Antwoorden op vragen over het toestaan van het doodschieten van konijnen door SBB op Terschelling

Datum    9 maart 2016

Betreft    Antwoorden op vragen over het toestaan van het doodschieten van konijnen

Geachte Voorzitter,

Hierbij ontvangt u de antwoorden op de vragen over het toestaan van het doodschieten van konijnen, terwijl schadeonderzoek ontbreekt (kenmerk 2016Z01328, ingezonden 25 januari 2016).

1

Wat is uw reactie op de uitspraak van de Raad van State dat Staatsbosbeheer niet op konijnen mag laten jagen in het duingebied op Terschelling, omdat er onvoldoende schadeonderzoek heeft plaatsgevonden?

2

Wat is uw reactie op het feit dat u en Staatsbosbeheer geen objectieve en controleerbare gegevens over landbouwschade konden aanleveren, maar dat Staatsbosbeheer de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft gevraagd de pachters op hun woord te geloven dat er wel landbouwschade was? Welke lessen trekt u uit het feit dat de Afdeling u terecht heeft gewezen toen u, ter rechtvaardiging van het doodschieten van konijnen, verwees naar verklaringen van pachters die, volgens de Afdeling, “niet meer behelzen dan een op papier voorgedrukt verzoek van pachter om schadebestrijding van konijnen”? Bent u voornemens om vanaf heden af te zien van ongefundeerde, gestandaardiseerde besluiten tot afschot van dieren in het wild en over te gaan tot daadwerkelijke invulling van de wettelijke opdracht om eerst te bezien hoe op diervriendelijke wijze kan worden gezorgd voor een goede balans tussen natuurwaarden, de intrinsieke waarde van de natuur en het dier en activiteiten van de mens? Zo ja, hoe gaat dit vorm krijgen? Zo nee, waarom niet?

3

Deelt u de mening dat dit in casu ‘fact-free’-faunabeleid, waarbij besluiten worden genomen zonder de situatie voldoende te onderzoeken, onwenselijk is? Zo ja, hoe waarborgt u dat faunabeleid gebaseerd wordt op gedegen praktijkonderzoek, in plaats van op papier voorgedrukte verzoeken van pachters of andere belanghebbenden, zoals jagers? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 1, 2 en 3

Ik heb kennisgenomen van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over de eisen die artikel 65 van de Flora- en faunawet stelt aan de vrijstelling op het verbod van doden van dieren van aangewezen soorten door grondgebruikers ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren of schade aan fauna. De Afdeling heeft in deze uitspraak erop gewezen dat uit de wet volgt dat één van de voorwaarden waaronder deze vrijstelling geldt is dat de grondgebruiker kan aantonen dat hij belangrijke schade tracht te voorkomen op het moment dat hij optreedt. Daarvoor zijn, aldus de Afdeling, objectieve en controleerbare gegevens nodig. Staatsbosbeheer heeft mij in dit verband laten weten dat het zijn toestemming aan de Wildbeheereenheid Terschelling voor het afschieten van konijnen, waaraan volgens de Afdeling in haar uitspraak geen onderbouwing ten grondslag lag, direct na het bekend worden van de uitspraak heeft ingetrokken.

Ik zal erop toezien dat de verantwoordelijke instanties acht zullen slaan op de door de Afdeling gegeven uitleg aan de toepassing van artikel 65 van de Flora- en faunawet.

4

Kunt u uitsluiten dat vaker een beroep wordt gedaan op de landelijke vrijstellingslijst, terwijl aantoonbare belangrijke landbouw-, flora-, en/of faunaschade ontbreekt? Zo nee, waarom niet? Hoe gaat u voorkomen dat er afschotbesluiten worden genomen op een verkeerde wettelijke grondslag?

Antwoord 4

De uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State benadrukt het belang van een goede onderbouwing van de aanpak van afschot van in het wild levende dieren. Waar nodig zal dit in de communicatie met grondgebruikers nader moeten worden verduidelijkt. Handhavende instanties houden toezicht op de naleving van de wet door grondgebruikers.

In dit verband wijs ik op de nieuwe Wet natuurbescherming, op grond waarvan straks ten opzichte van de huidige Flora- en faunawet als aanvullende voorwaarde zal gelden dat de schadebestrijding door grondgebruikers plaatsvindt overeenkomstig het door de faunabeheereenheid vastgestelde faunabeheerplan, dat goedkeuring behoeft van gedeputeerde staten. Het faunabeheerplan moet worden onderbouwd door trendtellingen van populaties, ten behoeve van een planmatige en doelmatige aanpak.

(w.g.)        Martijn van Dam

Staatssecretaris van Economische Zaken

Print Friendly, PDF & Email

Reageren is niet mogelijk