Artikel 26

1. Degene die het voornemen heeft één of meer van de in een besluit tot aanwijzing van een plaats als beschermde leefomgeving krachtens artikel 20 vermelde handelingen te verrichten of te doen verrichten, is verplicht van dat voornemen ten minste één maand, doch niet langer dan één jaar voor de dag van de voorgenomen uitvoering van die handeling of handelingen, kennis te geven aan gedeputeerde staten.

2. Gedeputeerde staten kunnen voorschriften verbinden aan het verrichten of doen verrichten van de handelingen, bedoeld in het eerste lid, welke voorschriften er mede toe kunnen strekken dat door die handelingen aangerichte schade aan de beschermde leefomgeving op een door hen te bepalen wijze wordt hersteld.

3. Het is verboden de in een besluit tot aanwijzing van een plaats als beschermde leefomgeving krachtens artikel 20 vermelde handelingen te verrichten of te doen verrichten.

4. Het verbod, bedoeld in het derde lid, geldt niet indien:

a. een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid is gedaan;

b. gedeputeerde staten niet uiterlijk op de dag voorafgaand aan die waarop de uitvoering van de voorgenomen handeling of handelingen zal plaatsvinden, schriftelijk hebben meegedeeld bezwaar te hebben tegen de voorgenomen handeling of handelingen en

c. wordt gehandeld overeenkomstig de door gedeputeerde staten krachtens het tweede lid gestelde voorschriften.

5. In afwijking van het bepaalde in artikel 65 is het verrichten of doen verrichten van de in dat artikel bedoelde handelingen, voorzover het handelingen betreft die krachtens artikel 20 zijn vermeld in een besluit tot aanwijzing van een plaats als beschermde leefomgeving, op een plaats waarvoor het rechtsgevolg, bedoeld in het derde lid, is ingetreden, slechts toegestaan indien van het voornemen daartoe op de in het eerste lid bepaalde wijze kennis is gegeven aan gedeputeerde staten. Het tweede tot en met vierde lid zijn ten aanzien van die handelingen van toepassing.

Print Friendly

Reageren is niet mogelijk