Belangrijkste punten Jachtaktehouders CWM 2015

Hierbij treft u belangrijkste punten aan die in de Circulaire-Wapens-en-Munitie-2015 zijn vermeld.

Circulaire Wapens en Munitie 2015

Hierbij treft u de Circulaire Wapens en Munitie 2015 (hierna Cwm 2015) aan.

Deze nieuwe Circulaire bevat kleine wijzigingen ten opzichte van de Circulaire wapens en munitie 2014 (hierna Cwm 2014). In de Cwm 2014 waren bepalingen opgenomen die regels stelden aan het voorhanden hebben van zwart buskruit of rookzwak buskruit welke in wezen daar niet in thuis horen.

Deze Circulaire-Wapens-en-Munitie-2015 bevat bevat een klein aantal wijzigingen ten opzichte van de CWM 2014. De wijzigingen hebben betrekking op het herladen van munitie en het voorhanden hebben van kruit.

Voor herladers van munitie zijn de procedures gewijzigd, danwel worden de wettelijke procedures uitgevoerd.

Herladers van munitie vallen onder de werking van de Wet wapens en munitie en onder de werking van de Wet explosieven civiel gebruik (Wecg).

De bevoegdheid om wapens en munitie voorhanden te hebben voor jagers is geregeld in de jachtakte.
Het bezit van kruit (in losse vorm) is geregeld in de Wecg.
De huidige situatie is dat geen recht gedaan wordt aan de Wecg, omdat men voor het bezit van los kruit een erkenning Wecg nodig heeft, hetgeen nu in de praktijk niet gebeurd.

Aan zowel jachtakte als erkenning ligt een screening op betrouwbaarheid ten grondslag. Beide screeningen zijn inhoudelijk gelijk en hierdoor ontstaat onnodige administratieve en financiële belasting van de betrokken groep herladers jachtakte/verlofhouders zijnde .

Door middel van de nu vastgestelde werkafspraken wordt enerzijds aan beide wetten recht gedaan en anderzijds deze belasting voor herladers jachtakte/verlofhouders weggenomen.

In navolging op deze wijziging zal de politie de volgende werkwijze hanteren;

  • Bij jaarlijkse verlenging van het verlof Wwm of de jachtakte wordt de houder gevraagd of de houder munitie herlaadt. Als dit het geval is dan wordt een erkenning Wecg als bijlage bij het verlof of jachtakte kostenloos verstrekt.
  • Deze erkenning Wecg is vooralsnog kosteloos en heeft dezelfde geldigheidsduur als het verlof/jachtakte
  • De houder verlof/jachtakte wordt tevens gewezen op de registratieverplichting die kan worden ingevuld door het bewaren van de aankoopbewijzen van het kruit.
  • De bewaartermijn is 3 jaar.
  • De controles van de erkenning Wecg worden gekoppeld aan de reguliere kluiscontroles die worden uitgevoerd in het kader van Wwm.
  • Indien tijdens een kluiscontrole wordt geconstateerd dat de houder van het verlof/jachtakte niet beschikt over een erkenning Wecg, dan wordt de houder er op gewezen deze omissie bij de eerstvolgende verlenging van het verlof/akte in orde te brengen.
  • Omschrijving stoffen;
    Zwart buskruit        UN-0027,UN-0028    met een max. van 01 kg.
    Rookloos buskruit  UN-0160, UN-0161,UN-509 met een max. van 3 kg.
    of de toegestane combinatie van deze stoffen.
    (De UN-nummers voor het kruit heb ik op de KNSA-site kunnen vinden)

    Zie ook: Informatiebrochure-kruit-en-munitie

In de nu voorliggende circulaire is dit gecorrigeerd.

De wijzigingen hebben concreet plaatsgevonden door middel van tekstwijzigingen in de Onderdelen A/1.2.4, A/1.2.5 en B/2.5 van de circulaire. Daarnaast is in de Cwm 2015 een nieuw onderdeel opgenomen;dit betreft onderdeel A/1.2.6. In dit nieuwe onderdeel wordt de samenhang tussen de Wet wapens munitie en de Wecg beschreven.

Daarnaast is de Stichting Koninklijke Luchtmacht Historische Vlucht opgenomen in de lijst erkende verenigingen in Onderdeel 4.2. De betreffende stichting is sinds 1 mei 2014 door mij erkend.

De Circulaire-Wapens-en-Munitie-2015 treedt op 12 februari 2015 in werking en vervangt de circulaire wapens en munitie 2014 (Stcrt 2014, 18096).

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

 

 2.5.1. WISSELLOPEN EN ANDERE ESSENTIËLE ONDERDELEN

Indien ten behoeve van de schietsport een verlof tot het voorhanden hebben van een of meer vuurwapens is verleend, kunnen op dat verlof ook onder de WWM vallende onderdelen en hulpstuk- ken (zie artikel 3 van de WWM) – bestemd voor deze vuurwapens – worden bijgeschreven. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan (reserve)onderdelen of aan wissellopen/wisselsets van een ander kaliber die het mogelijk maken om met een ander (goedkoper) kaliber munitie te schieten. Wisselsets en (reserve) onderdelen zoals lopen of sledes tellen niet mee bij het bepalen van het (maximum) aantal wapens op het verlof. Bij een eerste verlofaanvraag wordt geen verlof verleend voor een vuurwapen in een groter kaliber dan .22, ook al wordt daarbij een wisselset om te schieten in een groter kaliber meegeleverd. In voorkomende gevallen is een verlof voor het voorhanden hebben van een pistool met uitsluitend de wisselset .22 toegestaan, waarbij de wisselset in het grotere kaliber in bewaring blijft of wordt gegeven bij een erkenninghouder. Voor de bijschrijving van een wisselloop/wisselset op het verlof/jachtakte dient de aanvrager een volledig ingevuld WM-3 formulier in te dienen waaruit blijkt voor welke erkende of gereglementeerde tak(ken) van schietsport de wisselloop/wisselset aangewend zal worden32. In artikel 18, aanhef en onder g van de RWM, is een vrijstelling voor patroonmagazijnen opgenomen. Deze vrijstelling geldt slechts voor personen die bevoegd zijn de daarbij behorende wapens of munitie voorhanden te hebben. Buiten de in deze vrijstelling bedoelde groep is voor het voorhanden hebben van patroonmagazijnen een verlof vereist. Patroonschakels, patroonbanden, patroonhouders en laadstrips zijn geen onderdelen en/of hulpstukken die specifiek bestemd zijn voor die wapens en van wezenlijke aard zijn en zijn derhalve niet verlofplichtig.

2.5. MAXIMUM HOEVEELHEID MUNITIE

jachtmunitieHet aantal stuks munitie dat een verlofhouder (en een jachtaktehouder) voorhanden mag hebben wordt in beginsel beheerst door de milieuwetgeving. Ingevolge het Activiteitenbesluit op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, mag de verlofhouder (jachtaktehouder) – zonder vergunning op grond van deze wet – 10.000 stuks eenheidspatronen voorhanden hebben. Indien bijzondere omstandigheden naar het oordeel van de korpschef daartoe nopen, kan op grond van de Wet wapens en munitie het aantal stuks munitie dat de verlofhouder voorhanden mag hebben, (gemotiveerd) worden beperkt

2.5 LOODHAGEL & ZINKHAGEL

Een ieder – aan wie een verlof of jachtakte is verleend voor het voorhanden hebben van een hagelge- weer en de bijbehorende (categorie III) munitie – mag op grond van deze vergunning (zonder extra aantekening) lood- en zinkhagelmunitie voorhanden hebben (bijvoorbeeld ter uitoefening van de jacht of de beoefening van de schietsport in het buitenland).

Tungsten-jachtpatronen1Op deze hoofdregel zijn echter twee belangrijke beperkingen van toepassing, namelijk: 48 Zie ook artikel 39 van de Regeling wapens en munitie voor de vrijstelling met betrekking tot het tijdelijk doen uitgaan of binnen- komen, alsmede vervoeren van jachtgeweren ter beoefening van de jacht. 49 Zoals bedoeld in artikel 43, derde lid, van de Regeling wapens en munitie.

1. Het gebruik van lood- en zinkhagel is – op grond van het Besluit kleiduivenschieten Wet milieugevaarlijke stiffen 50 – bij het schieten op kleiduiven in Nederland niet toegestaan. Ook het voorhanden hebben van deze patronen tijdens het schieten op kleiduiven is verboden 51 Het opzettelijk in strijd handelen met het Besluit kleiduivenschieten Wms is op grond van artikel 1a juncto artikel 2 van de Wet op de Economische Delicten (WED) aangemerkt als een ‘misdrijf’ en kan derhalve leiden tot intrekking van het verlof of de jachtakte;

2. Het voorhanden hebben en het gebruik van loodhagel is, op grond van de Flora- en faunawet, niet toegestaan bij de uitoefening van de jacht of bij beheer- en/of schadebestrijding.

5.2. TRAINEN VAN HONDEN OP SCHOTVASTHEID

Aan personen die zich op serieuze wijze bezig houden met het africhten van honden die – na het behalen van een certificaat – kunnen worden ingezet als jacht-, bewakings- of politiehond, kan, voor het trainen op schotvastheid, een verlof worden verleend tot het voorhanden hebben van een tot categorie III behorend alarmpistool (of -revolver), alsmede van de bijbehorende munitie. Een verlof kan tevens worden verleend aan een jachtaktehouder tot het voorhanden hebben voor een op zijn akte omschreven hagelgeweer voor het verschieten van de zogenaamde blanks (knalpatronen) voor het trainen van jachthonden tijdens de door de KNJV georganiseerde trainingen en het mogelijk maken van wedstrijden en proeven volgens de reglementen van ORWEJA. Ten aanzien van de aanvrager mag geen vrees voor misbruik bestaan. Het verlof wordt verleend onder de volgende, op het verlofdocument bij te schrijven beperking: ‘Dit verlof is niet geldig voor hulpstukken die het wapen geschikt maken voor het verspreiden van weerloosmakende of traanverwekkende gassen of stoffen, en evenmin voor munitie die dergelijke gassen of stoffen verspreidt.’ Zo nodig kan tevens verlof tot vervoer worden verleend. Op het verlof document dient bij ‘beperkingen’, onder 1, het woord ‘schietbaan’ te worden vervangen door een omschrijving van de plaats waar het wapen pleegt te worden gebruikt.

5.4. DUMMY LAUNCHERS EN LIJNWERPTOESTELLEN

Dummy-launchers en lijnwerptoestellen in de vorm van een geweer of pistool dienen te worden aangemerkt als vuurwapens in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie III, onder 1, van de WWM. Dummy-launchers en lijnwerptoestellen als handapparaat, die niet de vorm hebben van een vuurwa- pen, dienen te worden aangemerkt als toestellen voor beroepsdoeleinden die geschikt zijn om projectielen af te schieten zoals bedoel in artikel 2, lid 1, categorie III onder 2 van de WWM. Voor het voorhanden hebben van alle dummy-launchers en lijnwerptoestellen is derhalve een verlof vereist als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de WWM.

DUMMY LAUNCHERS

Het redelijk belang voor de verlening van een (draag)verlof voor een dummy-launcher – ten behoeve van het africhten van honden – kan worden aangetoond door het overleggen van een geldige jachtakte, een lidmaatschapsbewijs van een (jacht)hondenvereniging of een schriftelijke verklaring van het bestuur van een (jacht)hondenvereniging waaruit blijkt dat de aanvrager is aangesteld als hondentrainer. Daarnaast dient de aanvrager aan te tonen dat de eigenaar of beheerder van het terrein waar het africhten van de honden plaats vindt geen bezwaar heeft tegen het gebruik van een Dummy launcherdummy- launcher op zijn terrein. De aanvrager kan dit aantonen middels een schriftelijke verklaring van de  Indien de aanvrager van het verlof voor een periode langer dan een jaar in het buitenland verblijft, bestaat er geen bezwaar tegen om het verlof op voorhand voor meerdere jaren te verlengen. Eigenaar van het betreffende terrein of door het overleggen van de eigendomspapieren indien de aanvrager zelf de eigenaar van het terrein is.

5.6. VERDOVINGSGEWEREN

Verdovingsgeweren verschieten over het algemeen het verdovingsprojectiel door middel van lucht-, gas-, of veerdruk. Dergelijke wapens zijn dan ook over het algemeen aan te merken als een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie IV onder 4 van de WWM. Het voorhanden hebben van een dergelijk wapen is dan ook toegestaan aan een ieder die achttien jaar of ouder is. Uitgezonderd hiervan zijn de door de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen lucht-, gas-, of veerdrukwapens die zodanig gelijken op een vuurwapen dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn en die derhalve verboden wapens zijn in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie I, onder 7 van de WWM.

VERLOF TOT HET DRAGEN VAN EEN CATEGORIE IV WAPEN

Het dragen van een categorie IV wapen is uitsluitend toegestaan nadat hiervoor door de korpschef een verlof is verleend. Een redelijk belang voor de verlening van een dergelijk verlof kan aanwezig zijn indien de aanvrager aannemelijk maakt dat hij in het kader van zijn beroepsuitoefening te maken krijgt met situaties waarin het noodzakelijk is om door middel van een verdovingsgeweer een dier te verdoven. Het toedienen van verdovingsmiddelen aan dieren is echter – gelet op de artikelen 29, 30 en31 van de Diergeneesmiddelenwet, artikel 7 van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde en de artikelen 2 en 3 van de Kanalisatieregeling diergeneesmiddelen en -gemedicineerde voeders – uitsluitend toegestaan door of onder (direct) toezicht van een dierenarts Voorschriften en beperkingen Aan het verlof dienen de volgende beperkingen en voorschriften te worden verbonden:

BEPERKINGEN:

1. Het toedienen van verdovingsmiddelen door middel van het verdovingsgeweer is uitsluitend toegestaan door of onder (direct) toezicht van een dierenarts;

2. Het gebruik van het verdovingsgeweer op de openbare weg of op andere voor het publiek toegankelijke plaatsen is uitsluitend toegestaan na toestemming van de korpschef.

VOORSCHRIFTEN:

1. Het verdovingsgeweer dient tijdens het vervoer op een zodanig deugdelijke wijze te zijn verpakt, dat het niet voor onmiddellijk gebruik geschikt is; 2. Bij intrekking of bij het verlopen van de geldigheid van het verlof dient het verlof onverwijld ingeleverd te worden bij de korpschef; 3. De houder van het verlof houdt zich strikt aan de bepalingen, gesteld bij of krachtens de Wet wapens en munitie, alsmede aan de in het verlof vermelde voorschriften en beperkingen.

5.7. DODEN VAN LOSGEBROKEN EN/OF GEWOND VEE/WILD

Het doden van losgebroken en/of gewond vee/wild met een kogelgeweer kan noodzakelijk zijn indien een dier een gevaar vormt voor de veiligheid van personen en/of goederen en er geen reële mogelijk- heid is om het dier op een andere (verantwoorde) wijze aangereden-wild-zwijnonder controle te krijgen dan wel ter beëindi- ging van ondraaglijk lijden van het dier. Omdat het in principe niet verantwoord is om (groot) vee te doden met een projectiel uit
een (politie)pistool (onder meer vanwege de beperkte ballistische eigenschappen van een dergelijk projectiel), kan de korpschef besluiten dat er een redelijk belang is om aan één of meerdere personen een verlof te verlenen voor het voorhanden hebben van een groot kaliber kogelgeweer. Een dergelijk verlof mag alleen verleend worden aan personen die in het bezit zijn van een geldige jachtakte en die aannemelijk hebben gemaakt dat zij met enige regelmaat te maken krijgen met situaties waarin het noodzakelijk is om losgebroken en/of gewond vee/wild te doden. Alvorens een dergelijk verlof wordt verleend dient de korpschef zich er van te vergewissen dat de desbetreffende persoon voldoende vaardig is in de omgang met een groot kaliber geweer en voldoende kennis heeft van de wijze waarop (groot) vee/wild geschoten moet worden.

5.8. DODEN VAN GEKWEEKT GROFWILD

Het houden van dam- of edelherten voor de vleesproductie is in Nederland een steeds vaker voorko- mend verschijnsel. Het doden van deze dieren middels de gebruikelijke methoden (schietmasker) is onwenselijk vanwege het feit dat er eerst een zekere manipulatie van het dier door de mens moet plaatsvinden om het dier in de voor die dodingsmethode vereiste positie te brengen. Een dergelijke manipulatie Damhertveroorzaakt bij dit soort niet gedomesticeerde dieren een ongewenste opwinding (stress) met negatieve gevolgen voor de kwaliteit van het vlees. Het doden middels een kogel door een daartoe bevoegd persoon heeft dan ook de voorkeur van de fokkers van deze dieren. Het op verzoek van de fokker doden van deze dieren kan dan ook een redelijk belang opleveren voor de verlening van een verlof tot het voorhanden hebben van een kogelgeweer. Een algemene voor- waarde voor de verlening van een dergelijk verlof is dat de aanvrager in het bezit moet zijn van een geldige jachtakte. Middels het overleggen van een geldige jachtakte toont de aanvrager aan dat hij geoefend is in het doden van dieren met gebruikmaking van een kogelgeweer. Bovendien wordt door het hanteren van deze voorwaarde onnodige uitbreiding van het wapenbezit veelal voorkomen.

Aan een dergelijk verlof dienen de volgende beperkingen te worden verbonden:

a. De bevoegdheid tot het doden van dieren geldt alleen voor als productiedieren gekweekt grofwild zoals bedoeld in artikel 13 van het Besluit doden van dieren (Stb. 1997, 235);

b. Het doden van het gekweekte grofwild vindt plaats op het terrein waar deze dieren worden gehouden;

c. Het wapen mag worden vervoerd van en naar die plaatsen waar het gekweekte desbetreffende grofwild wordt gehouden;

d. Het doden van gekweekt grofwild met behulp van een geweer mag alleen plaatsvinden tussen zonsopgang en zonsondergang;

e. Het gekweekt grofwild mag slechts worden gedood indien het geweer en de munitie voldoen aan de eisen zoals gesteld in artikel 10 en 11 van het Besluit beheer en schadebestrijding47;

f. Bij het doden van gekweekt grofwild mag geen gebruik worden gemaakt van militaire kogelpatronen, met inbegrip van fosfor- of lichtspoorpatronen, noch van volmantel-kogelpatronen of kogels die niet vervormen bij het treffen van het dier;

g. Bij het doden van het gekweekt grofwild mag de afstand tussen dier en schutter ten hoogste 25 meter bedragen;

h. De houder van het verlof dient er zorg voor te dragen dat zijn burgerrechtelijke aansprakelijkheid, voor schade waartoe het verrichten van die handelingen met gebruikmaking van een geweer aanleiding kan geven, door een verzekering is gedekt.

5.9. JAGEN/BEHEER EN BESTRIJDING VAN SCHADE

In de Wet natuurbescherming (Wnb)  en het besluit Wnb is geregeld onder welke stringente voorwaarden iemand in aanmerking kan komen voor de verlening van een jachtakte.

Met de inwerkingtreding van de Ffw is door het toenmalige Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, in overleg met het Ministerie van Veiligheid en Justitie, besloten om in beginsel geen afwijking meer toe te staan op de algemene regel dat een ieder die met een geweer wil jagen, dan wel zich wil bezig houden met beheer en bestrijding van schade, in het bezit dient te zijn van een geldige jachtakte.

Op grond van de Wnb bestaat echter de mogelijkheid dat Gedeputeerde Staten op grond van artikel 3.26 lid 3 van deze wet.  Bij het verlenen van een ontheffing of een vrijstelling, genoemd in artikel 3.25, eerste lid, kan ook ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden verleend van het eerste lid, onderdeel a of b, en de krachtens het tweede lid gestelde regels, met dien verstande dat bij het verlenen van ontheffing of vrijstelling van regels als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, ook rekening wordt gehouden met belangen van veiligheid, volksgezondheid, welzijn en milieu.. Gedeputeerde Staten bepalen binnen de toetsingscriteria van de wet of een dergelijk ontheffing noodzakelijk is. In praktijk zal hiertoe slechts bij hoge uitzondering besloten worden. Indien door Gedeputeerde Staten een dergelijke ontheffing wordt verleend dan levert dit een redelijk belang op voor de verlening van een verlof.

JAGEN IN HET BUITENLAND

De houder van een geldige jachtakte mag zijn geweren tevens gebruiken voor het uitoefenen van de jacht in het buitenland48. Gelet op het belang van het beheersen van het legale bezit van wapens en de onmogelijkheid van de politie om de jacht in het buitenland te controleren, levert de uitoefening van de jacht in het buitenland in principe geen redelijk belang op voor de verlening van een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens.

jagen in scotland

In het licht van de Europese eenwording heeft de Minister van Veiligheid en Justitie – na afstemming met de Minister van Economische Zaken – besloten om de jacht binnen de Europese Unie wél aan te merken als een redelijk belang voor de verlening van een verlof.

Voor de verlening van een verlof ten behoeve van de jacht elders in de Europese Unie dient de aanvrager te voldoen aan de volgende voorwaarden:

a. de leeftijd van de aanvrager is tenminste 18 jaar;

b. ten aanzien van de aanvrager mag geen ‘vrees voor misbruik’ bestaan (zie B 1.);

c. de aanvrager dient met gunstig gevolg een erkend jachtexamen te hebben afgelegd zoals bedoeld in artikel 3.28 Wnb;

d. de aanvrager dient aan te tonen dat hij elders in de Europese Unie gerechtigd is om, met het wapen waarvoor hij een verlof aanvraagt, te jagen. De aanvrager kan dit aantonen door het overleggen van een geldige jachtakte van één van de lidstaten van de Europese Unie;

e. door de verlening van het verlof c.q. bijschrijving op de jachtakte wordt het maximum aantal wapens zoals genoemd in artikel 43 van de RWM niet overschreden. Door het uitoefenen van de jacht in het buitenland kan niet worden aangetoond dat het ‘onontbeerlijk’ is om van dit maximum af te wijken.

f. Indien de aanvrager reeds in het bezit is van een geldige Nederlandse jachtakte dan dient het wapen te worden bijgeschreven op de jachtakte. Indien de aanvrager niet beschikt over een geldige Nederlandse jachtakte dan kan het wapen worden bijgeschreven op een verlof tot het voorhanden hebben.

8. OPBERGEN EN HET GEMEENSCHAPPELIJK GEBRUIK VAN WAPENS

De persoon aan wie een vergunning is verleend tot het voorhanden hebben van wapens en/of munitie dient – indien de wapens en de bijbehorende munitie thuis voorhanden worden gehouden – er voor te zorgen dat deze worden opgeborgen in afzonderlijke, deugdelijk afgesloten, en voor onbevoegden niet gemakkelijk bereikbare bergplaatsen. De wapens dienen dus gescheiden van de munitie te worden opgeborgen. De hieronder genoemde bepalingen betreffende het opbergen van wapens en munitie zijn tevens van toepassing op essentiële onderdelen van wapens zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet wapens en munitie. De bepalingen zijn echter niet van toepassing op de (onderdelen van) wapens en (onderdelen van) munitie waarop de vrijstelling van artikel 18 van de Regeling wapens en munitie van toepassing is noch op lege hulzen en projectielen die bestemd zijn voor het herladen. De onderstaande bepalingen zijn wel van toepassing op de opslag van slaghoedjes maar zijn niet van toepassing op de opslag van kruit. Het voorhanden hebben van kruit valt immers niet onder de werking van de WWM.

8.1. DEUGDELIJKE BERGPLAATS

Als een deugdelijke bergplaats voor wapens en/of munitie wordt uitsluitend aangemerkt een speciaal voor de opslag van wapens vervaardigde wapenkast/wapenkluis of een andere kluis die qua uitvoering en inbraakwerendheid daarmee kan worden gelijkgesteld.

Een kluis dient deugdelijk te worden verankerd in de vloer of de muur van het gebouw tenzij de kluis van een dusdanig gewicht is (minimaal 200 kilo) dat het zo goed als uitgesloten is dat de kluis bij een inbraak kan worden meegenomen.

Aan personen of instellingen die bevoegd zijn tot het voorhanden hebben van grote aantallen (meer dan 25) wapens (bijvoorbeeld wapenverzamelaars/musea) en personen of instellingen die bevoegd zijn tot het voorhanden hebben vwapenkastan munitie die in totaal een grote omvang heeft (bijvoorbeeld munitieverzamelaars/musea) is het, naast de berging in (wapen) kluizen, ook toegestaan om wapens en/of munitie op te bergen in een andere deugdelijk afgesloten bergplaats zoals een speciaal beveiligde (wapen)kamer.

De omvang van de te treffen beveiligingsmaatregelen is uiteraard afhankelijk van de soort (gevaarzetting) en het aantal wapens of munitie dat in het gebouw ligt opgeslagen alsmede van de ligging en de beveiliging van het gebouw, hetgeen per geval zal moeten worden beoordeeld door een beveiligingsexpert van de politie.

In het geval dat een verlof- c.q. jachtaktehouder een gedeelte van het jaar buiten zijn vaste woonplaats verblijft, bijvoorbeeld op een vakantieadres, en hij daar zijn vuurwapens voorhanden wil houden teneinde ter plaatse de jacht of de schietsport te kunnen beoefenen, bestaat er mijnerzijds geen bezwaar tegen dat de korpschef op het verlof c.q. de jachtakte de aantekening doet dat de vuurwapens ook voorhanden mogen worden gehouden op het tijdelijke adres.

Is het tijdelijke adres van de verlof- c.q. jachtaktehouder gelegen buiten de regio waaronder de vaste woonplaats van de verlofhouder ressorteert dan is overleg – met de politiechef in de regio waaronder het tijdelijke adres ressorteert – geboden. Tevens dient aan laatstgenoemde politiechef een kopie van het verlof te worden toegezonden.

Vanzelfsprekend dient de verlof- c.q. Jachtaktehouder op zijn tijdelijk adres eveneens over de mogelijk- heid te beschikken om zijn vuurwapens conform de in onderdeel B 8.1 van deze circulaire genoemde eisen op te bergen.

8.4. GEMEENSCHAPPELIJK GEBRUIK VAN WAPENS

Het is niet ongebruikelijk dat verlof- of jachtaktehouders gemeenschappelijk gebruik willen maken van één of meerdere vuurwapen(s). Tegen het gemeenschappelijk gebruik van vuurwapens is geen bezwaar wanneer dit het toezicht en de controle op de naleving van wapenwettelijke voorschriften niet in gevaar brengt.

Daarom moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

1. Slechts één verlof- c.q. jachtaktehouder (A) is bevoegd het wapen thuis te bewaren (voorhanden te hebben). Dit houdt in dat de andere verlof- c.q. jachtaktehouder (B) die het wapen op zijn verlof respectievelijk jachtakte vermeld heeft staan, het wapen – alvorens hij dit gaat gebruiken voor het doel waarvoor hem een verlof respectievelijk een jachtakte is verleend – eerst bij A moet ophalen om het na gebruik terstond weer bij A terug te brengen;

2. De verschillende verloven c.q. Jachtakten moeten ten aanzien van het gemeenschappelijk wapen onderling naar elkaar verwijzen en moeten aangeven wie van de verlof- c.q. jachtaktehouders bevoegd is het wapen thuis te bewaren;

Een wapen dat vermeld staat op twee verloven of jachtakten telt bij de A-houder (dit is dus degene die het wapen voorhanden heeft op het moment dat het wapen niet gebruikt wordt voor de beoefening van de schietsport of de uitoefening van de jacht door de B-houder) mee voor het maximum aantal wapens dat hij of zij (op grond van artikel 43 van de RWM) voorhanden mag hebben. Bij de B-houder (dit is dus degene die het wapen leent van de A-houder en na gebruik terstond weer bij A terug brengt) telt het wapen niet mee voor de bepaling van het maximum aantal wapens dat hij of zij voorhanden mag hebben.

Het aantal wapens dat met gebruikmaking van deze constructie op een verlof c.q. jachtakte mag worden vermeld bedraagt maximaal 10 voor een verlof en maximaal 12 vuurwapens voor een jachtakte.

Indien meerdere personen binnen een huishouden op grond van hun respectievelijke wapenverloven, allen bevoegd zijn tot het voorhanden hebben van alle binnen het huishouden aanwezige vuurwapens, mogen deze vuurwapens in dezelfde kluis worden bewaard. Dit geldt uitdrukkelijk niet wanneer de verschillende personen binnen het huishouden op grond van hun wapenverloven bevoegd zijn tot het voorhanden hebben van verschillende wapens. Hiervoor geldt de toestemming medegebruik wapen regeling

9.1. TOEZICHT OP VERLOFHOUDERS EN JACHTAKTEHOUDERS

Indien het wapenverlof is verleend, houdt de politie toezicht op de wapenverlofhouder. De politie controleert onaangekondigd bij wapenverlofhouders of zij hun wapens en munitie correct hebben opgeborgen. Dit betekent dat niet elke verlofhouder jaarlijks wordt gecontroleerd, wel zal elke verlofhouder minimaal één keer per drie jaar een thuiscontrole krijgen. Indien nodig, zullen verlofhouders op basis van een risico-indicatie en op basis van steekproeven, vaker gecontroleerd worden. Voor verlofhouders tot 25 jaar geldt een thuiscontrole van minimaal één keer per jaar.

Het is noodzakelijk dat bij alle verlofhouders en jachtaktehouders, wordt gecontroleerd of:

a. de wapens en munitie welke door de betrokkene voorhanden worden gehouden, beantwoorden aan de omschrijving op het verlof en/of de jachtakte;

b. de verlofhouder of jachtaktehouder aan alle in de wet en regelgeving omschreven eisen voldoet.

c. de wapens en/of de munitie op de juiste wijze zijn opgeborgen (zie B 8). Gelet op de aard van deze controle, zal deze moeten plaatsvinden door middel van een, bij voorkeur onaangekondigd, huisbezoek. Daarnaast is het mogelijk om, ter controle van bepaalde gegevens, betrokkene te verzoeken zich met zijn wapens op het bureau te vervoegen. Uiteraard geldt dat personen die er blijk van hebben gegeven het met de naleving van de voorschriften niet zo nauw te nemen, aan een intensiever toezicht dienen te worden onderworpen dan personen van wie isgebleken dat zij de wapenwetgeving stipt naleven. Bij lichtere onregelmatigheden, zoals kleine onjuistheden of slordigheden, dient een schriftelijke waarschuwing aan betrokkene te worden gegeven, waarin hem wordt meegedeeld welke onjuistheden of slordigheden zijn geconstateerd en waarin hij wordt gemaand om die in de toekomst te voorkomen.

Gegeven waarschuwingen en eventueel opgemaakte processen-verbaal kunnen er toe leiden ofwel dat aan het verleende verlof of de verleende jachtakte zwaardere voorschriften of beperkingen worden verbonden ofwel dat tot intrekking wordt overgegaan. Indien, nadat intrekking heeft plaatsgevonden, in een eventueel volgende beroepsprocedure kan worden aangetoond dat betrokkene één of enkele malen schriftelijk is gewezen op de niet correcte naleving van de WWM dan bestaat er een grotere kans dat de intrekking ook in beroep zal worden gehandhaafd.

Een schriftelijke waarschuwing is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Er kan geen bezwaar of beroep tegen worden ingesteld.

9.5. TOEZICHT OP CONSENTEN IN- EN UITVOER WAPENS EN MUNITIE

Indien consenten tot uitgaan of tot doorvoer of tot binnenkomen in verband met overbrenging en opslag onder douaneverband door de verlenende instantie niet van de douane zijn terugontvangen, zal de korpschef (en feitelijk de politiechef in de plaats waar de aanvrager is gevestigd of in het geval het consent op naam van de wapenhandelaar is gesteld, in de plaats waar de wapenhandelaar is gevestigd), een onderzoek instellen. Dit onderzoek dient zo spoedig mogelijk na afloop van de geldigheidsduur van het desbetreffende consent plaats te vinden. De korpschef zal moeten nagaan of het uitgaan of de doorvoer van de in het consent vermelde wapens en munitie al dan niet heeft plaats gehad, alsmede om welke redenen – bij gebruikmaking van het consent – het consent niet aan de douane is afgegeven, dan wel – bij niet-gebruikmaking van het consent – het consent niet aan de verlenende instantie is teruggezonden.

Print Friendly

Reageren is niet mogelijk