora en fauna of

e. met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen.

2.2           Ingevolge van artikel 4 van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren zijn, voor
zover in deze zaak van belang, als andere belangen als bedoeld in artikel 68, eerste lid,
onderdeel e, van de wet, aangewezen:

c. de voorkoming en bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren,
behorende tot de diersoort ree;

e. het reguleren van de populatieomvang van dieren, behorende tot de diersoort ree, met dien
verstande dat vanwege dit belang slechts ontheffing kan worden verleend indien de
aanleiding is gelegen in de maximale populatieomvang in relatie tot de draagkracht van het
gebied waarin de dieren zich bevinden.

 

Inleidende overwegingen

3.1                 De rechtbank is van oordeel dat de beide hiervoor onder 1.2 en 1.3 vermelde
besluiten van 11 mei 2010 tezamen de beslissing op het bezwaar van De Faunabescherming
tegen het besluit van 3 december 2009 vormen. Daarom acht de rechtbank het beroep van De
Faunabescherming gericht tegen beide besluiten en merkt zij deze besluiten tezamen aan als
het bestreden besluit.

3.2                 De rechtbank stelt vast dat het college ontheffing heeft verleend van het bepaalde in
de artikelen 9 en 72, vijfde lid, van de Ffw voor het doden van reeën met gebruikmaking van
de kogelbuks op grond van vier te onderscheiden belangen, te weten;

·         in het belang van de openbare veiligheid (waaronder in dit geval met name wordt verstaan de verkeersveiligheid),

·         ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen en bossen,

·         in het belang van het reguleren van de populatieomvang en ter voorkoming en bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren.

·         Daarnaast heeft het college ontheffing verleend van het bepaalde in artikel 74 van de Ffw.

·         Deze ontheffing is slechts verleend in het belang van de openbare verkeers)veiligheid.

3.3      Uit de tekst van de ontheffing en de daaraan verbonden voorschriften leidt de
rechtbank af dat ter behartiging van alle vier deze belangen jaarlijks in totaal 1796 reeën
mogen worden gedood. Dit betekent dat de reeën die worden gedood in het kader van de
verkeersveiligheid, het voorkomen van belangrijke schade en het voorkomen van onnodig
lijden, deel uitmaken van het aantal van 1796 te doden reeën, dat is vastgesteld in het kader
van het reguleren van de populatieomvang. Door het stellen van dit maximum wordt naar het
oordeel van de rechtbank gewaarborgd dat door het doden van reeën in het kader van de vier
voornoemde belangen geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding
van de soort. De Faunabescherming heeft dit ook niet betwist. De rechtbank zal de
ontheffing hierna verder per onderscheiden belang beoordelen.

 

Openbare (verkeersveiligheid

4.1                 De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid ontheffing heeft kunnen
verlenen voor het doden van reeën met gebruikmaking van de kogelbuks in het belang van de
openbare (verkeersveiligheid. Op grond van de stukken staat naar het oordeel van de
rechtbank voldoende vast dat in de provincie Fryslân (hierna: de provincie) jaarlijks een
groot aantal verkeersongevallen plaatsvindt waarbij reeën betrokken zijn. Hieruit volgt dat de
openbare veiligheid in het geding is. Dat het precieze aantal aanrijdingen met reeën niet
bekend is, is daarbij niet van belang. Wel acht de rechtbank van belang dat de ontheffing
voor het doden van reeën in het belang van de openbare veiligheid op grond van voorschrift
4 slechts mag worden gebruikt,
nadat de noodzaak voor afschot is vastgesteld door de politie,
de AID of een provinciale toezichthoude
r. Daarmee wordt voldoende gewaarborgd dat enkel
van dit onderdeel van de ontheffing gebruik wordt gemaakt wanneer op een bepaald moment
in een bepaald gebied daadwerkelijk sprake is van gevaar voor de verkeersveiligheid.

4.2                 Verder acht de rechtbank aannemelijk dat er geen andere bevredigende oplossing
bestaat. Met het college is de rechtbank van oordeel dat het, gelet op de fijnmazigheid van
het wegennetwerk in de provincie Fryslan, ondoenlijk is om langs beide zijden van alle
wegen reeënwerende rasters te plaatsen. Hetzelfde geldt voor het creëren van openheid en
overzicht langs die wegen. Het plaatsen van rasters is ook niet altijd gewenst in verband met
de wenselijkheid van uitwisseling tussen populaties van reeën en andere dieren.

4.3                 Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de Faunabeheereenheid, mede
gelet op het voorgaande,
ook in redelijkheid in het belang van de openbare
(verkeers)veiligheid ontheffing kunnen verlenen van het bepaalde in artikel 74 van de Ffw
.
Dit onderdeel van de ontheffing wordt door De Faunabescherming ook niet bestreden.

 

Belangrijke schade aan gewassen en bossen

5.1      De rechtbank is van oordeel dat de ontheffing voor het doden van reeën niet in stand
kan blijven voor zover deze is verleend ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen
en bossen.
De rechtbank is van oordeel dat pas aan het in artikel 68, eerste lid, aanhef en
onder c, van de Ffw gestelde vereiste van belangrijke schade is voldaan,
indien is gebleken
van een concrete dreiging van belangrijke schade.
Uit de stukken blijkt dat de ree in de
periode van 2002 tot en met 2007 in de gehele provincie slechts viermaal belangrijke schade
aan gewassen heeft veroorzaakt. In de jaren 2006 en 2007 hebben reeën helemaal geen
belangrijke schade aan gewassen veroorzaakt, zodat geen sprake is van een toename van het
aantal gevallen van belangrijke schade per jaar. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het
college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een concrete
dreiging van belangrijke schade aan gewassen in de gehele provincie te verwachten valt.

5.2      De rechtbank verwijst in dit kader naar de een uitspraak van de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 17 maart 2010 (gepubliceerd op
rechtspraak.nl onder LJN BL7785). Anders dan het college meent, heeft deze uitspraak niet
alleen betrekking op vogels, maar ook op reeën.
Daartoe overweegt de rechtbank dat het gaat
om de uitleg van artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw. Deze bepaling heeft
zowel betrekking op vogels als op reeën.
Er bestaat geen reden om aan te nemen dat deze
bepaling voor de ene diersoort anders moet worden uitgelegd dan voor de andere diersoort.
Het betoog van het college dat een preventieve ontheffing noodzakelijk is en dat niet eerder
een machtiging tot het gebruik van de ontheffing zal worden gegeven dan nadat preventieve
maatregelen zijn genomen en de noodzaak voor het doden van reeën is vastgesteld door een
toezichthouder, kan niet tot een ander oordeel leiden.
Daarmee wordt immers niet
aangetoond dat al vóór het afgeven van de ontheffing een concrete dreiging van belangrijke
schade bestaat, wat artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw wel eist.

 

Voorkoming en bestrijding van onnodig lijden

6.1                 De rechtbank is van oordeel dat het college de Faunabeheereenheid in redelijkheid
ontheffing heeft kunnen verlenen voor het doden van reeën met gebruikmaking van de
kogelbuks ter voorkoming en bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige reeën.
Daarbij acht de rechtbank mede van belang dat de reeën die in dit kader worden gedood,
onderdeel uitmaken van het totaal aantal van 1796 reeën dat op grond van de ontheffing mag
worden gedood
. Naar het oordeel van de rechtbank is de in de ontheffing genoemde term
"zieke of gebrekkige reeën" voldoende duidelijk.
Deze term, die is overgenomen uit het
Besluit beheer en schadebestrijding dieren, behoeft daarom geen nadere omschrijving. De
rechtbank is van oordeel
dat voldoende is gewaarborgd dat het doden van reeën ter
voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige reeën slechts
plaatsvindt wanneer daarvan daadwerkelijk sprake is
. De rechtbank acht aannemelijk dat de
(leden van de) wildbeheereenheden die over een machtiging voor het gebruik van de
ontheffing voor het reguleren van de populatieomvang beschikken,
deskundig genoeg zijn
om te kunnen beoordelen of een bepaalde ree door ziekte of gebrek onnodig lijdt.

Wildbeheereenheden die niet over een dergelijke machtiging beschikken, kunnen slechts
gebruik maken van dit onderdeel van de ontheffing, nadat de noodzaak daartoe is vastgesteld

door de politie, de AID of een provinciale toezichthouder.

6.2                 De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat er geen andere bevredigende
oplossing bestaat. Dit wordt door De Faunabescherming ook niet gesteld.

 

Reguleren populatieomvang

7.1                 De rechtbank is van oordeel dat het college de Faunabeheereenheid in redelijkheid
ontheffing heeft kunnen verlenen voor het doden van reeën in het belang van het reguleren
van de populatieomvang van de ree. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de
stukken, waaronder het Faunabeheerplan Fryslân 2009-2014 (hierna: het Faunabeheerplan)
en een aantal onderzoeken, aannemelijk is dat het aantal reeën in de provincie in de periode
van 2002 tot en met 2008 aanzienlijk is gestegen. Ook acht de rechtbank op grond van deze
stukken aannemelijk dat een toename van de populatieomvang kan leiden tot voedselstress.
Dit kan tot gevolg hebben dat belangrijke schade aan gewassen en bossen ontstaat en dat de
conditie van de dieren, die sterk is gerelateerd aan de beschikbaarheid van voedsel, slechter
wordt, waardoor de kans op het uitbreken van ziektes toeneemt. Voorts kan een toename van
de populatieomvang leiden tot meer verkeersongevallen met reeën.
De rechtbank wijst in dit
kader ook op de nota van toelichting bij het Besluit beheer en schadebestrijding dieren
(Staatsblad 2000,521, p. 21 en 22).

7.2                 De rechtbank is verder van oordeel dat aannemelijk is dat er geen andere

bevredigende oplossing bestaat. De rechtbank volgt De Faunabescherming niet in haar
betoog dat het doden van reeën in het kader van populatiebeheer niet nodig is, omdat de
reeënpopulatie door de natuur wordt beheerd
. Daarbij miskent De Faunabescherming naar
het oordeel van de rechtbank dat het grootste deel van de provincie in cultuur is gebracht. Als
gevolg daarvan worden de leefgebieden van de ree doorsneden en/of van elkaar gescheiden
door (water)wegen, bebouwing en cultuurlandschap. Daardoor kunnen reeën zich niet zo
verplaatsen en zich niet zo gedragen als zij dit in de "vrije natuur" zouden doen. Verder geldt
voor reeënpopulaties in Nederland dat de omvang daarvan niet wordt beperkt door natuurlijke

 predatoren, afgezien van enige predatie van kalveren door vossen.

7.3                  Aan het artikel "Dynamiek van een populatie reeën zonder beheersjacht" (uit het
tijdschrift Zoogdier, 2004 15(1), p. 9 en verder), kan niet de conclusie worden verbonden dat
populatiebeheer niet nodig is. In dit artikel wordt onder meer geconcludeerd dat het staken
van de beheersjacht op reeën in de Amsterdamse Waterleidingduinen in de jaren daarna niet
heeft geleid tot een toename van de reeënpopulatie in dat gebied. Naar het oordeel van de
rechtbank is geen sprake van gelijke gevallen. Het artikel heeft betrekking op een ander
gebied met (onder meer) andere voedselbronnen en andere diersoorten dan het gebied waar
het in deze zaak om gaat. Verder acht de rechtbank van belang dat in het artikel als voor de
hand liggende oorzaak van het niet toenemen van de populatie wordt genoemd een slechte
conditie van de moeder, waardoor ze haar kalveren niet kan grootbrengen. Bovendien wordt
aan het slot van het artikel opgemerkt dat het niet is uitgesloten dat na verloop van tijd de
populatie toch weer doorgroeit.

7.4                  De rechtbank is van oordeel dat het college zijn berekening van de maximale
populatieomvang in relatie tot de draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden
(welke is berekend op 6018 reeën) in redelijkheid heeft kunnen baseren op het telmodel en
de draagkrachtbepaling, die zijn ontwikkeld door prof. dr. J. van Haaften (hierna: de methode
van Van Haaften). De rechtbank acht aannemelijk dat dit een algemeen erkende en
toegepaste methode is. Het feit dat met de methode van Van Haaften niet de exacte
draagkracht kan worden berekend, doet niet af aan de bruikbaarheid van deze methode.
Daarbij acht de rechtbank mede van belang dat De Faunabescherming geen beter bruikbare
of meer betrouwbare methode heeft aangedragen. Partijen zijn het erover eens dat reeën door
hun verborgen leefwijze zeer moeilijk te tellen zijn. Ook dit doet naar het oordeel van de
rechtbank niet af aan de bruikbaarheid van de methode. Uit het Faunabeheerplan blijkt dat
men zich heeft gerealiseerd dat door middel van tellen slechts de ondergrens van de
populatie kan worden weergegeven en dat het daadwerkelijke aantal hoger ligt. Naar het
oordeel van rechtbank heeft het college in redelijkheid van het door middel van tellen
vastgestelde (minimale) aantal reeën van 5994 kunnen uitgaan. Ook heeft het college op
basis van dat gegeven en de in het Faunabeheerplan neergelegde berekening in redelijkheid
ontheffing kunnen verlenen voor het doden van 1796 reeën per jaar in de periode van 2009
tot en met 2014.

 

Afsluitende overwegingen

8.1                 Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd voor zover daarbij de ontheffing voor het doden van reeën ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen en bossen in stand is gelaten.

8.2                 De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het primaire
besluit van 3 december 2009 te herroepen voor zover daarbij ontheffing is verleend voor het
doden van reeën ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.

8.3         Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordeelt de rechtbank het college in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van De Faunabescherming € 88,50 terzake van reiskosten voor het bijwonen van de zitting van 4 november 2010 (op basis van openbaar vervoer, tweede klas).
Van andere kosten die ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Awb in beginsel voor
vergoeding in aanmerking komen is de rechtbank niet gebleken.

 

Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de ontheffing voor het doden van reeën ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen en bossen in stand is gelaten;

-         herroept het besluit van 3 december 2009 voor zover daarbij ontheffing is verleend
voor het doden van reeën ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen;

-         bepaalt dat het college het betaalde griffierecht van € 298,00 aan De
Faunabescherming vergoedt;

veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten van De
Faunabescherming tot een bedrag van € 88,50.

'Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere
belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:13 gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb.


 

Aldus gegeven door mr. E.M. Visser, voorzitter, en door mrs. E. de Witt en W.S. Sikkema,
rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Ernst als griffier. De beslissing is
uitgesprotócfin het openbaar op 27 januari 2011.

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Postbus 20019
2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

 

Afschrift aangetekend verzonden op:

27 januari 2011