Aanwijzing art. 67 FFW voor het uitvoeren van de door Gedeputeerde staten van Drenthe vastgestelde afschotplannen reewild

Onderwerp:  Aanwijzing art. 67 FFW voor het uitvoeren van de door Gedeputeerde staten van Drenthe vastgestelde afschotplannen reewild

Bijlagen:        2015 – Def. aanwijzing reewild art 67.docx

 

Geachte WBE’s Drenthe

Op 31 maart jl. is de huidige ontheffing voor het beheer van reewild afgelopen. Gezien de voortgang van het opstellen van het Faunabeheerplan is het niet waarschijnlijk dat op korte termijn een nieuwe ontheffing m.b.t. beheer reewild van kracht kan zijn. Hiermee is het niet meer mogelijk om de vastgestelde afschotplannen voor 2015 uit te voeren en om ziek, kreupel en aangereden reewild te schieten ter voorkoming van onnodig lijden.

De FBE heeft de provincie gevraagd om hierop te acteren.

Gedeputeerde Staten heeft op basis van het verzoek van de FBE d.d. 14 april 2015 (GSnr. 3.5/2015001862) besloten om, op basis van art 67 van de Flora‐ en Faunawet, alle WBE’s in Drenthe aan te wijzen om de goedgekeurde afschotplannen voor de rest van 2015 uit te voeren. Hieronder vallend het populatiebeheer in het kader van verkeersveiligheid (de bokken) en het ziek, kreupel en aangereden reewild te schieten ter voorkoming van onnodig lijden.

Omdat alle WBE’s, op verzoek van de provincie, ook het beheer van bokken hebben opgenomen in het afschotplan kan hier nu direct mee gestart worden. Op basis van deze aanwijzing kunnen nu de WBE’s de afschotplannen voor de rest van het jaar afronden. Wij vragen begrip voor het feit dat er met deze aanwijzing enkele taken extra bij de WBE’s neergelegd zijn. Wij hopen dat ook de WBE’s het uitvoeren van het beheer in het kader van de verkeersveiligheid en voorkomen onnodig lijden net als wij dermate belangrijk vinden dat het extra werk niet als last wordt gezien.

De aanwijzing en de voorschriften zijn bijgevoegd. Het is belangrijk voor alle reewildbeheerders dat zij kennis nemen van de nieuwe aanwijzing en de voorschriften. Verder dient elke reewildbeheerder deze in het veld bij zich te hebben.

Als laatste willen wij aandacht vragen voor een goede omzetting van het toegekende afschot uit de afschotplannen naar FRS. Het beheren van reewild in afwijking van de afschotplannen is een overtreding van de voorwaarden en derhalve strafbaar. Wij verzoeken alle WBE’s dan ook om het omzetten van de afschotplannen naar FRS zorgvuldig te doen.

Wij hopen u hiermee eerst voldoende te hebben geïnformeerd.

Met vriendelijke groet,

Team VTH‐Flora‐ en Faunawet

 


Aanwijzing artikel 67 van de Flora‐ en Faunawet voor het uitvoeren van de door Gedeputeerde Staten van Drenthe vastgestelde afschotplannen reewild

Noodzaak aanwijzing

In de periode 1 januari tot en met 15 maart 2015 heeft beheer van vrouwelijk reewild en kalveren plaatsgevonden op basis van door Gedeputeerde Staten goedgekeurde afschotplannen en de ontheffing FEF 2010/001. Deze afschotplannen zijn door de WBE’s in Drenthe opgesteld op basis van het uitgangspunt dat het beheer gericht is op het voorkomen van verkeersongevallen met reewild en dat ze recht diende te doen aan de beschermde status van het ree.

Van de in de ontheffing, FEF 2010/001 opgenomen afschot van 3600 stuks zijn in de door de WBE’s opgestelde afschotplannen slechts 2278 stuks aangevraagd en vergund. De WBE’s en hun leden hebben hiermee een duidelijk signaal afgegeven dat zij de bereidheid hebben om het reewild te beheren in het kader van verkeersveiligheid. Tevens hebben diverse WBE’s met een laag valwildpercentage minder afschot aangevraagd dan op basis van de afschotberekening zou kunnen. Naar de mening van deze WBE’s was het gezien het lage valwildpercentage nog mogelijk om het reewild bestand te laten groeien.

Op 31 maart 2015 is de huidige ontheffing, FEF 2010/001, voor het beheer van reewild in Drenthe afgelopen. Op dat moment is het ook niet meer mogelijk om uitvoering te geven aan de door GS vastgestelde afschotplannen om reewild in het kader van verkeersveiligheid te beheren evenals om ziek, kreupel en aangereden reewild te schieten ter voorkoming van onnodig lijden.

Het in december 2014 vastgestelde Flora‐ en Faunabeleidsplan van de provincie Drenthe gaat ten aanzien van het reewild beheer uit van het beheren in het kader van verkeersveiligheid. Door het nu niet meer mogelijk zijn van beheren wordt geen recht gedaan aan dit vastgestelde beleid. Tevens is het onwenselijk om niet in te grijpen bij het onnodig lijden van reewild.

Gronden beslissing

Flora‐ en Faunawet(FFW)

Artikel 67, eerste lid, van de Flora‐ en Faunawet biedt gedeputeerde staten de mogelijkheid te bepalen dat de stand van bij ministeriële regeling aangewezen beschermde inheemse diersoorten kan worden beperkt. Als belang om de populatie te beperken is onder andere aangemerkt het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid. Het voorgestane beheer van reewild zoals opgenomen in de afschotplannen gaat uit van beheer in het kader van verkeersveiligheid wat aangemerkt wordt als openbare veiligheid.

De bedoelde ministeriële regeling is de Regeling beheer en schadebestrijding dieren. In bijlage 1 als bedoeld in artikel 2 van deze regeling zijn de aangewezen diersoorten opgesomd. Het reewild is opgenomen op deze bijlage.

De gunstige staat van instandhouding van de soort mag als gevolg van de aanwijzing niet in het geding komen.

Voor het beheren van het reewild op basis van artikel 67 kan GS categorieën van personen aanwijzen om in afwijking van onderstaande artikelen het reewild te beheren:

‐       Art 9, wat betreft het doden van reewild

‐       Art 72 lid 5, het doden met andere, dan bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen

Toelichting per artikel;

In artikel 9 van de FFW is het verbod tot doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen van inheemse diersoorten vastgelegd. Voor de uitvoering van de afschotplannen en om ziek, kreupel en aangereden reewild te schieten ter voorkoming van onnodig lijden is het noodzakelijk on af te wijken van dit artikel.

In artikel 72 lid 2 is een verbod opgenomen met betrekking tot het doden met andere, dan bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, middelen. Deze middelen zijn aangewezen in het Besluit beheer en schadebestrijding dieren(BBSB) art 5 tot en met 10. In artikel 7 lid 11 BBSB is opgenomen dat geweren voor het doden van reewild slechts gebruikt mogen worden als zij voldoen aan de volgende vereisten:

  1. op gronden waarvoor een faunabeheerplan geldt voor ten minste 5 000 hectare;
  2. met geweren met ten minste één getrokken loop, en
  3. met kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de (tref)energie ten minste 980 Joule op 100 meter afstand van de loopmond bedraagt.

Omdat deze aanwijzing het beheer in het kader van verkeerveiligheid betreft waarvoor de noodzaak van een Faunabeheerplan ontbreekt wordt in afwijking van artikel 7 lid 11 sub a het gebruik van geweren voor het doden van reewild toegestaan op alle gronden in Drenthe.

Beleidscriteria Landelijk

Het ree is een inheemse beschermde diersoort. Enkel indien daarvoor noodzaak bestaat is het mogelijk om de soort te beheren en indien schade wordt aangebracht dit te bestrijden. Hiervoor zijn in de Flora‐ en Faunawet diverse instrumenten opgenomen. Het doen van een aanwijzing is één van deze instrumenten. Deze maken het GS mogelijk om op een adequate wijze op te kunnen treden bij faunaschade. De gronden op basis waarvan GS een aanwijzing kan doen zijn: a. in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid;

  1. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
  2. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren of
  3. ter voorkoming van schade aan flora en fauna.

Deze aanwijzing wordt enkel genomen op basis van verkeersveiligheid welke onderdeel uitmaakt van de openbare veiligheid.

Provinciaal beleid

In het Flora‐ en Faunabeleidsplan is vastgelegd dat de beschermde status van reeën meer recht aangedaan moet worden door de toekenning van afschot beter te sturen op basis van (verkeers‐)knelpunten. Per WBE regio, wordt berekend hoeveel reeën een gebied kan bevatten (draagkracht). De aantoonbare relaties tussen de populatieomvang (doelstand volgens draagkracht berekening en tellingen), de feitelijke verkeersknelpunten en plaats en tijd waarop afschot plaatsvindt worden hierdoor beter benut. In de uiteindelijke afschotplannen die worden opgesteld door de afzonderlijke WBE’s gaat het daarbij om de verkeersveiligheid (ad a) en om eventueel aantoonbare economische schade waarvoor geen andere bevredigende oplossing kan worden gevonden (ad c) (waarvoor een specifieke ontheffing is verleend). Een methode van afschot dient duidelijk te sturen naar locaties met knelpunten. In de afschotplannen, moet de beoogde streefstand dus bereikt worden in relatie met de verkeersveiligheid en/of schade (knelpunten).

ad a) Het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid is voor de provincie Drenthe veruit het belangrijkste argument om af te wijken van de bescherming en afschot toe te staan. Het gaat daarbij primair om het stabiliseren en uiteindelijk terugdringen van het aantal verkeersongevallen met reeën.

‐       de draagkrachtberekening wordt uitgevoerd volgens de door de provincie in 2013 verbeterde methode Van Haaften dan wel op eventueel toekomstige versies daarvan;

‐       het bepalen van de populatieomvang per WBE wordt gebaseerd op het lopend driejarig gemiddelde van de voorjaarstellingen;

‐       basisgegevens van de tellingenmoeten volledig openbaar zijn en binnen twee maanden na de telling worden opgenomen in de database van de NDFF en FRS. Hiertoe kan ook gebruik worden gemaakt van bestaande invoerportalen van telmee.nl of waarneming.nl.

‐       bij het bepalen van het minimum aantal aanwezige reeën wordt gebruik gemaakt van de methode uit het vigerende universele reewildbeheerplan voor Groningen, Friesland en

Drenthe dan wel opvolger van dat plan.

‐       bij berekening van afschot in relatie tot de draagkrachtberekening blijft het populatieaandeel in gebieden waarin feitelijk geen afschot plaatsvindt (wegens niet verhuren van jachtvelden voor dit doel) buiten beschouwing. Als zich in en om dergelijke terreinen problemen voordoen met betrekking tot de in de wet genoemde aspecten zal de provincie de grondgebruiker/eigenaar hierop aanspreken om een oplossing te realiseren.

‐       het afschotplan moet voorzien in een duidelijke sturing van afschot naar locaties met knelpunten. We willen de beschermde status van reeën meer recht doen door de toekenning van afschot meer te sturen op basis van (verkeers‐)knelpunten dan vooral op de tellingen in relatie tot de draagkrachtberekening.

‐       Gedeputeerde Staten kunnen in beleidsregels nadere (toekomstige) randvoorwaarden vastleggen of wijzigen als daartoe vanwege de uitvoerbaarheid of handhaafbaarheid een noodzaak bestaat.

Gronden aanwijzing

In onderstaande tabel zijn het aantal geregistreerde aanrijdingen met reeën over de periode 2000‐2014 weergegeven waarbij het dier zelf is omgekomen. Daarbij moet worden aangetekend dat lang niet alle doodgereden dieren daadwerkelijk bekend zijn. Veel dieren worden direct van de weg gehaald en meegenomen zonder dat deze worden gemeld bij politie of bij registrerende organisaties. Ook is het dier zelf lang niet altijd direct dood, vlucht over enige afstand weg en sterft soms ongezien alsnog. Uiteraard overleven ook een aantal dieren een aanrijding. Deze zijn vanzelfsprekend ook niet meegenomen in onderstaande registratie.

 

totalen per jaar bok geit bokkalf geitkalf onbekend totaal
2000 225 209 97 85 14 630
2001 198 181 59 57 20 515
2002 204 242 51 32 47 576
2003 280 266 77 71 12 706
2004 267 246 95 94 56 758
2005 176 238 89 79 90 672
2006 204 222 80 74 76 656
2007 250 296 87 68 120 821
2008 328 337 90 87 77 919
2009 353 375 88 74 107 997
2010 269 323 92 101 107 892
2011 162 221 48 70 131 632
2012 195 180 63 55 128 621
2013 178 198 34 44 26 480
2014 620

Daarnaast is een analyse uitgevoerd naar de locaties waar zich aanrijdingen met reeën voordoen. Vanuit verschillende onderzoeken volgt namelijk dat deze kans niet overal even groot is. In gebieden waar reeën leven en waar weinig wegen de gebieden doorsnijden is vanzelf minder kans op aanrijdingen dan in gebieden welke veel fijnmaziger zijn doorsneden met wegen. Maar ook de wijze waarop reeds maatregelen zijn getroffen om aanrijdingen te voorkomen (van preventie tot en met afschot) zijn bepalend in hoeverre in (delen van) gebieden aanrijdingen plaatsvinden of uitblijven. Uit bijgaande afbeelding blijkt echter dat, ondanks de maatregelen die tot op heden zijn getroffen, nog steeds in Drenthe op veel locaties aanrijdingen plaatsvinden.

Het nog verder uitrasteren van wegen is onwenselijk omdat hiermee ook overige diersoorten in hun verspreiding worden belemmerd. Deze aanwijzing voorziet in een gericht beheer van reewild op plaatsen met veel valwild zodat hier geen raster geplaats hoeft te worden die verspreiding van diersoorten voorkomt.

Gunstige staat van instandhouding van het ree 

Het ree komt in de gehele provincie Drenthe voor met een getelde populatieomvang van rond de 10.000 stuks. In onderstaande tabel is de getelde reewildstand van de afgelopen 15 jaar weergegeven. In deze gehele periode heeft er beheer van de populatie plaatsgevonden zonder dat de gunstige staat van instandhouding in gevaar is gekomen.

Door de IUCN wordt van elke diersoort de status vastgesteld (mate van bedreiging). Deze status is van belang voor de mate van bescherming die in zowel internationale als nationale wetgeving wordt vastgelegd. Door de IUCN wordt de ree aangeduid als ‘LC’ (Least Concern) . Voor de ree wordt gesteld dat deze wijdverspreid en algemeen voorkomend is. Momenteel wordt de populatie reeën in Europa geschat op 15 miljoen stuks. Er bestaan, aldus de IUCN, geen bijzondere bedreigingen die de soort in gevaar kunnen brengen.

Voor elke (beschermde) soort is het van belang om vast stellen wat de staat van instandhouding

  1. Dit volgt uit internationale afspraken. “Favourable Conservation Status” (FCS) is een basisbegrip in de regelgeving vanuit de Europese Unie (EU) . De staat van instandhouding van een soort is ‘gunstig’ (“favourable”) als: “Population dynamics data on the species concerned indicate that it is maintaining itself on a long‐term basis as a viable component of its natural habitats, and the natural range of the species is neither being reduced nor is likely to be reduced for the foreseeable future, and there is, and will probably continue to be, a sufficiently large habitat to maintain its populations on a long‐term basis” (Lind Laikre, 2009)

Om te bepalen of er sprake is van een gunstige staat van instandhouding van de ree moet gebruik worden gemaakt van het door de IUCN ontwikkelde beoordelingssysteem (zie hierboven). Zoals hiervoor al vermeld heeft de IUCN voor de ree de status ‘LC’ (least concern) vastgesteld vanuit de overweging dat het hier om een wijdverspreide en algemeen voorkomende soort gaat waar geen belangrijke bedreigingen voor zijn. De trend is daarnaast gunstig (‘increasing’).

Ook voor wat betreft populatiebeheer middels afschot of jacht geeft de IUCN aan dat dit niet kan leiden tot een bedreiging voor de soort; “The species is listed on the Bern Convention (Appendix III), and occurs in a large number of protected areas across its range. In general, this species can quickly re‐build its numbers and may tolerate a relatively high hunting pressure, if in a suitable habitat and under an appropriate hunting regime”.

Niet alleen op Europees niveau, maar ook op Nederlands en provinciaal niveau moet worden beoordeeld of – bij het inzetten van beheersmaatregelen ‐ de gunstige staat van instandhouding van de ree niet in gevaar komt. Dit kan worden aangetoond als:

  • uit gegevens blijkt de soort zich op de locatie kan handhaven. Dit geldt ook voor de langere termijn.
  • het natuurlijk verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd gaat worden
  • er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden.

Voor Nederland en voor Drenthe volgt dat de ree geen bedreigde diersoort is en waarbij ook met zekerheid kan worden gesteld dat ook op de langere termijn geen bedreigingen bestaan die de soort in gevaar kunnen brengen.

Afwegingen

Voor het verlenen van deze aanwijzing zijn de volgende afwegingen gemaakt:

‐       Gedeputeerde Staten van Drenthe hebben in december 2014 de afschotplannen van alle WBE’s in Drenthe goedgekeurd,

‐       De afschotplannen sluiten aan bij het beleid zoals dat is opgenomen in het Flora‐ en Faunabeleidsplan,

‐       In de afschotplannen is het beheer van zowel mannelijk als vrouwelijk reewild opgenomen,

‐       Het is in het kader van verkeersveiligheid belangrijk om de reewild populatie te kunnen beheren. Deze noodzaak voor beheer is vastgelegd in het Flora‐ en Faunabeleidsplan.

‐       Het wenselijk is om ziek, kreupel en aangereden reewild te schieten ter voorkoming van onnodig lijden.

Conclusie

Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe besluiten op basis van voorgaande afwegingen, om conform artikel 67 van de Flora‐ en Faunawet, een aanwijzing te doen voor het doden van reewild met gebruik van een geweer welke voldoet aan BBSB art 7 lid 11 sub b en c.

Als categorieën van personen als bedoeld in artikel 67, lid 1, van de Flora‐ en Faunawet aan te wijzen: alle WBE’s in Drenthe welke een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd afschotplan hebben.

Voor 2015 betreft dit de volgende WBE’s:

WBE’s Drenthe Plaats
WBE Artemis RUINEN
WBE Bargerveld ERICA
WBE Dalgronden TER APEL
WBE Diana WESTERBORK
WBE Diever, Smilde e.o. DWINGELOO
WBE Drents Diep en Aa WAGENINGEN
WBE Drie Marken EMMEN
WBE Dwingelerveld e.o. RUINEN
WBE Echtensmorgenland e.o. ELIM
WBE Grensstreek SCHOONEBEEK
WBE Groote Veld OOSTERHESSELEN
WBE Havelte e.o. HEEMSTEDE
WBE Hondsrugveld GASSELTE
WBE Kerspel Dalen DALEN
WBE Koekange-Ruinerwold KOEKANGE
WBE Lebbestaok ZUIDLAREN
WBE Mars- en Westerstroom EMMEN
WBE Noordenveld GRONINGEN
WBE Noord-Westhoek UFFELTE
WBE ’t Scholtensveld ZWARTEMEER
WBE Vledder e.o. DIEVER
WBE Wieken ELIM

De WBE’s kunnen op basis van deze aanwijzing de stand van het ree verminderen met de in het afschotplan van betreffende WBE opgenomen afschot en ziek, kreupel en aangereden reewild te schieten ter voorkoming van onnodig lijden.

De WBE’s dienen het in het afschotplan opgenomen afschot, conform de in het afschotplan opgenomen verdeling, middels een machtiging te verdelen over de jachthouders in de WBE. Van de verdeling zoals opgenomen in het afschotplan kan zonder schriftelijke goedkeuring van GS niet worden afgeweken.

Een goedgekeurd afschotplan is openbaar en voor één jaar geldig.

De WBE’s als aangewezen categorieën van personen evenals de jachthouders welke worden gemachtigd door de WBE dienen zich aan bijgevoegde voorschriften te houden bij het gebruik van deze aanwijzing.

Voorschriften behorende bij de aanwijzing artikel 67 van de Flora‐ en Faunawet voor het uitvoeren van de door Gedeputeerde Staten van Drenthe vastgestelde afschotplannen reewild.

Algemene voorschriften:

  1. De aangewezen categorieën van personen als bedoeld in artikel 67, lid 1, van de Flora‐ en Faunawet zijn alle WBE’s in Drenthe welke een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd afschotplan hebben.
  1. De WBE’s dragen er zorg voor en zijn er te allen tijde verantwoordelijk voor dat het gebruik van de aanwijzing overeenkomstig deze voorschriften plaatsvindt. De WBE’s dienen daarom een gemachtigde jachtaktehouder nadrukkelijk te wijzen op de specifieke voorschriften ten aanzien van het gebruik, onder andere door bij het verlenen van een machtiging steeds een kopie van deze aanwijzing en voorschriften aan de gemachtigde te verstrekken. De in dit artikel genoemde verantwoordelijkheid voor de WBE’s laat elke verantwoordelijkheid voor de feitelijke gebruiker (als bedoeld in artikel 5) onverlet. De feitelijke gebruiker dient zich daarom steeds te vergewissen van de ook voor hem geldende voorschriften en verplichtingen voortvloeiend uit deze aanwijzing.
  1. De aanwijzing is geldig op gronden gelegen binnen het gebied waarover de zorg van de gezamenlijke WBE’s zich uitstrekt, te weten het gehele grondgebied van de provincie Drenthe.

Machtiging en gebruik machtiging

  1. De gemachtigde kan een andere jachtaktehouder schriftelijk toestemming geven om van zijn machtiging gebruik te maken. De gemachtigde dient dit te doen door middel van een schriftelijke, gedateerde en ondertekende toestemming aangehecht deze voorwaarden, onder vermelding van het aantal reeën, het geslacht en de periode. Deze jachtaktehouder wordt dan de feitelijke gebruiker, als bedoeld in artikel 5. De gemachtigde zendt een afschrift van de gegeven toestemmingen onverwijld aan de WBE.
  1. De feitelijke gebruiker van de aanwijzing is verplicht een kopie van de van de aanwijzing inclusief de voorschriften, de eventuele toestemming van de gemachtigde (zoals bedoeld in voorschrift 4), de schriftelijke toestemming van de grondgebruiker en een geldige jachtakte bij zich te hebben en deze bescheiden op eerste vordering van een daartoe bevoegde ambtenaar ter inzage af te geven.
  1. De feitelijke gebruiker dient binnen 24 uur het gepleegde afschot te melden in het Faunaregistratiesysteem, FRS. De feitelijke gebruiker dient, een daartoe bevoegde ambtenaar, inzicht te kunnen geven waar het geschoten ree zich bevindt in de eerste 24 uur na de melding in FRS, om het ree te kunnen tonen aan de bevoegd ambtenaar.
  1. Op eerste verzoek van gedeputeerde staten van Drenthe, Team Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de provincie Drenthe, dient de gebruiker van de machtiging het gepleegde afschot direct te melden op het door de toezichthouder opgegeven telefoonnummer.

Registratie en rapportage

  1. De WBE’s houden een actueel doorlopend digitaal register bij van verleende en ingetrokken machtigingen en van verleende en ingetrokken toestemmingen aan jachtaktehouders. De WBE’s geven wijzigingen in dit register door aan het college van gedeputeerde staten, team Natuur en Water.
  1. De WBE’s dragen zorg voor een rapportage binnen hun werkgebied betreffende de voorjaars‐ tellingen, gewenst en gerealiseerd afschot, valwild, de aanwas en zomerstand overeenkomstig het afschotplan en het universeel reeënbeheerplan. Zij sturen deze jaarlijkse rapportages uiterlijk 1 oktober naar het college van gedeputeerde staten, team Natuur en Water.
  1. Aanvullend hierop stellen de WBE’s jaarlijks een gebied specifieke afschotplannen op conform de voorwaarden zoals geformuleerd in het Flora‐ en Faunabeleidsplan en voorschrift 18.
  1. Ten aanzien van de registratie van valwild dient bij de registratie onderscheid te worden gemaakt tussen valwild als gevolg van verkeersslachtoffers en overige oorzaken. Waarbij ten behoeve van de registratie van verkeersslachtoffers tevens de exacte locatie vermeldt dient te worden waar de aanrijding heeft plaatsgevonden.
  1. De WBE’s zenden binnen 24 uur na de toedeling van de machtigingen de volgende gegevens aan het college van gedeputeerde staten, team Natuur en Water:

‐               naam, adres en woonplaats machtiginghouder;

‐                telefoonnummer machtiginghouder;

‐                het nummer van de jachtakte van machtiginghouder.

Indien de machtiginghouder overeenkomstig voorschrift 4 een andere jachtaktehouder schriftelijk toestemming verleend om gebruik te maken van de machtiging, dan dient de WBE de in voorschrift 4 bedoelde gegevens aan te vullen met de in dit voorschrift bedoelde gegevens en dit binnen 24 uur te zenden aan het college van gedeputeerde staten, team Natuur en Water.

  1. De WBE’s maken een elektronisch overzicht van alle jaarlijks verstrekte machtigingen en toestemmingen en zendt dit uiterlijk 15 november van het desbetreffende kalenderjaar, naar het college van gedeputeerde staten, team Natuur en Water.
  1. Aanvullende eisen c.q. voorschriften in machtigingen en toestemmingen voor gebruik zijn niet toegestaan.

Aantallen, afschot en afschotperioden

  1. Middels voorjaartellingen (conform telinstructie Flora‐ en Faunabeleidsplan), en validatie van deze aantallen conform de aangepaste methode van Haaften is de doelpopulatie vastgesteld op minimaal 10.309 reeën, Drenthe breed. De verdeling over de WBE’s vindt plaats op basis van de kaders zoals vastgelegd in het Flora‐ en Faunabeleidsplan en wordt vastgelegd in de afschotplannen.
  1. Het daadwerkelijke afschot per WBE wordt bepaald conform onderstaande formule:

Afschot is: voorjaarstelling van de totale populatie plus 0,7 x het van de in het voorjaar getelde geiten minus de doelstand art.15.

Afschot = B + (0.7*C) ‐ A A = doelstand

B = totaal aantallen conform tellingen

C = aantal geiten op basis van tellingen

  1. Het jaarlijks toegestane afschot is inclusief het jaarlijks afschot van zieke of verminkte dieren.
  1. Het op basis van voorschrift 15 en 16 op hoofdlijnen toegekende afschot, mag m.i.v. 1 april 2015 alleen worden uitgevoerd op basis van een door gedeputeerde staten van Drenthe goedgekeurd afschotplan. Dit afschotplan omvat het toegestane afschot per WBE, verdeeld naar soort, geslacht, tijd en plaats. Per WBE wordt middels een WBE‐specifiek afschotplan, aangegeven dat en hoe het afschot is gerelateerd aan de plaatsen waar reeën zijn geteld en dat en hoe, mede gelet op locaties met een groot aantal aanrijdingen, het afschot zal worden ingezet om het doel van verkeersveiligheid te dienen. Dit afschotplan dient uiterlijk 15 november te zijn aangeleverd bij het college van gedeputeerde staten, team Natuur en Water.
  1. Het totale aantal te doden reeën is per WBE niet hoger dan het afschot dat voor de desbetreffende WBE in het goedgekeurde afschotplan is vermeld.
  1. Afschot van reegeiten alsmede ‐kalveren is toegestaan in de periode van 1 januari tot 15 maart daaropvolgend. Afschot van reebokken is toegestaan in de periode van 1 april tot en met 15 september daaropvolgend.
  1. In afwijking van artikel 20 is afschot jaarrond mogelijk, indien gericht op zieke en/of verminkte dieren.
  1. De WBE die niet uiterlijk 15 november de in artikel 18 bedoelde afschotplan heeft ingediend, kan geen jachtaktehouders voordragen voor het aanvragen van een machtiging tot afschot voor de volgende periode. De bestaande machtigingen worden in dit geval terstond en wel met ingang van 15 november van hetzelfde jaar door de WBE ingetrokken, onder toezending van een afschrift van de intrekkingsbrief aan het college van gedeputeerde staten, team Natuur en Water.
  1. In afwijking van het daarover bepaalde in het Besluit beheer en schadebestrijding dieren, is het gebruik van het geweer ook toegestaan van een uur voor zonsopkomst tot een uur na zonsondergang in het tijdvak van 1 april tot en met 31 augustus en buiten dit tijdvak van een half uur voor zonsopkomst tot een half uur na zonsondergang.
    1. De gebruiker van de machtiging is verplicht elk gedode ree te voorzien van een loodje met uniek registratienummer;
    2. de WBE’s zijn verplicht de uitgereikte loodjes te verdelen naar afschot aantallen voor geiten en bokken, zoals geregistreerd en opgenomen in het afschotplan, conform artikel 18;
    3. het loodje moet zijn aangebracht vóórdat het gedode ree van de afschotplaats uit het veld weggehaald wordt of vervoerd wordt;
    4. het aanbrengen van het loodje gebeurt op dusdanige wijze dat hergebruik van het loodje uitgesloten is;
    5. de kosten van het loodje komen voor rekening van de gebruiker van de machtiging.

Overige voorschriften

  1. Elke gebruiker is verplicht desgevraagd en waar nodig mee te werken aan een monitorings‐ onderzoek naar besmettelijke veeziekten, dan wel ziekten die voor de mens gezondheidsrisico’s kunnen geven en te handelen volgens ontheffingen daartoe door de Gezondheidsdienst voor Dieren die voor dergelijke monitoring verantwoordelijk is.
  1. Deze aanwijzing kan op grond van de criteria, genoemd in artikel 80 van de wet (lees: Flora‐ en Faunawet), worden ingetrokken.

Een verleende machtiging wordt door de WBE’s onverwijld ingetrokken:

‐                na een door ons gedaan gemotiveerd verzoek;

‐                indien de machtiging kennelijk ten onrechte is verleend;

‐                indien van de machtiging gebruik wordt gemaakt door iemand die daartoe niet bevoegd is;

‐                indien van de machtiging gebruik wordt gemaakt in strijd met een wettelijk voorschrift of een aan de aanwijzing verbonden voorschrift.

Van de brief tot intrekking van de machtiging wordt een afschrift gezonden het college van gedeputeerde staten, team Natuur en Water.

  1. In geval van bijzondere weersomstandigheden kan ons college het gebruik van de aanwijzing tijdelijk opschorten.
Print Friendly

Reageren is niet mogelijk