Aangeschoten wild

cc5cbd4944Paul Bouwmeester Auteur Jachtargumenten.nl

Aangeschoten wild

Er wordt volkomen ongegrond, maar keihard beweerd dat 50% van alle geschoten wild eenzaam ligt te kreperen in het veld. Onzin!

Vaak wanneer ik vrienden of kennissen iets van de jacht vertel, sta ik verbaasd over het verregaande gebrek aan kennis van de realiteit. Men gelooft inderdaad dat tijdens de jacht op alles wat voorbij komt geschoten wordt en dat er veel aangeschoten wild ligt te kreperen in de bossen. Dit beeld hebben we te danken aan jarenlange, moedwillige desinformatie door dierensentimentalisten. Laten we de boel eens bekijken.

In Nederland jagen we op: muggen, vlooien, bladluizen, rupsen, boktorren, wespen, muizen, mollen, ratten, duiven, kraaien, eenden, konijnen, hazen, vossen, zwijnen, herten en zo nog een paar soorten. We jagen ook grootscheeps (letterlijk) op vissen. Ons land is mede daardoor rijk geworden. Er kan dus onmogelijk iets principiëels tegen de jacht ingebracht worden, tenzij we rupsen en ratten hun gang laten gaan en geen vis meer eten. Niettemin zijn er groepen die fel tegenstander zijn van de jacht en daar bij elke mogelijke aanleiding luidkeels kennis van geven.

Irrelevante feiten
Bij gebrek aan logische argumenten tegen deze vorm van jacht, wordt alle nadruk gelegd op soms werkelijke, maar vaak ook vermeende misstanden in de jagerij of (veronderstelde) incidentele misdragingen van individuele jagers. Ook worden vaak voor de dieren volkomen irrelevante feiten aangevoerd, zoals het al of niet plezier hebben in het doden (niet dus), het rijden in dure SUV’s, Duitse kentekens en brallerig gedrag (zeldzaam, maar valt wel op). Een aspect dat wél relevant is, is het begrip dierenleed.

Jachthondenopleiding kopjeWat dierenleed werkelijk inhoudt is onmogelijk te zeggen. Maar wat het ook betekenen mag, het valt niet te ontkennen dat er bij de jacht sprake is van dierenleed, met name in het geval van aangeschoten wild, dat niet onmiddellijk sterft, of erger, gewond weet te vluchten en niet of pas later gevonden wordt. Anti-jacht groeperingen buiten dit uit, door dit fenomeen buiten proporties op te blazen. Zo wordt er volkomen ongegrond, maar keihard beweerd dat 50 procent van alle geschoten wild eenzaam ligt te kreperen in het veld. Onzin! Een andere absurde bewering is, dat 50 procent van de ganzen rondvliegt met hagel in het lijf.

Afweging
Getalsmatig is zo’n bewering al absurd. Van de 2,5 miljoen ganzen die hier ’s winters rondvliegen, zouden er dan 1,25 miljoen beschoten èn geraakt zijn èn rustig doorvliegen, kennelijk zonder al te veel nadelige gevolgen? En hoeveel zijn er dan nog eens vollédig gemist? Hoeveel zijn er dan geraakt en kruipen kreupel rond? En dan zijn er nog eens pakweg 100.000 helemaal dood door de jagers binnengehaald. Nu de werkelijkheid.

Ten eerste maakt een jager vòòr hij schiet de afweging of het schot verantwoord is. Bij kleinwild duurt deze afweging meestal minder dan een minuut, waarbij de vraag speelt of de kans op verwonden (te grote afstand) of kapot schieten (te dichtbij) niet te groot is, of het dier in geval van verwonding gevonden kan worden en of de medejagers, drijvers of omstanders niet geraakt kunnen worden. Bij overvliegende eenden en ganzen moet hij bepalen of het dier bejaagd mag worden en niet tot een van de vele beschermde soorten hoort. Om al deze redenen wordt er vaak niet geschoten. Ook wordt er vaak voor gekozen een aantal dieren te laten lopen of alleen de mannelijke dieren te schieten.

Leidende zeug
Bij grofwild – ree, wild zwijn, hert – kan de afweging soms veel langer duren. Ten eerste, màg dit dier wel geschoten worden? Is dit geen moederdier met ergens de jongen verborgen? Is dit dier van het geslacht of de leeftijdsklasse, dat voor afschot vrijgegeven is door de jachtbeheerder en/of de wetgever? Is dit geen leidende zeug, matriarch van de groep? Dan de vraag of het dier weidelijk geschoten kan worden: is de afstand goed? Staat het ‘breed’, oftewel met een zijkant naar de jager toe, zodat het in één keer dodelijk getroffen kan worden? Staan er geen dunne takjes in de kogelbaan? Is het schot veilig, kan de kogel niet buiten het perceel terecht komen, maar begraaft hij zichzelf? Staat er geen tweede dier achter of schuin achter het beoogde stuk? Dit zou namelijk door de uittredende kogel verwond kunnen raken.

doodzwijn

Menselijk falen
Ondanks alles komt het toch voor, dat een gewond dier niet gevonden wordt en een tijd kreupel verder leeft of ergens in alle eenzaamheid krepeert. Een fazant die in een ondoordringbaar bramengebied valt, een eend die verdwijnt in een moerassig rietveld. Dit kan gebeuren ten gevolge van menselijk falen, botte pech of door onverantwoord gedrag. Falen, pech en ook onverantwoord gedrag horen bij alle terreinen van het leven, dus ook bij de jacht. Maar dat is geen grond om de jacht principiëel te verwerpen.

Nu kan men vinden, dat het feit van dierenleed – of dit nu veel of weinig voorstelt – een reden is om de jacht te verwerpen. Daar staat tegenover, dat men de jacht niet principiëel kan verwerpen, om de eenvoudige reden dat de jacht een wezenlijk onderdeel van onze ontstaansgeschiedenis is. Evolutionair gezien misschien wel het wezenlijkste. Wat blijft is een afweging, geen kosten/baten maar een leed/baten analyse. Voor degenen, die menen dat dieren net zo intens lijden als mensen, zal de uitkomst daarvan doorslaan naar het leed. Maar die mensen kunnen zich beter eerst concentreren op het leed van de kevers en ratten, die met vergif bestreden worden.

Schadebestrijding heeft alles met ons voortbestaan te maken en legitimeert daarmee de jacht. Maar voor benutting van dieren geldt hetzelfde – we zijn geen planteneters. Of we de dieren via veeteelt of via de jacht benutten, maakt geen wezenlijk verschil. Tenzij men gelooft, dat de jacht zoveel wreder is.

Print Friendly, PDF & Email

Reageren is niet mogelijk