Artikel 6 – 9 BBSD

Besluit Beheer en schadebestrijding dieren

Artikel 6

1.    Onverminderd artikel 67, vierde lid, van de wet, worden de in artikel 5 aangewezen middelen slechts gebruikt op gronden of in of aan opstallen, voorzover de grondgebruiker voor het betreden van de betrokken door hem gebruikte gronden of opstallen schriftelijk toestemming heeft verleend.
2.    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de gebruiker van opstallen, niet zijnde grondgebruiker, in of aan de door hem gebruikte opstallen of op de daarbij behorende erven.

Artikel 7
1.    Geweren voor het doden van dieren en munitie voor deze geweren voldoen aan het tweede tot en met twaalfde lid.
2.    Een geweer wordt slechts gebruikt door personen die in bezit zijn van een geldige jachtakte.
3.    Een geweer heeft een gladde loop met een kaliber van ten minste 24 en ten hoogste 12 of een getrokken loop met een nominaal kaliber van ten minste .22 inch of 5,58 millimeter.
4.    Een enkelloops hagelgeweer heeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten.
5.    Een kogelgeweer heeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten, tenzij het is voorzien van een grendelinrichting waarmee het wapen handmatig schot voor schot wordt geladen.
6.    Een geweer is niet voorzien van een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of enig ander instrument om ‘s-nachts te schieten.
7.    Er wordt bij het doden van dieren met geweren geen gebruik gemaakt van hagel:
a.    waarvan de korrelgrootte een doorsnede van 3,5 millimeter overschrijdt, of
b.    die metallisch lood bevat.
8.    Er wordt bij het doden van dieren met geweren geen gebruik gemaakt van militaire kogelpatronen, met inbegrip van fosfor- of lichtspoorpatronen, noch van kogelpatronen met volmantel of kogels die niet vervormen bij het treffen.
9.    Geweren worden niet gebruikt:
a.    voor zonsopgang en na zonsondergang, met dien verstande dat wilde eenden waarop de jacht is geopend ook mogen worden gedood gedurende een half uur voor zonsopgang en een half uur na zonsondergang;
b.    in de bebouwde kommen der gemeenten en in de onmiddellijk aan die kommen grenzende terreinen;
c.    binnen de afpalingskring van een geregistreerde eendenkooi, en
d.    vanuit vliegtuigen of rijdende motorvoertuigen;
e.    vanuit vaartuigen die varen met een snelheid van meer dan 5 kilometer per uur indien de geweren worden gebruikt voor het doden van vogels, behorende tot de soorten bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de wet.
10.    Edelherten, damherten, en wilde zwijnen worden slechts gedood:
a.    op gronden waarvoor een faunabeheerplan geldt voor ten minste 5 000 hectare;
b.    met geweren met ten minste één getrokken loop, en
c.    met kogelpatronen van een kaliber van ten minste 6,5 millimeter voor getrokken loop waarvan de (tref)energie ten minste 2200 Joule op 100 meter afstand van de loopmond bedraagt.
11.    Reeën worden slechts gedood:
a.    op gronden waarvoor een faunabeheerplan geldt voor ten minste 5 000 hectare;
b.    met geweren met ten minste één getrokken loop, en
c.    met kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de (tref)energie ten minste 980 Joule op 100 meter afstand van de loopmond bedraagt.
12.    Het tweede tot en met zesde lid en negende lid, onderdelen a en b, gelden niet voor het doden van huismussen en verwilderde rotsduiven met luchtdrukgeweren in gebouwen.

Artikel 7a
1.    Het doden van wilde zwijnen door middel van de methode, bedoeld in artikel 74, tweede lid, van de wet, is toegestaan, indien:
a.    Onze Minister heeft bepaald dat in enig jaar het leggen van lokvoer niet voldoende effectief is om het benodigde afschot anderszins te realiseren en
b.    de methode is toegestaan in een besluit op grond van artikel 67, eerste lid, of artikel 68, eerste lid, van de wet.
2.    Uiterlijk op 1 april van enig jaar wordt van de inzet van de methode en het resultaat daarvan telkenmale door de houder van de vergunning, bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de wet, of van de ontheffing bedoeld in artikel 68, eerste lid, van de wet schriftelijke melding gemaakt bij het bestuursorgaan dat het besluit, bedoeld in onderdeel b, heeft genomen.
3.    Een besluit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt door Onze Minister bekend gemaakt in de Staatscourant.

Artikel 8
Geen ontheffing wordt verleend van het verbod van artikel 9 van de wet op grond van de belangen als bedoeld in artikel 68, eerste lid, onderdeel c en d, van de wet voor edelherten, damherten, reeën en wilde zwijnen die leven op ingerasterde terreinen met een oppervlakte kleiner dan 5000 hectare.

Artikel 9
1.    Jachtvogels worden voor het vangen of doden van dieren slechts gebruikt door personen die in het bezit zijn van een geldige valkeniersakte.
2.    Kastvallen worden niet gebruikt voor het vangen van:
a.    vogels, met uitzondering van eksters, zwarte kraaien of kauwen, of
b.    zoogdieren behorende tot soorten genoemd in bijlage IV en V, onderdeel a, van richtlijn 92/43/EEG.
3.    Klemmen worden slechts gebruikt voor het vangen of doden van mollen, veldmuizen, bosmuizen, huismuizen, woelratten, bruine ratten, zwarte ratten, muskusratten en beverratten.
4.    Buidels worden slechts gebruikt voor het vangen en doden van konijnen.
5.    Levende lokvogels worden slechts gebruikt voorzover:
a.    het gefokte eksters, gefokte zwarte kraaien of gefokte kauwen betreft, als hulpmiddel voor het vangen van eksters, zwarte kraaien onderscheidenlijk kauwen, met vangkooien of met kastvallen die zodanig zijn vervaardigd dat in de kastval geen lichamelijk contact mogelijk is tussen de lokvogel en de te vangen vogel, en
b.    de lokvogels zijn voorzien van voldoende voedsel en water.
6.    Kunstmatige lichtbronnen worden uitsluitend gebruikt indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
a.    het middel wordt gebruikt voor het vangen of doden van vossen;
b.    voor het gebruik is toestemming verleend door gedeputeerde staten.
7.    Onverminderd artikel 72, tweede lid, van de wet, worden middelen die krachtens de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 zijn toegelaten slechts gebruikt voor het vangen en doden van mollen, veldmuizen en bosmuizen.
8.    Aardhonden worden ten behoeve van het vangen en doden van vossen niet gebruikt in holen in de periode van 1 maart tot 1 september.
9.    Rodenators worden slechts gebruikt voor het vangen en doden van woelratten.

Print Friendly

Reageren is niet mogelijk