Faunapopulaties ook binnen de “natuurtuinen” in evenwicht.

Boeren hebben hun oren te veel naar na­tuurorganisaties laten hangen. Hierdoor zijn ze de behoefte aan concrete doelen en meetbare beheer gegevens verloren ten gunste van emotie politiek. Dat is de mening van de Nederlandse Organisatie voor Jacht en Grondbeheer (NOJC)

De EU wil bestaande natuurwetgeving evalueren, de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn voorop. Natuurorga­nisaties zijn bang dat dit uitlekken tot versoepeling van de beschermingsregels zal leiden en dat zij daardoor met doelen voor hun natuurgebieden in de verdrukking komen. Andersom komen er steeds meer klachten van omrin­gende agrarische bedrijven en industrie dat beschermingsregels te veel en te eenzijdig op de buitenwereld om de natuurgebieden wordt gericht.

Zoals normen over ‘stikstofdepositie’: Agrarische, maar ook (en aan­getoond veel meer) stedelijke activiteiten, verbranding van fossiele brandstoffen zoals verkeer en verwarming, zorgen voor een regen van stikstofdeeltjes die neerslaat op het omringend landschap. Stikstof is een mestsoort Het kan gebeuren dat enkele natuurgebieden, die planten van de arme grond op hun doellijst hebben, hierdoor achteruitgaan. Meteen zijn op omringende boeren zeer strenge regels losgelaten, die hen nu sterk belemmeren in hun agrarische acti­viteiten. Vreemd genoeg gelden die regels niet voor beperking van verkeer op snelwegen en uitbreiding* verboden voor bebouwde kommen, die het merendeel van de stikstofdepositie veroorzaken. Daar beperkingen opleggen was denkelijk een brug te ver.

Jaren geleden zijn boeren geconfronteerd met een ‘ge­bod’ om hun mest in de grond te injecteren. Vooral van ‘natuurzijde’ was men stellig van mening, dat uitrijden van mest de hoofdoorzaak  van ammoniakuitstoot en zure regen was. Nu horen we daar nooit meer wat over. Inmiddels loopt onderzoek op verzoek van de ombuds­man en een biologische landbouwbelangenvereniging. Die zijn van mening, dat het gebod mest te injecteren onterecht is opgelegd aan omringende boeren en dat dit het bodemleven te gronde richt. Helaas zijn alle populaties weidevogels en zoogdieren die op agrarische gronden hun habitat hebben, dramatisch aangetast.Door die mest injectieplicht verwijzen de Natuurbeheerders vervolgens naar deze teruggang van soorten rijkdom op het boerenland door onder andere de mestinjectie, en daarna vervolgens dat zij het beter doen.

In de natuurwetgeving kan externe werking van kracht worden op omringende andere activiteiten, weliswaar als wordt aangetoond dat die de natuurdoelen van de naast ­gelegen natuurgebieden aantasten. Klinkt redelijk, als het gaat over waterpeilverlaging, oprukkende bebou­wing of industriële activiteiten waarbij gif vrijkomt. Helaas hebben natuurorganisaties recent gemeend die externe werking ook in stelling te brengen om de eigen anti-beheermaatregelen ten aanzien van ganzen ook over de boerenbuurman af te roepen. Nadat jaren lang er naast hun gronden is gejaagd, zonder enige aangetoonde aantasting van de natuurdoelen in natuurgebieden, zijn de natuurbe­heerders nu opeens van mening, dat er externe werking zou moeten zijn die schade bestrijden door afschot verbiedt binnen een zone van 500 meter om alle na­tuurgebieden heen. Dat soort gezochte beperkingen, geboren uit anti-jachtdoctrine en niet op feiten berust (TBO’s maken geen fauna-inventarisaties en beheren hun faunabestanden niet), is precies de reden waarom de EU nu van plan is om de extreme hantering van staand beschermingsbeleid te evalueren. Het is niet de bedoeling dat beheerders van natuurgebieden misbruik maken van de gegeven instrumenten om hun natuurdoelen te behalen door opleggen van hun doctrines, die tegen faunabeheer zijn van de omringende grondgebruikers. Te zijner tijd zullen deze organisaties, onder de nieuwe Wet Natuur, langs dezelfde lat gemeten worden als deze omringende grondgebruikers en hun jagers, als het om verplichte fauna-inventarisaties en evenwicht scheppen van populaties binnen hun gebieden gaat. Volledig terecht, dat ook andere grondgebruikers de­zelfde regels en normen moeten ondergaan. Juist dat is in werkelijkheid, hetgeen deze organisaties het meest vrezen!

Natuurorganisaties wijzen keer op keer beschuldigend naar boeren, in plaats hen weer toe te staan gier onder een waternevel bovengronds uit te brengen, of liever nog, stalmest het jaar rond uit te mogen rijden zoals voorheen. Agrarisch natuurbeheer moet weer mogen, ook ver buiten een natuurgebied, want natuurbeheer is niet een zaak van de TBO’s alleen, en boerenland vormt immers 60 procent van het overige oppervlak land, buiten de steden en wateren.

Om dan de opbloeiende zoogdieren en weidevogel bestanden beter te beschermen, willen wij op onze beurt,  de TBO’s wel helpen hun populaties ganzen en vossen in evenwicht te brengen tot binnen de draagkracht van hun natuurtuinen maar ook voor de omliggende kwetsbare weidevogelgebieden. Dat scheelt de maatschappij eromheen een hoop landbouwschade en geld, en zou het begin kunnen zijn van een gezamenlijk doel: Meer natuur en biodiversiteit, ook op agrarische gronden, die niet als ‘natuurterrein’ zijn geafficheerd.

P v Kempen

Peter van Kempen,

bestuurslid NOJG Friesland/Noordoostpolder

Print Friendly

Reageren is niet mogelijk