MEMORIE VAN ANTWOORD aan Eerste Kamer – Regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming)

33 348                 Regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming) 

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het voorlopig verslag van de vaste commissie voor Economische Zaken over het wetsvoorstel houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming). In deze memorie van antwoord beantwoord ik de door de verschillende leden gestelde vragen en ga ik in op de door hen gemaakte opmerkingen, waarbij ik de volgorde en indeling van het verslag aanhoud. De vragen en opmerkingen heb ik genummerd en in voorkomend geval geparafraseerd met het oog op de toegankelijkheid en leesbaarheid.

Over enkele onderwerpen zijn op verschillende onderdelen in het voorlopig verslag vragen van gelijke strekking gesteld. Om doublures in de beantwoording te voorkomen verwijs ik waar dat aan de orde is in mijn antwoorden naar andere antwoorden in deze memorie van antwoord.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

  1. De leden van de VVD-fractie constateren dat de natuur in Nederland het resultaat of het bijproduct is van menselijk ingrijpen en vinden dat de citeertitel van het wetsvoorstel hieraan geen recht doet. Deze leden vragen waarom niet is gekozen voor “Wet natuur”, “Wet natuurbeleid” of “Wet natuurbeheer” als citeertitel. Zij merken op dat de citeertitel tegenstellingen oproept met andere actoren in de biotische leefomgeving, terwijl samenwerking en integratie van activiteiten tot veel betere resultaten kunnen leiden.

De grote variëteit aan ecosystemen en dier- en plantensoorten in de ons omringende natuur vertegenwoordigt een grote waarde, niet alleen in zichzelf, maar ook vanwege alles wat zij mensen biedt. Of het nu gaat om systemen in de ongerepte natuur of in natuur die door menselijk ingrijpen is ontstaan, maakt daarbij niet uit. Vanwege het grote algemeen belang dat natuur vertegenwoordigt, haar kwetsbaarheid en de voortdurende achteruitgang van natuurwaarden, is het zaak dat zij wordt beschermd. Internationale verdragen en Europese regelgeving voorzien in verplichtingen om de natuur te beschermen.

Bij deze “bescherming” gaat het niet alleen om de toepassing van instrumenten die verzekeren dat mensen bij hun handelen rekening houden met mogelijke gevolgen voor de natuur – de zogeheten passieve bescherming – maar ook om instrumenten waarmee actief beleid wordt gevoerd om de natuur te beheren en te ontwikkelen – de zogeheten actieve bescherming. Dit wetsvoorstel verenigt beide vormen van bescherming en mag dus met recht “Wet natuurbescherming” worden genoemd.

Voorbeelden van instrumenten voor passieve bescherming van de natuur in dit wetsvoorstel zijn de vergunningplicht voor activiteiten die Natura 2000-gebieden kunnen schaden (voorgestelde artikelen 2.7 en 2.8), de verboden, in combinatie met de verlening van ontheffingen, ter bescherming van vogels, andere dieren en planten die in het wild voorkomen (voorgestelde artikelen 3.1 tot en met 3.10) en de bescherming van houtopstanden buiten de bebouwde kom (voorge- stelde artikelen 4.1 tot en met 4.5). Instrumenten voor de actieve bescherming van natuur zijn bijvoorbeeld de inspanningsverplichting voor provincies om de nodige maatregelen te treffen voor het behoud of herstel van natuurwaarden en in het verlengde daarvan de totstandkoming van het natuurnetwerk Nederland (voorgesteld artikel 1.12, eerste en tweede lid), de mogelijkheid van een programmatische aanpak om de natuur te verbeteren (voorgesteld artikel 1.13) en de verplichting om voor Natura 2000-gebieden beheerplannen vast te stellen (voorgesteld artikel 2.3).

De bescherming van de natuur in dit wetsvoorstel is zodanig dat de natuur wordt versterkt mét de samenleving in plaats van dat de natuur wordt beschermd tegen de samenleving. Hierbij versterken natuur en economie elkaar. Dat is een belangrijk uitgangspunt mijn beleid, zoals verwoord in de natuurvisie “Natuurlijk verder”.1 Met het oog daarop voorziet het wetsvoorstel in instrumenten die bij- dragen aan een goede werkbaarheid in de praktijk.

Zo helpt de programmatische aanpak stikstof de toepassing van de Natura 2000-vergunningplicht in de praktijk. Het wetsvoorstel maakt een dergelijke aanpak mogelijk, niet alleen voor Natura 2000-gebieden maar ook voor de invulling van een actieve leefgebieden benadering in het kader van actieve soorten bescherming, en bovendien niet alleen op landelijk niveau maar ook op regionaal niveau (voorgesteld artikel 1.13).

Als voorbeeld kan verder worden genoemd de beheerplannen voor Natura 2000-gebieden, die onder regie van de provincies in samenwerking met de bij het desbetreffende gebied betrokken actoren worden opgesteld. Beheerplannen geven duidelijkheid ten behoeve van de verlening van vergunningen voor activitei- ten die mogelijk schadelijk zijn voor een Natura 2000-gebied. Bovendien kunnen de plannen ook fungeren als vrijstelling voor in het plan opgenomen activiteiten van de vergunningplicht voor Natura 2000-activiteiten, van de soorten beschermingsverboden en van de meldings- en herbeplantingsplicht bij het vellen van een houtopstand (voorgestelde artikelen 2.9, eerste lid, 3.3, zevende lid, onderdeel b, 3.8, zevende lid, onderdeel b, 4.4, eerste lid, onderdeel a). Ook het instrument van gedragscodes biedt ruimte voor initiatieven in de praktijk, waar het gaat om de soorten beschermingsverboden (voorgesteld artikel 3.31) en de meldings- en herbeplantingsplicht bij het vellen van houtopstanden (voorgesteld artikel 4.4, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid). Deze gedragscodes worden door de betrokken bedrijfstak of beroepsgroep zelf opgesteld en door mij na overleg met de provincies goedgekeurd. Verder biedt het wetsvoorstel ruimte voor het verlenen van ontheffingen van de verboden ter bescherming van dier- of plantensoorten in het kader van de zogenoemde tijdelijke natuur (voorgestelde artikelen 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid, en 3.10, tweede lid).

In het belang van de verbinding tussen economie en ecologie voorziet dit wetsvoorstel verder in het schrappen van onnodige lasten voor burgers en ondernemingen. Gewezen wordt op het voorstel tot afschaffing van de gebiedscategorie van beschermde natuurmonumenten, dat voor bedrijven zal leiden tot een vermindering van administratieve lasten van circa € 1.305.600 per jaar. 2 Ook verzekert dit wetsvoorstel dat het natuurbelang bij gebiedsontwikkelingsprocessen en grote projecten in een vroegtijdig stadium integraal wordt betrokken, door het voorstel voor een verplichte uitvoering van de natuurtoetsen bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor locatiegebonden activiteiten (voorgesteld artikel 2.1, eerste lid, onderdelen j en k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; voorgesteld artikel 10.8).

  1. De leden van de VVD-fractie vragen wat de voordelen zullen zijn van de aangekondigde integratie van de natuurwetgeving in de Omgevingswet.

Het wetsvoorstel voor de Omgevingswet 3 gaat uit van een samenhangende aanpak die ervoor zorgt dat alle relevante belangen (zoals natuur, ruimte, water, infrastructuur, milieu en wonen) van het begin af aan worden meegenomen in het beleids- en besluitvormingsproces.

Zo zullen de onderdelen van de natuurvisie die van belang zijn voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van de natuur en de kwaliteit en het beheer van de leefomgeving, onderdeel uitmaken van de omgevingsvisie. De met de omgevingsvisie beoogde integrale strategische langetermijnvisie richt zich op de fysieke leefomgeving als geheel, zodat deze in samenhang wordt beschouwd in de complexe dynamiek van de moderne maatschappij. De visievorming op verschillende terreinen zoals ruimtelijke ontwikkeling, verkeer en vervoer, water, milieu, natuur, gebruik van natuurlijke hulpbronnen en cultureel erfgoed wordt in de omgevingsvisie niet alleen samengevoegd, maar ook met elkaar verbonden.

Dat geldt ook voor andere instrumenten waarin het wetsvoorstel voor de Omgevingswet voorziet, zoals de omgevingsplannen en programma’s. Zo worden in een vroegtijdig stadium mogelijk strijdige of juist elkaar versterkende ontwikkelingen met elkaar in verband gebracht. Het natuurbelang is erbij gebaat dat het al van het begin af aan bij de visievorming door Rijk en provincie op de fysieke leefomgeving op volwaardige wijze wordt meegenomen en met andere belangen zoals ruimtelijke ontwikkelingen wordt verbonden. Gedacht kan worden aan beleid om actief natuur te ontwikkelen – de bevordering van gezonde soorten- populaties in hun natuurlijke verspreidingsgebied – in een bebouwde of nog te bebouwen omgeving in samenhang met andere belangen, op provinciaal of ge- meentelijk niveau. Hoe beter het met de staat van instandhouding van een soort gaat, hoe meer zij kan verdragen, waardoor meer ontwikkelingen op andere terreinen van de fysieke leefomgeving mogelijk worden. Hiermee wordt bijge- dragen aan een robuuste en veelzijdige natuur die de invloed van de samenle- ving niet alleen kan verdragen maar daar juist ook bij kan gedijen.

1             Kamerstukken II 2013/14, 33 576, nr. 14. 

2             SIRA Consulting BV, “ Regeldrukeffecten Wetsvoorstel Natuurbescherming”, Kamer- stukken II 2014/15, 33 348, nr. 14, bijlage. 

3             Kamerstukken I 2014/15, 33 962, A. 

  1. De leden van de VVD-fractie vragen of onder een “verantwoord natuurbeheer” ook wordt begrepen de bescherming van de mens en van flora of fauna tegen onevenwichtigheden van de natuur, zoals het geval is bij wildschade voor agrariërs en de bedreiging van diersoorten door een te grote populatie van natuurlijke vijanden. Deze leden vragen of beheerders in dergelijke gevallen mogen ingrijpen.

Het wetsvoorstel biedt, met inachtneming van de Europese regelgeving, de ruimte om de omvang van populaties van in het wild levende dieren te beperken, onder meer ter voorkoming van schade voor agrariërs, in het belang van de luchtveiligheid en verkeersveiligheid, en ter bescherming van flora of fauna. Gedeputeerde staten verlenen hiervoor aan faunabeheereenheden ontheffing van de soortenbeschermingsverboden, op basis van een faunabeheerplan, ter beperking van de omvang van een populatie (voorgesteld artikel 3.17). Dit valt onder “verantwoord natuurbeheer”.

De beperking van de omvang van vogelpopulaties moet nodig zijn in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid, de veiligheid van het luchtverkeer, ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren, of ter bescherming van flora of fauna (voorgesteld artikel 3.17, eerste lid, onderdeel a). Deze gronden zijn voorgeschreven in de Vogelrichtlijn.4

Ten aanzien van dieren van soorten van Europees belang (voorgesteld artikel 3.5, eerste lid) moet de beperking ingevolge de Habitatrichtlijn5 nodig zijn in het belang van de bescherming van flora, fauna of natuurlijke habitats, ter voorkoming van ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren en andere vormen van eigendommen, of in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of een andere dwingende reden van groot openbaar belang (voorgesteld artikel 3.17, eerste lid, onderdeel b).

Voor dieren van andere soorten die op grond van het wetsvoorstel worden beschermd (genoemd in de bijlage bij het wetsvoorstel), is in aanvulling daarop ook de voorkoming van schade of overlast, de voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van dieren en het algemeen belang een legitieme reden om de omvang van een populatie te beperken (voorgesteld artikel 3.17, eerste lid, on-

derdeel c). Verder gelden als randvoorwaarden dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat en er geen afbreuk wordt gedaan aan – kort gezegd – de staat van instandhouding van de betreffende soort (voorgestelde artikelen 3.3, vierde lid, onderdeel c, en 3.8, vijfde lid, onderdeel c).

  1. De leden van de VVD-fractie vragen of de regering met hen van mening is dat het scheppen van ruimte voor wenselijke of zelfs onverwachte ontwikkelingen even belangrijk is als de instandhouding van soorten en of het belangrijk is in te spelen op bijvoorbeeld klimaatveranderingen in plaats van vast te houden aan maatregelen om de staat van instandhouding van een soort te verbeteren, zoals bijvoorbeeld de pogingen tot redden van het korhoen in Twente.

De maatregelen ter instandhouding van dier- of plantensoorten van Europees belang moeten worden getroffen op grond van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Dat is een harde verplichting, waar Nederland zich maximaal voor inspant. Zoals ik in mijn natuurvisie heb gemeld, kan er ook bezinning nodig zijn in het geval van een onevenredig grote of onhaalbare opgave, zoals bij het be- houd van het korhoen in Nederland. Het gaat erom dat een zwaarder accent komt te liggen op het creëren van ruimte voor natuurlijke processen in de dy- namische delta die aan de Nederlandse natuur mede zijn unieke karakter geeft.

Daardoor kunnen robuuste systemen ontstaan: lage beheerlasten en haalbare doelen die op natuurlijke wijze mee kunnen bewegen met veranderende omstandigheden zoals door het klimaat.

4             Richtlijn nr. 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20). 

5             Richtlijn nr. 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206). 

In mijn brief van 18 mei 20156 aan de Tweede Kamer heb ik gemeld dat mijn inzet voor de fitnesscheck van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn erop is gericht om in de uitvoering van de richtlijnen de ontwikkeling van dergelijke robuuste natuurgebieden mogelijk te maken, mede door de koppeling van natuurontwikkeling aan andere belangen zoals waterveiligheid en waterbeheer, recreatie en infrastructuur. Ook wil ik in dit verband aandacht vragen voor de mogelijkheden van samenwerking op het niveau van het Europese natuurnetwerk. Waar het bijvoorbeeld gaat om het behoud van de korhoen, zou het mogelijk moeten zijn niet alleen te kijken naar de nationale verantwoordelijkheid maar ook op Europees niveau voor de realisatie van de doelen, met name in dezelfde biogeografische regio.

  1. De leden van de VVD-fractie vinden het begrip “intrinsieke waarde” contradictoir, omdat het altijd de mens is die aan iets waarde toekent. Deze leden vragen wat de betekenis is van dit begrip voor het wetsvoorstel als er verder geen uitwerking aan wordt gegeven.

De intrinsieke waarde van de natuur belichaamt een belangrijk uitgangspunt van mijn beleid en van dit wetsvoorstel. Zij brengt tot uitdrukking dat de natuur ook van zichzelf een waarde heeft, ter onderscheiding van de gebruikswaarde die zij heeft voor de mens, als productiedienst (voedsel, hout, zoet water en biomassa), als regulerende dienst (waterveiligheid, waterhuishouding, kooldioxideopslag), als culturele en welzijnsdienst (cultuurhistorie, genot, rust, ontspanning, gezondheid, sociale relaties), voor de landbouw (bron van teeltmateriaal en middelen voor bevruchting en gewasbescherming), voor de visserij (leef-, foerageer- en paaigebied) en voor een aantrekkelijke leefomgeving en daarmee voor een gunstig vestigingsklimaat voor ondernemingen. Ook natuurwaarden die geen of althans geen merkbare gebruikswaarde hebben voor de mens, zijn het waard om te worden beschermd als onderdeel van het gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid. Het is uiteindelijk altijd de mens die bepaalt wat de waarde van iets is, dus ook of iets een intrinsieke waarde heeft.

De gebruikswaarde en de intrinsieke waarde van de natuur maken dat zij actief en passief moet worden beschermd. De voorgestelde doelbepaling, waarin wordt verwezen naar de intrinsieke waarde van de natuur (voorgesteld artikel 1.10, eerste lid), maakt dat duidelijk. De regels in dit wetsvoorstel geven daaraan uitdrukking.

6             Kamerstukken II 2014/15, 33 576, nr. 43. 

  1. De leden van de VVD-fractie hebben met instemming kennisgenomen van het voornemen van de regering om te streven naar brede samenwerking in het natuurbeheer en vragen of deze aanpak, onder verwijzing naar het agrarische natuurbeheer nieuwe stijl, beter is dan de aanpak die bestaat uit verwerving, inrichting en beheer.

Zoals Rijk en provincies hebben afgesproken in het Bestuursakkoord natuur 7 en het Natuurpact8 hebben de provincies een centrale rol bij de uitvoering van na- tuurbeleid en de realisatie van gebiedsgericht beleid. Het is dan ook aan hen om te kiezen met welke aanpak en met welk instrument in hun provincie hieraan invulling wordt gegeven. Samen met de provincies zet ik in op de ontwikkeling van nieuwe instrumenten voor dit beleid waarbij de bescherming van de natuur mét de samenleving centraal staat, in aanvulling op de bestaande instrumenten van verwerving, inrichting en beheer. Een dergelijke verbreding van het instru-

mentarium kan op meer plekken en ook op onverwachte plekken natuur opleve- ren, niet alleen in natuurgebieden, maar ook in de stad, op industrie- en be- drijfsterreinen, op het platteland of langs infrastructuur.

  1. De leden van de VVD-fractie geven aan positief te zijn over de decentralisatie van het natuurbeleid. Wel vragen zij zich af of decentralisatie het risico met zich brengt dat elke provincie eigen beleid ontwikkelt met eigen doelstellingen, voorwaarden en procedure Deze leden vragen hoe is verzekerd dat provincies voldoende samenwerken en onderling coördineren om een dreigende versnippering te voorkomen.

Dat decentralisatie naar provincies kan leiden tot onderlinge verschillen tussen de provincies bij de uitwerking van het natuurbeleid, is evident. Het is immers de bedoeling dat door decentralisatie beter recht wordt gedaan aan regionale omstandigheden en beter wordt aangesloten bij de regionale en lokale opvattingen over de inrichting en het beheer van gebieden voor de onderscheiden functies die daar moeten worden gecombineerd en de wijze waarop de natuurdoelstellingen het beste kunnen worden bereikt. Dat bevordert ook de herkenbaarheid van en het draagvlak voor het beleid bij de burgers en ondernemers van het gebied.

            Het ‘bestuursakkoord natuur’ omvat het op 20 september 2011 tussen het Rijk en de provincies gesloten onderhandelingsakkoord decentralisatie natuur (Kamerstukken II 2011/12, 30 825, nr. 107), het aanvullend akkoord van 7 december 2011 ter verduidelijking van en in aanvulling op het onderhandelingsakkoord (Kamerstukken II 2011/12, 30 825, nr. 143) en de uitvoeringsafspraken van 8 februari 2012 (Kamerstukken II 2011/12, 30 825, nr. 153).

8             Kamerstukken II 2013/14, 33 576, nr. 6.

Tegelijk moet worden bedacht dat de provincies bij de onderwerpen die worden geregeld in het wetsvoorstel, gehouden zijn te handelen in overeenstemming met de internationale kaders voor de gebiedsbescherming en soorten bescherming, zoals deze zijn omgezet in het onderhavige wetsvoorstel. In het Bestuursakkoord natuur en het Natuurpact heb ik hierover goede afspraken gemaakt met de provincies.

Gewezen zij in dit verband op de verlening van Natura 2000-vergunningen en van ontheffingen en vrijstellingen van de verboden ter bescherming van dier- en plantensoorten. Ook schrijft het wetsvoorstel voor dat bij effecten van besluiten voor andere provincies, onderlinge afstemming tussen provincies is vereist. Verder is, wanneer de doelmatigheid of nationale belangen daarmee zijn gediend, de bevoegdheid voor het nemen van besluiten op rijksniveau geregeld, zoals de aanwijzing van Natura 2000-gebieden.

De provincies zijn zich bewust van het belang van samenwerking, onderlinge afstemming, eenduidige kaders en een wijze van uitvoering die in het belang is van de natuur en bovendien voor overheden, burgers en ondernemers zo min mogelijk lasten met zich brengt. Provincies maken hierover zo nodig onderling afspraken.9

            Zie de eerste jaarlijkse voortgangsrapportage van het Natuurpact van het IPO, “Natuur in de provincie. Eén jaar Natuurpact in uitvoering”, blz. 6, oktober 2015, IPO nr. 319.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

  1. De leden van de CDA-fractie vragen of als gevolg van de verwijzing naar de intrinsieke waarde van de natuur in het wetsvoorstel er op voorhand een onevenwichtigheid in de belangenafweging wordt gecreëerd

De intrinsieke waarde van de natuur is één van de beweegredenen voor de regels die bij en krachtens het wetsvoorstel worden gesteld. Uit de doelbepaling van het wetsvoorstel (voorgesteld artikel 1.10, eerste lid) volgt verder dat ook het belang van de natuur voor de mens voor maatschappelijke functies zoals industrie, bedrijvigheid, energie, recreatie, wonen en werken, een beweegreden vormt. In de voorgestelde doelbepaling zijn deze verschillende beweegredenen nevengeschikt. Van een onevenwichtigheid is daarom geen sprake.

Voor sommige onderdelen van de natuurwetgeving voorziet de Europese regelgeving in een specifiek afwegingskader, waarin de bescherming van de natuur vanwege het voorzorgsbeginsel voorop staat en waartegen andere, specifiek genoemde belangen worden afgewogen. Genoemd kunnen worden de vergunningplicht voor projecten met mogelijk significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied (voorgesteld artikel 2.8) en de ontheffingen van de verboden ter bescherming van vogels en andere dieren en planten van Europees belang (voorgestelde artikelen 3.3 en 3.8).

  1. De leden van de CDA-fractie vragen of de voorgestelde verplichting voor jachtaktehouders om zich met anderen te organiseren in een wildbeheereenheid, strijdig is met de vrijheid van vereniging.

De vrijheid van vereniging van artikel 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens omvat de vrijwaring van een gedwongen ongewild lidmaatschap, de zogenoemde negatieve verenigingsvrijheid, aldus jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.10 Artikel 11 van dit verdrag regelt dat de uitoefening van dit recht aan geen andere beperkingen mag worden onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Wettelijke verplichtingen tot aansluiting bij een private vereniging zijn dus onder voorwaarden mogelijk. De voorgestelde aansluitverplichting voor jachtaktehouders voldoet aan deze voorwaarden. Zij heeft een wettelijke basis en is nodig voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Ook ondersteunt zij het voorkomen van strafbare feiten. De inspanningen die jachtaktehouders in een regio verrichten bij de uitoefening van de jacht, de schadebestrijding en het beheer van populaties, hangen immers met elkaar samen en beïnvloeden gezamenlijk de stand van de populaties van dieren in de streek. Daarom is afstemming van deze inspanningen vereist. Afstemming verzekert dat rekening wordt gehouden met de rechten van anderen: die van de grondgebruikers, de jachthouders, het belang van een gunstige staat van instandhouding van de betrokken diersoorten en de belangen die in het geding kunnen zijn ingeval van een overmatige populatie van diersoorten, zoals de verkeersveiligheid, de luchtveiligheid en de bescherming van eigendommen.

Het wetsvoorstel regelt daartoe dat jacht, schadebestrijding en populatiebeheer in het werkgebied van een faunabeheereenheid geschieden overeenkomstig een faunabeheerplan (voorgesteld artikel 3.12, eerste lid). De wildbeheereenheden hebben hierbij tot taak uitvoering te geven aan het faunabeheerplan. Zij verrichten in de praktijk de maatregelen op grond van de provinciale ontheffing voor populatiebeheer en zij bevorderen dat de aangesloten jachtaktehouders de jacht op hun jachtveld uitoefenen en de schadebestrijding ten behoeve van grondgebruikers uitvoeren overeenkomstig het faunabeheerplan en ten dienste van de grondgebruikers (voorgesteld artikel 3.14, eerste lid). De verplichte aansluiting bij wildbeheereenheden is tegen die achtergrond de enige plausibele manier om deze legitieme doelen te verwezenlijken. Deze voorgestelde aansluitingsplicht dient voorts het belang van een goede naleving van de jachtregelgeving, vanwege de sociale controle binnen de vereniging.11

Van belang is verder dat het wetsvoorstel aan provinciale staten de ruimte laat om regels te stellen over de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder de aansluitingsplicht niet van toepassing is (voorgesteld artikel 3.14, tweede lid, onderdeel b). Dat maakt het mogelijk rekening te houden met bijzondere situaties waarin de aansluitingsverplichting geen toegevoegde waarde zou hebben. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel noemt als voorbeeld grote terreinbeherende organisaties waar een samenhangend en verantwoord beheer van de terreinen op voorhand is verzekerd vanwege de aard van de organisatie en de omvang van de terreinen.12

  1. De leden van de CDA-fractie vragen of het voorstel om de uitoefening van de jacht te onderwerpen aan goedkeuring van de overheid, een inbreuk maakt op het eigendomsrecht.

Het recht om zich zoogdieren en vogels toe te eigenen die zich op of in de grond bevinden, is een zakelijk recht dat verbonden is aan het eigendomsrecht ten aanzien van de grond. De uitoefening van dit jachtrecht is van oudsher gebonden aan beperkingen vanwege publieke belangen als natuurbescherming en openbare veiligheid. Een dergelijke beperking moet voldoen aan artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden: zij moet te allen tijde een redelijk evenwicht (“fair balance”) bewaren tussen het nagestreefde algemene belang en de beperking van het eigendomsrecht, de beperking moet noodzakelijk, geschikt en proportioneel zijn en een eventueel onevenredig nadeel dat de eigenaar lijdt moet door het bevoegd gezag worden vergoed.13 Binnen deze randvoorwaarden heeft Nederland, de ruimte om zelf invulling te geven aan het jachtregime. In de 1 huidige Flora- en faunawet is de jacht toegestaan op vijf wildsoorten: konijn, haas, wilde eend, fazant en houtduif.

Net als in de Flora- en faunawet is het de jachthouder op grond van dit wetsvoorstel toegestaan om op zijn jachtveld te jagen op wild van de vijf aangewezen soorten (voorgesteld artikel 3.20, eerste lid). Hij dient datgene te doen wat een goed jachthouder betaamt om een redelijke wildstand in zijn jachtveld te handhaven dan wel te bereiken en om schade door in zijn jachtveld aanwezig wild te voorkomen (voorgesteld artikel 3.20, derde lid).

Een nieuw element in het wetsvoorstel is dat de jachthouder bij het bepalen welke inspanningen nodig zijn om in zijn jachtveld een redelijke wildstand te handhaven of te bereiken, het onderdeel van het door gedeputeerde staten goedgekeurde faunabeheerplan in acht moet nemen, dat betrekking heeft op de uitoefening van de jacht (voorgesteld artikel 3.12, eerste lid). Daarmee is verzekerd dat zijn inspanningen zijn afgestemd op andere inspanningen in de regio, te weten de uitoefening van de jacht op andere jachtvelden, de schadebestrijding door grondeigenaren en het populatiebeheer door faunabeheereenheden. Gegeven de wettelijke verplichting van de jachthouder om een redelijke wildstand te handhaven of te bereiken, zal het faunabeheerplan hem de ruimte moeten geven om aan die verplichting te kunnen voldoen.

10           EHRM 13 augustus 1981, Young, James & Webster v. United Kingdom, 7601/76 en 7806/77, 44 Eur.Ct.H.R. (ser. A) (1981), EHRM 30 juni 1993, Sigurdur A. Sigurjónsson v. IJsland, par. 37, Sorensen en Rasmussen v Denemarken, 52562/99 (EHRM 11 januari 2006 para 54) en Vördur Ólafsson v IJsland (20151/06, 27 april 2010, para 45).

11           Kamerstukken II 2014/15, 33 348, nr. 18, blz. 24.

12         Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3, blz. 166.

13         Zie de jurisprudentie van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM): 20 juni 1989, Serie A, Vol. 169 (Mellcher), 18 februari 1991, Serie A, Vol. 192 (Fre- din); 9 december 1994, Serie A, Vol. 159 (Tre Traktörer); 9 december 1994, Serie A, Vol. 301 (Griekse Kloosters).

  1. De leden van de CDA-fractie vragen waarom het aantal in het wetsvoorstel aangewezen wildsoorten afwijkt van de Europese regelgeving en beperkter is dan het aantal wildsoorten waarop in omringende landen mag worden gejaagd.

De Habitatrichtlijn, het verdrag van Bern 14 en het verdrag van Bonn 15 staan geen jacht toe op de diersoorten die onder de reikwijdte van hun beschermingsregime vallen.16

De Vogelrichtlijn staat de jacht slechts toe op enkele vogelsoorten.17 Voor diersoorten die buiten de reikwijdte van deze richtlijnen en verdragen vallen, is het aan de landen zelf om te bepalen of de jacht op dieren van die soorten al dan niet toe te staan. Hiervoor gelden drie internationale randvoorwaarden.

  • In de eerste plaats mag de jacht op een diersoort geen afbreuk doen aan het streven om de desbetreffende soort binnen zijn natuurlijke leefgebied in een goede staat van instandhouding te krijgen of te behouden en geldt het principe van verstandig gebruik. Dit volgt ten algemene uit het Biodiversiteitsverdrag,18 de verdragen van Bern en Bonn en de genoemde richtlijnen.
  • In de tweede plaats is Nederland gehouden de regels inzake de uitoefening van de jacht van de Benelux19 in acht te nemen.
  • In de derde plaats is de regeling van de jacht een wettelijk geregelde beperking in het algemeen belang – de bescherming van de natuur – van het gebruik van het recht om zich zoogdieren en vogels toe te eigenen die zich op of in de grond bevinden. Een dergelijke beperking moet voldoen aan artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

Binnen deze randvoorwaarden heeft Nederland, net als de andere Europese lidstaten, de ruimte om zelf invulling te geven aan het jachtregime. Duitsland, Denemarken, Vlaanderen en het Verenigd Koninkrijk kennen ten opzichte van Nederland een ruimere wildlijst. Over de wijze waarop Nederland hieraan in de loop der tijd invulling heeft gegeven, kan het volgende worden opgemerkt.

Het jagen op wild is in Nederland sedert de Wet, houdende bepalingen op het Stuk der Jacht en Visscherij,20 aan publiekrechtelijke beperkingen onderhevig geweest. De wetgeving over jacht heeft in de loop der tijd tot doel gekregen te waarborgen dat het jachtrecht verstandig wordt gebruikt. Zo is de jacht alleen toegestaan binnen het jachtseizoen en heeft de jachthouder de verplichting zich als een goed jachthouder te gedragen en voor een redelijke wildstand in zijn veld te zorgen. Ook is hij aansprakelijk voor schade die wordt aangericht door wild in zijn jachtveld. Er waren in de Jachtwet, zoals deze gold totdat de Flora- en faunawet in werking trad in 2002, 46 soorten als bejaagbaar aangewezen, hoewel de jacht niet op al deze soorten werd geopend.

Met de inwerkingtreding van de Flora- en faunawet is het aantal wildsoorten waarop de jachthouder binnen het jachtseizoen mag jagen sterk beperkt, namelijk tot zes soorten: wilde eend, fazant, patrijs, haas, konijn en houtduif; de jacht op de patrijs is nooit geopend.21 Blijkens de nota naar aanleiding van het eindverslag uit 1997 inzake het voorstel van de Flora- en faunawet zijn op de huidige wildlijst alleen soorten opgenomen die mede om reden van benutting worden bejaagd en die bovendien algemeen voorkomen en bejaging verdragen.22

In dit wetsvoorstel wordt de aanwijzing van bejaagbare wildsoorten, met uitzondering van de patrijs, gecontinueerd. Van deze soorten is bekend dat de gunstige staat van instandhouding ervan niet in het geding is en dat benutting door middel van jacht geen gevolgen heeft voor hun staat van instandhouding.

Ten aanzien van andere, niet-bejaagbare soorten in Nederland is het algemene soorten beschermingsregime van verboden op onder meer het vangen en doden van dieren toepassing, gekoppeld aan de mogelijkheid van vrijstellingen of ontheffingen om zo nodig in te grijpen in populatieomvang, via schadebestrijding door grondgebruikers of populatiebeheer door faunabeheereenheden.

14           Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijke leefomgeving, 19 september 1979 (Trb. 1979, 175).

15            Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten, 23 juni 1979 (Trb. 1980, 145 en Trb. 1981, 6).

16           Respectievelijk bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern en bijlage I bij het verdrag van Bonn.

17           Artikel 7 van de Vogelrichtlijn en bijlage II bij die richtlijn.

18           Verdrag inzake biologische diversiteit, Rio de Janeiro, 15 juni 1992 (Trb. 1992, 164).

19           Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming van 10 juni 1970 (Trb. 1970, 155).

20            Stb, 1814, 41.

21           Artikel 32 van de Flora- en faunawet. De jacht op de patrijs is nooit geopend onder de Flora- en faunawet, omdat deze soort wegens zijn slechte staat van instandhouding voorkomt op de Rode Lijst

22            Kamerstukken II 1996/97, 23 147, nr. 12, blz. 12.

Vragen van de leden van de D66-fractie

Handhaving/bevoegdheidsverdeling

  1. De leden van de D66-fractie vragen naar aanleiding van het voornemen van de regering om ten aanzien van de uitoefening van de bevoegdheid tot bestuurlijke handhaving van regels over de omgevingsvergunning voor locatiegebonden activiteiten die gevolgen hebben voor de natuur, te regelen dat in aanvulling op de gemeenten ook gedeputeerde staten en de Minister van Economische Zaken hiertoe de bevoegdheid krijgen, hoe de taken zullen worden verdeeld tussen deze bestuursorganen. Ook vragen deze leden hoe deze verdeling straks zal worden geregeld in het wetsvoorstel houdende de overgang van de natuurwet- geving naar de Omgevingswet.

Gemeenten zijn het bevoegd gezag voor het verlenen van de omgevingsvergunning en hebben dientengevolge tot taak zorg te dragen voor de bestuurlijke handhaving van de regels over de omgevingsvergunning (artikel 5.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). In de nota naar aanleiding van het nader verslag aan de Tweede Kamer 23 heb ik gemeld er be- grip voor te hebben dat het volledig en in één keer beleggen van de verantwoordelijkheid voor toezicht en handhaving ten aanzien van het natuuraspect in de aanvangsfase niet voor elke gemeente werkbaar zal zijn en dat niet elke gemeente zich daar momenteel voor geëquipeerd acht.

Provincies, gemeenten en het Rijk onderzoeken op dit moment praktische oplossingen om gemeenten waar nodig te ondersteunen, zonder afbreuk te doen aan de heldere bevoegdheidsverdeling waarin de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorziet.

23               Kamerstukken II 2014/15, 33 348, nr. 18, blz. 33.

De inhoud van de Wet natuurbescherming en de daarop gebaseerde uitvoerings- regelgeving zal bij inwerkingtreding van de Omgevingswet in die wet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving worden opgenomen. Daartoe zal een ‘aanvullingswetsvoorstel’ in procedure worden gebracht. Het voornemen is om daarbij de inhoud van het wetsvoorstel natuurbescherming, eenmaal wet, en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving, te continueren.

  1. De leden van de D66-fractie vragen of het wetsvoorstel voldoende waarborgen bevat om het Nederlandse natuurbeleid in lijn te brengen met de internationaal rechtelijke eisen ingeval een provincie een Europese of internationale verplichting niet nakomt.

De primaire verantwoordelijkheid voor de borging van rechtsconform handelen ligt bij de provincies zelf. Provinciale staten oefenen controle uit op het handelen van gedeputeerde staten.

Wanneer een provincie niet zou handelen overeenkomstig de wettelijke kaders, heeft het Rijk de bevoegdheid om in te grijpen. Op grond van de Provinciewet kan het Rijk besluiten van een provincie vernietigen of bij verwaarlozing van een taak de uitvoering ervan overnemen (“indeplaatsstelling”). Op grond van de Wet Naleving Europese regelgeving publiekrechtelijke entiteiten kan het Rijk een boete die door een Europese autoriteit aan Nederland wordt opgelegd vanwege een niet-nakoming van een Europese verplichting, verhalen op de desbetreffen- de provincie. Ten aanzien hiervan is in het Bestuursakkoord natuur afgesproken dat het Rijk provincies niet zal aanspreken wanneer de provincies de wettelijke taken overeenkomstig de wettelijke en internationaalrechtelijke kaders uitoefe- nen en – in het licht van de middelen en instrumenten die hen ter beschikking staan – een reële inspanning plegen om bij te dragen aan de realisatie van de doelstellingen van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en van Bonn in hun provincie. Ten aanzien van deze Europese doelstellingen is afgesproken dat het Rijk de provincies alleen zal aanspreken als zij niet hebben voldaan aan de afspraken over een gerichte inzet voor deze doelstellingen van de voor de uitvoering van het akkoord overeengekomen middelen.

Jacht

  1. De leden van de D66-fractie vragen hoe de handhaving van de voorgestelde wijzigingen van de regels over de uitoefening van de jacht en de onderbouwing van het faunabeheerplan wordt georganiseerd en gewaarborgd.

De jachthouder dient, met inachtneming van het onderdeel van het faunabeheerplan met betrekking tot de jacht, te bepalen wat in zijn jachtveld nodig is om een redelijke wildstand te handhaven. Hij is daarvoor wettelijk verplicht zorg te dragen (voorgesteld artikel 3.20, derde lid) en kan daarop worden aangesproken. Dat kan strafrechtelijk, omdat overtreding van deze voorgestelde ver- plichting een economisch delict is (voorgesteld artikel 10.14, onderdeel C, onder 2), bestuursrechtelijk via oplegging van een last onder bestuursdwang of dwangsom door gedeputeerde staten (voorgesteld artikel 7.2) en civielrechtelijk door degene die schade lijdt door het wild dat aanwezig is op het jachtveld van de jachthouder (voorgesteld artikel 3.20, derde lid).

Overtredingen van de voorgestelde verplichting om te handelen overeenkomstig het faunabeheerplan kunnen door gedeputeerde staten bestuurlijk worden gehandhaafd door oplegging van een last onder dwangsom. Datzelfde geldt voor overtreding van de voorgestelde verplichting voor jachtaktehouders om afschotgegevens te overleggen aan faunabeheereenheden (voorgesteld artikel 3.13, eerste lid).

Ingeval een jager in strijd met het voorgestelde artikel 3.14, eerste lid, zich niet heeft aangesloten bij een wildbeheereenheid, voldoet hij niet aan alle vereisten voor het verkrijgen van een jachtakte (voorgesteld artikel 3.28, tweede lid, onderdeel c) en zal een aangevraagde jachtakte door de korpschef moeten worden geweigerd. Ingeval een jager met een jachtakte zich op het moment van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, eenmaal wet, niet heeft aangesloten bij een wildbeheereenheid, kan dit nalaten een reden zijn voor intrekking van de jachtakte door de korpschef (voorgesteld artikel 5.4, eerste lid, onderdeel d).

Ten aanzien van het voorstel om het faunabeheerplan te onderbouwen met trendtellingen (voorgesteld artikel 3.12, vijfde lid) merk ik op dat dit in de eerste plaats aan de faunabeheereenheden zelf is om hieraan invulling te geven. Zo nodig kunnen provinciale staten hierover bij verordening regels stellen (voorge- steld artikel 3.12, negende lid). Mocht de onderbouwing naar het oordeel van gedeputeerde staten tekortschieten, dan kunnen zij weigeren de wettelijke ver- eiste goedkeuring aan het faunabeheerplan (voorgesteld artikel 3.12, zevende lid) te verlenen. Opgemerkt wordt dat waar het gaat om de onderbouwing van het faunabeheerplan ten behoeve van de ontheffingen voor populatiebeheer, het de intentie is dat de huidige praktijk van provincies zal worden voortgezet.

Evaluatie

  1. De leden van de D66-fractie vragen wanneer het wetsvoorstel, eenmaal wet, zal worden geëvalueerd, in het licht van de aangekondigde overgang van de natuurwetgeving naar de Omgevingswet. Ook willen deze leden weten welke elementen in de evaluatie zullen worden betrokken.

Bij het wetgevingsoverleg met de vaste commissie voor Economische Zaken van de Tweede Kamer over het wetsvoorstel natuurbescherming24 heb ik naar aanleiding van de suggestie om het wetsvoorstel, eenmaal wet, te evalueren voorafgaand aan de overgang naar de Omgevingswet, gemeld dat ik een evaluatie van belang vind als zij zinvol is. Dit tegen de achtergrond van het voornemen om het wetsvoorstel dat de overgang van de natuurwetgeving naar de Omgevingswet regelt – de “Aanvullingswet natuur” – in 2016 in procedure zal worden gebracht, opdat de overgang kan plaatsvinden op het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt. In 2016 is er nog geen beeld van de effecten in de praktijk van het wetsvoorstel natuurbescherming, eenmaal wet, aangezien die wet hetzelfde jaar in werking zal treden.

Het is zaak om een onderscheid te maken tussen het voorstel voor de Aanvullingswet natuur en de wijziging van de algemene maatregelen van bestuur op basis van de Omgevingswet in verband met de overgang van de natuurwetgeving naar de omgevingswetgeving. Aangezien de Omgevingswet hoofdzakelijk voorziet in kaders, bevoegdheden en instrumenten ten behoeve van de bescherming en het gebruik van de fysieke leefomgeving, zal het voorstel voor de Aanvullingswet natuur vooral tot doel hebben te verzekeren dat de Omgevingswet een goede basis biedt om straks alle onderdelen van het wetsvoorstel natuurbescherming en van de toekomstige uitvoeringsregelgeving van laatstgenoemd wetsvoorstel, op basis van de Omgevingswet in de algemene maatregelen van bestuur van die wet te regelen. Dat maakt dat het voorstel voor de Aanvullingswet natuur een technisch karakter zal hebben. In het kader van de consultatie van het ontwerp-wetsvoorstel bij stakeholders, koepelorganisaties en deskundigen zal de focus naar verwachting daarom vooral liggen bij de waarde die het instrumentarium biedt voor de bescherming en het gebruik van de natuur. De consultatieronde zal in het voorjaar van 2016 plaatsvinden.

De wijziging van de algemene maatregelen van bestuur op basis van de Omgevingswet in verband met de overgang van de natuurwetgeving naar de omgevingswetgeving (hierna: Aanvullingsbesluit natuur), zal meer inhoudelijk van aard zijn. Het voornemen van het kabinet is om de inhoud van het wetsvoorstel natuurbescherming, eenmaal wet, en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelge- ving, zoveel mogelijk ongewijzigd op te nemen in de algemene maatregelen van bestuur op basis van de Omgevingswet. Het voorstel voor de Aanvullingswet natuur en het Aanvullingsbesluit natuur zullen helderheid bieden over de precieze wijze waarop het specifieke instrumentarium en normenkader worden inge- past in het stelsel van de Omgevingswet.

Het Aanvullingsbesluit natuur zal in 2017 in procedure worden gebracht. Dan zal inmiddels ervaring zijn opgedaan met de toepassing van de Wet natuurbescher- ming en de uitvoeringsregelgeving. In het kader van de consultatie van stakeholders, koepelorganisaties en deskundigen zal de praktijkervaring met de nieuwe natuurwetgeving centraal staan.

24           Kamerstukken II 2014/15, 33 348, nr. 175, blz. 104 en 107.

Opzet

  1. De leden van de D66-fractie vragen waarom ‘opzet’ is opgenomen als bestanddeel in bepaalde voorgestelde verbodsbepalingen. Zij vragen of dit een breuk zal betekenen met de systematiek van overige milieudelicten waarvoor de Wet op de economische delicten blijft gelden.

De Europese en internationale verplichtingen vormen de uitgangspunten van dit wetsvoorstel. De beschermingsregimes ter bescherming van vogels en van dieren en planten van soorten van Europees belang zijn daarom direct overgenomen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zonder aanvullende nationale voorschriften (voorgestelde artikelen 3.1 tot en met 3.9). Deze richtlijnen vereisen alleen een verbod op handelingen zoals het vangen, doden, verstoren van dieren en het plukken van planten wanneer deze opzettelijk plaatsvinden. Voor het voorgestelde regime ter bescherming van dieren en planten van andere soorten (voorgesteld artikel 3.10) zijn met het oog op de eenheid van het wettelijk stelsel eveneens alleen opzettelijke handelingen verboden. Opgemerkt wordt dat onder “opzet” ook het zogenoemde voorwaardelijke opzet wordt begrepen. Bij “voorwaardelijk opzet” verricht iemand een handeling waarbij hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedraging leidt tot overtreding van het verbod op bijvoorbeeld het doden of verstoren van dieren, ook als een kwade intentie bij hem ontbreekt.

Het handelen in strijd met deze voorgestelde verbodsbepalingen is in dit wetsvoorstel aangewezen als economisch delict, via een wijziging van artikel 1a, onder 1° en 2°, van de Wet op de economische delicten (hierna: WED; voorge- steld artikel 10.14). Er is dus geen sprake van een breuk met de systematiek van overige milieudelicten in de WED, zoals de leden van de D66-fractie stellen. Ik merk op dat de WED ten aanzien van economische delicten een onderscheid maakt tussen misdrijven, waarbij sprake is van opzet, en overtredingen, waarbij geen sprake is van opzet (artikel 2, eerste lid, van de WED). Dit is onder meer van belang voor de maximum strafmaat (artikel 6, eerste lid, van de WED). In de systematiek van de WED zijn handelingen die strijdig zijn met de verbodsbe- palingen van de voorgestelde artikelen 3.1 tot en met 3.10, per definitie een misdrijf, aangezien dit wetsvoorstel alleen opzettelijke handelingen strafbaar stelt.

Houtopstanden

  1. De leden van de D66-fractie vragen of lokale overheden een kapverbod op grond van het wetsvoorstel mogen instellen voor fruitbomen, windschermen om boomgaarden, kerstbomenteelt, kweekgoed buiten de bebouwde kom, indien deze bomen in percelen staan van kleiner dan 10 are of als er sprake is van minder dan twintig bomen op een rij.

De stelling van deze leden klopt op een detail na. Uit het voorgestelde artikel 4.6 volgt dat provincies en gemeente niet bevoegd zijn om regels te stellen over de volgende, buiten de bebouwde kom gelegen houtopstanden: fruitbomen, windschermen om boomgaarden, maximaal twintig jaar oude naaldbomen, kennelijk bestemd te dienen als kerstboom, kweekgoed en uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden. Dit met uitzondering van hoogstamfruitbomen en geknotte populieren of wilgen buiten de bebouwde kom, ten aanzien waarvan provincies en gemeenten wel regels mogen stellen. Uit deze voorgestelde bepaling volgt eveneens, dat de voorgestelde inperking van de bevoegdheden van provincies en gemeenten niet geldt wanneer de desbetreffende bomen niet zijn aan te merken als een ‘houtopstand’, gedefinieerd in het voorgestelde artikel 1.1, eerste lid. Wanneer het dus gaat om bomen op een oppervlakte grond van minder dan 10 are of om bomen die onderdeel zijn van een rijbeplanting van twintig bomen of minder – en niet minder dan twintig bomen, zoals de leden van de D66-fractie stellen – gerekend over het totaal aantal rijen, is er geen sprake van een “houtopstand” en staat het provincies en gemeenten vrij om ten aanzien van deze bomen regels te stellen.

  1. De leden van D66 vragen of een provincie in aanvulling op het wetsvoorstel, een meldingsverplichting kan instellen voor het vellen van houtopstanden op een erf of in een tuin.

Op grond van het wetsvoorstel is geen melding vereist van het vellen van een houtopstand op erven of tuinen (voorgesteld artikel 4.1, onderdeel b). Het gaat hier om houtopstanden van beperkte omvang.25 Het voorgestelde artikel 4.6 verzet zich er niet tegen dat een provincie een aanvullende meldingsverplichting invoert.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

  1. De leden van de PVV-fractie vragen wat het doel is van de voorgestelde verplichting van jachtaktehouders om achteraf gegevens te verstrekken over de aantallen dieren die zij hebben gedood. Zij vragen of dit voorstel in strijd is met de Vogelrichtlijn of de Habitatrichtlijn.

De voorgestelde verplichting voor jachtaktehouders om aan de desbetreffende faunabeheereenheid gegevens te verstrekken over de aantallen dieren die zij hebben gedood (voorgesteld artikel 3.13, eerste lid) maakt onderdeel uit van de maatregelen in het wetsvoorstel om een maatschappelijk verantwoorde en transparante uitoefening van de jacht te waarborgen.

Deze voorgestelde verplichting ondersteunt ook de informatievoorziening van Nederland aan de Europese Commissie ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Op grond van artikel 9, derde lid, van de Vogelrichtlijn en artikel 16, tweede lid, van de Habitatrichtlijn dient Nederland respectievelijk jaarlijks en om de twee jaar verslag te doen van de verlening van vrijstellingen en onthef- fingen van de verboden ter bescherming van respectievelijk vogels en dieren van soorten van Europees belang. Wanneer in Nederland op basis van een vrij-

stelling voor schadebestrijding door grondgebruikers of overlastbestrijding door gemeenten of op basis van een ontheffing voor populatiebeheer door faunabe- heereenheden afschot plaatsvindt, kunnen de door de jachtaktehouders ver- strekte gegevens voor de verslaglegging worden gebruikt. Hetzelfde geldt voor het afschot ter uitoefening van de jacht op vogels, ten aanzien waarvan Neder- land op grond van artikel 7, vierde lid, laatste volzin, van de Vogelrichtlijn ver- plicht is om alle nuttige gegevens over de praktische toepassing van de jacht- wetgeving aan de Europese Commissie te overleggen.

  1. De leden van de PVV-fractie vragen welke overwegingen ten grondslag hebben gelegen aan de in het wetsvoorstel opgenomen aanwijzing van de vijf wildsoorten.

Sedert de inwerkingtreding van de Flora- en faunawet zijn er zes wildsoorten aangewezen waarop de jachthouder binnen het jachtseizoen mag jagen: wilde eend, fazant, patrijs, haas, konijn en houtduif; de jacht op de patrijs is evenwel nooit geopend. Blijkens de nota naar aanleiding van het eindverslag uit 1997 inzake het voorstel van de Flora- en faunawet zijn op de huidige wildlijst alleen soorten opgenomen die mede om reden van benutting worden bejaagd en die bovendien algemeen voorkomen en bejaging verdragen.26 In dit wetsvoorstel wordt de aanwijzing van bejaagbare wildsoorten, met uitzondering van de pa- trijs, gecontinueerd. Van deze soorten is bekend dat de gunstige staat van in- standhouding ervan niet in het geding is en dat benutting door middel van jacht geen gevolgen heeft voor hun staat van instandhouding.

25               Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3, blz. 277.

  1. De leden van de PVV-fractie vragen naar de strijdigheid van de voorstellen met betrekking tot de jacht met de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in het bijzonder de vrijheid van vereniging en de be- scherming van het eigendomsrecht.

In mijn antwoorden op de vragen nrs. 9 en 10 heb ik uiteengezet dat de voorge- stelde verplichting van jachtaktehouders om zich aan te sluiten bij wildbeheer- eenheden en de voorgestelde verplichting voor jachthouders om de jacht uit te oefenen overeenkomstig het faunabeheerplan, geen strijdigheid opleveren met de vrijheid van vereniging en de bescherming van het eigendomsrecht.

  1. De leden van de PVV-fractie vragen naar de mogelijkheden om het aantal besluiten dat vatbaar is voor inspraak, bezwaar en beroep te verminderen teneinde de bestuurbaarheid te garanderen en de kosten te beperken. Deze leden vragen hoe omwonenden, grondeigenaren en andere belanghebbenden de mo gelijkheid hebben om besluiten van een faunabeheereenheid vorm te geven of aan te vechten. Zij merken daarbij op dat een faunabeheereenheid geen democratisch gekozen orgaan is.

Gegeven de context van de vraag in het voorlopig verslag ga ik er van uit dat zij betrekking heeft op besluiten die ten aanzien van het faunabeheerplan worden genomen. De mogelijkheid van bezwaar en beroep met betrekking tot deze be- sluiten vloeit voor het Verdrag van Aarhus en is dientengevolge een gegeven. Dat neemt niet weg dat in de praktijk het aantal bezwaren en beroepen tegen besluiten ten aanzien van het faunabeheerplan beheersbaar zal kunnen zijn als gevolg van de in het wetsvoorstel opgenomen maatregelen die waarborgen dat het faunabeheer, de jacht en de schadebestrijding op een transparante en maatschappelijk verantwoorde wijze plaatsvinden. Ik wijs in de eerste plaats op hetvoorstel om maatschappelijke organisaties die een duurzaam beheer van popu- laties tot doel hebben, zitting te laten hebben in de besturen van de faunabe- heereenheden (voorgesteld artikel 3.12, tweede lid). Dat versterkt de professio- nalisering van het faunabeheer en vergroot de transparantie. Dat geeft een ex- tra impuls voor de kwaliteit van de faunabeheerplannen en zal bij sommige betrokkenen de behoefte wegnemen om bezwaar en beroep in te dienen.

26           Kamerstukken II 1996/97, 23 147, nr. 12, blz. 12.

De wijze waarop bezwaar en beroep tegen een faunabeheerplan kan worden ingesteld, hangt af van het onderdeel waarop het bezwaar of het beroep betrek- king heeft. Voor zover het faunabeheerplan betrekking heeft op populatiebeheer, geschiedt toetsing via de ontheffing voor populatiebeheer of de opdracht tot populatiebeheer (voorgesteld artikel 3.17). Het goedkeuringsbesluit is in dat geval te beschouwen als een voorbereidend besluit, waar op grond van artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht geen zelfstandig bezwaar en beroep tegen mogelijk is.27

Voor zover het faunabeheerplan betrekking heeft op de schadebestrijding door grondgebruikers of de uitoefening van de jacht, is het besluit van gedeputeerde staten tot goedkeuring van het faunabeheerplan (voorgesteld artikel 3.12, ze- vende lid) vatbaar voor bezwaar en beroep.

De verlening van de ontheffing voor populatiebeheer en de goedkeuring van het faunabeheerplan geschiedt door gedeputeerde staten. Daarmee zijn deze beslui- ten democratisch gelegitimeerd.

  1. De leden van de PVV-fractie vragen aandacht voor de heroverweging van bepalingen in het wetsvoorstel die kostenverhogend werken voor overheden en beheerde Zij vragen of er mogelijkheden zijn om particuliere grondbezitters meer vrijheid te geven bij het door hen uitgevoerde natuurbeheer.

Eigenaren en beheerders van natuurgebieden vormen een onmisbare schakel in het beheren en beschermen van de natuur. Zij beschikken over deskundigheid en kennis van hun eigen gebied en zij voelen zich als geen ander verantwoorde- lijk voor een goed beheer ervan. Bij dat beheer gaat het veelal om een integrale aanpak ten aanzien van zowel dier- en plantensoorten, habitats en houtopstanden in het gebied als van andere aspecten, zoals de landschappelijke en cultuur- historische waarden van het gebied.

Het wetsvoorstel voorziet in instrumenten die ruimte geven aan deze particuliere initiatieven. Ik wijs op de beheerplannen voor Natura 2000-gebieden. Eigenaren en terreinbeheerders hebben een vooraanstaande rol bij de invulling van de beheermaatregelen in het op te stellen beheerplan. Zij kunnen bij het opstellen

27               ABRS van 28 september 2005, zaaknr. 200502140/1, ro. 2.5 en 2.6. van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied, of voor het deel dat betrek- king heeft op hun terrein hiervoor hun eigen integrale plannen gebruiken.

Ook het instrument van gedragscodes biedt ruimte voor initiatieven in de prak- tijk, waar het gaat om de soortenbeschermingsverboden en de meldings- en herbeplantingsplicht bij het vellen van houtopstanden. Deze gedragscodes wor- den door de betrokken bedrijfstak of beroepsgroep zelf opgesteld.

Wie handelt overeenkomstig een beheerplan, is dientengevolge vrijgesteld van de Natura 2000-vergunningplicht, de soortenbeschermingsverboden en van de regels ter bescherming van houtopstanden (voorgestelde artikelen 2.9, eerste lid, 3.3, zevende lid, onderdeel b en 3.8, zevende lid, onderdeel b). Wie handelt overeenkomstig een goedgekeurde gedragscode is vrijgesteld van de soortenbe- schermingsverboden en van de regels ter bescherming van houtopstanden (voorgestelde artikelen 3.31, eerste lid, en 4.4, eerste lid, onderdeel d). Vanwege de publiekrechtelijke aspecten is een akkoord van de overheid op een beheerplan en een gedragscode onmisbaar. Voor beheerplannen voor Natura 2000-gebieden is publiekrechtelijke goedkeuring door gedeputeerde staten (voorgesteld artikel 2.3) vereist vanwege de Europeesrechtelijke noodzaak om overzicht en samenhang te waarborgen met de beheermaatregelen op de andere terreinen binnen het Natura 2000-gebied en omdat er vrijstelling wordt verleend van voornoemde wettelijke verplichtingen. Gedeputeerde staten toetsen op grond van dit wetsvoorstel aan de wettelijke vereisten. Voor gedragscodes is goedkeuring van de Minister van Economische Zaken vereist, in overleg met de provincies, vanwege de vrijstelling die wordt verleend van de wettelijke verplich- tingen en de toetsing die hiervoor nodig is aan de wettelijke vereisten (voorge- stelde artikelen 3.31, tweede lid, en 4.4, tweede lid).

  1. De leden van de PVV-fractie vragen of is gewaarborgd dat de krachtens dit wetsvoorstel te heffen retributies voor de verlening van vergunningen en onthef- fingen niet hoger zullen zijn dan de kosten die de overheid maakt voor het ver- richten van deze handelingen en hoe wordt voorkomen dat de tarieven in de verschillende regio’s verschillen.

Voor de door de Minister van Economische Zaken krachtens dit wetsvoorstel te verlenen vergunningen en andere beschikkingen, alsmede voor de door de korpschef te verlenen jachtakte, kunnen op grond van het voorgestelde artikel 6.2 overeenkomstig het door de minister vastgestelde tarief vergoedingen van kosten worden gevraagd. Ten aanzien van de hoogte van dit vast te stellen ta- rief geldt dat de bijdrage redelijk moet zijn, gebaseerd op de werkelijke kosten.

Dit volgt uit het kabinetsstandpunt naar aanleiding van het rapport “Maat houden 2014”.28

Provincies kunnen eveneens retributies in rekening brengen voor de behandeling van aanvragen van vergunningen en ontheffingen krachtens dit wetsvoorstel, en gemeenten voor de behandeling van aanvragen van omgevingsvergunningen voor locatiegebonden activiteiten met gevolgen voor de natuur. Het valt binnen de gemeentelijke en provinciale autonomie om zelf tarieven vast te stellen voor retributies of leges in relatie tot de kosten die ze voor de dienstverlening maken. Daarbij is belangrijk om op te merken dat de kosten per gemeente en provincie kunnen verschillen door lokale en regionale omstandigheden, zoals bijvoorbeeld huisvestingkosten en personeelskosten, maar ook verschillen in lokale natuur- omstandigheden. Hoewel decentrale overheden vrij zijn om de tarieven te bepa- len, geldt er wel de wettelijke beperking van kostendekkendheid, zoals vastge- legd in artikel 225 van de Provinciewet en artikel 229b van de Gemeentewet. Dit houdt in dat de opbrengst van de retributies niet de kosten mogen overstijgen op het niveau van de legesverordening.

  1. De leden van de PVV-fractie vragen hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot het voorstel voor de Omgevingswet en waarom dit wetsvoorstel geen onderdeel daarvan uitmaakt.

Het wetsvoorstel natuurbescherming regelt de met de provincies in het Be- stuursakkoord natuur en het Natuurpact overeengekomen decentralisatie van bevoegdheden. Het vereenvoudigt en verbetert bovendien de natuurwetgeving, waarmee het voorziet in een maatschappelijke behoefte, zoals is gebleken uit de evaluatie van de natuurwetgeving uit 2008.29 Het is daarom zaak dat dit wets- voorstel, eenmaal wet, zo spoedig mogelijk in werking treedt, vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet in 2018. Rijk en provincies gaan op dit mo- ment uit van invoering van het wetsvoorstel natuurbescherming, eenmaal wet, op 1 juli 2016.

Het wetsvoorstel natuurbescherming voorziet in bijzondere beschermingsregels. Deze regels zijn noodzakelijk om een landelijk eenduidig kader te bieden waar- mee de specifieke internationale verplichtingen op het vlak van het behoud van de biologische diversiteit op adequate wijze in wetgeving worden omgezet en een goede wettelijke bescherming wordt geboden voor kwetsbare habitattypen en leefgebieden van internationaal belang en voor kwetsbare soorten, ongeacht de precieze locatie waar deze zich bevinden. Bij de internationale verplichtingen gaat het in het bijzonder om de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, de Verdragen van Bern en van Bonn, het Biodiversiteitsverdrag en het CITES-verdrag. Het verze- keren van een goede omzetting van internationale verplichtingen door het bie- den van een daarop toegesneden wettelijk kader is een rijksverantwoordelijk- heid. In aansluiting op de geldende Boswet is er voor gekozen om ook de be- scherming van houtopstanden op eenduidige wijze, landelijk vorm te geven en alleen de uitvoering daarvan te decentraliseren; dit in het licht van de goede werking van de huidige, specifieke regels op dit vlak en het brede draagvlak voor continuering van deze regels. Voor de jacht is een specifiek, landelijk wer- kend wettelijk kader onontbeerlijk, gegeven het raakvlak met de soortenbe- scherming, de specifieke afspraken in Benelux-verband en het gebruik van het geweer.

Aangezien de natuurwetgeving onderdeel uitmaakt van het omgevingsrecht, is in het wetsvoorstel natuurbescherming voorzien in een optimale aansluiting op het huidige omgevingsrecht. Zo kunnen de nationale en provinciale natuurvisies, of onderdelen daarvan, deel uitmaken van andere nationale, onderscheidenlijk provinciale visies (voorgestelde artikelen 1.5, zesde lid, en 1.7, vierde lid). Be- heerplannen voor Natura 2000-gebieden kunnen onderdeel zijn van een ander plan of programma dat geheel of mede betrekking heeft op de inrichting, het beheer of het gebruik van dat gebied (voorgesteld artikel 2.3, vijfde lid). Verder wordt voorgesteld dat voor locatiegebonden activiteiten met schadelijke gevol- gen voor een Natura 2000-gebied of voor dieren of planten van een beschermde soort, de vereiste natuurtoets plaatsvindt bij de verlening van de omgevingsver- gunning, zodat er geen separate Natura 2000-vergunningen of flora- en fauna- ontheffing nodig is (voorgesteld artikel 10.8, dat voorziet in een wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht).

28           Kamerstukken II 2013/14, 24 036 nr. 407.

29           “Over wetten van de natuur, Evaluatie van de natuurwetgeving: bevindingen en beleidsconclusies “, Kamerstukken II 2007/08, 31 536, nr. 1.

Het wetsvoorstel is voorts afgestemd op de uitgangspunten van het voorstel voor de Omgevingswet. De voorgestelde begrippen en procedurevoorschriften van het wetsvoorstel natuurbescherming sluiten aan op die van het voorstel voor de Omgevingswet. De nationale en provinciale natuurvisies maken op grond van het voorstel voor de Omgevingswet onderdeel uit van de nationale en provinciale omgevingsvisies. De verplichting tot het vaststellen van een beheerplan voor Natura 2000-gebieden wordt geregeld in dat wetsvoorstel en de regels over de inhoud ervan zullen bij algemene maatregel van bestuur krachtens dat wets- voorstel worden vastgesteld. Voor omgevingsactiviteiten regelt het voorstel voor de Omgevingswet dat de vereiste natuurtoetsen plaatsvinden bij de verlening van de omgevingsvergunning. De algemene regels over de vaststelling van programma’s met een programmatische aanpak komen in beide wetsvoorstellen eveneens overeen.

  1. De leden van de PVV-fractie vragen of zich een loyaliteitsconflict bij jachtopzichters kan voordoen omdat zij zorgdragen voor de jachtbelangen van de jacht- houder en zij zijn belast met de opsporing van strafbare feiten in hun hoedanigheid van buitengewoon opsporingsambtenaar.

De jachtopzichter heeft een dubbele taak: hij verzorgt het jachtveld van een jachthouder en is tevens buitengewoon opsporingsambtenaar. Ik zie hier geen mogelijke loyaliteitsconflicten. Het beschermen van de belangen van de jacht- houder door de jachtopzichter ziet vooral op het toezicht houden op het jachtbe- drijf om excessen te signaleren en daartegen zo nodig op te treden – waarmee de belangen van de weidelijke jacht worden beschermd – en de opsporing van stroperij. Dit laatste is ook ter bescherming van de jachtbelangen, omdat de stroperij een bedreiging vormt voor het behoud van een redelijke wildstand en de maatschappelijke acceptatie van de jacht in gevaar brengt. De inzet van de jachtopzichter is voorts niet alleen van belang voor de jachthouder, maar ook van essentieel belang voor handhaving en toezicht in de landelijke natuurgebieden en daarmee voor orde, veiligheid en natuurbehoud aldaar. Voorzien is in een opleidings- en bijscholingstraject, waarmee wordt verzekerd dat de buitengewo- ne opsporingsambtenaren op professionele, onafhankelijke wijze handelen.30

Elke buitengewone opsporingsambtenaar staat bovendien onder toezicht van een hoofdofficier van justitie en de korpschef.31

  1. De leden van de PVV-fractie vragen waarom het wetsvoorstel niet regelt dat aan personen die de wet hebben overtreden, geen gebruik meer mogen maken van ontheffingen, vrijstellingen of aanwijzingen.

Het voorgestelde artikel 5.4, derde lid, regelt dat bij overtredingen van dit wets- voorstel, eenmaal wet, en bij overtredingen van regels ter bescherming van het welzijn van dieren, verleende ontheffingen, jachtaktes en valkeniersaktes kun- nen worden ingetrokken door de Minister van Economische Zaken en, waar het gaat om jachtaktes, door de korpschef. Een aanvraag van een jachtakte of een valkeniersakte dient om deze reden geweigerd te worden (voorgestelde artikelen 3.28, derde lid, onderdeel d, en 3.30, tweede lid).

  1. De leden van de PVV-fractie vragen of provincies vrij zijn het faunabeheer door anderen dan wildbeheereenheden te laten uitvoeren.

30           Kamerstukken II 2014/15, 28 684, nr. 422.

31           Artikelen 36 en 38 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar.

De hoofdregel is dat een faunabeheereenheid het faunabeheer uitvoert. Gedepu- teerde staten verlenen daartoe een ontheffing aan de faunabeheereenheid (voorgesteld artikel 3.17, tweede lid). Op grond van het voorgestelde artikel 3.17, vierde lid, kunnen gedeputeerde staten evenwel aan wildbeheereenheden of aan anderen ontheffing verlenen voor faunabeheer, indien de noodzaak ont- breekt voor verrichting van de handelingen door tussenkomst van een faunabe- heereenheid. Op grond van het vijfde lid van dit voorgestelde artikel kunnen gedeputeerde staten ontheffing voor faunabeheer verlenen anders dan op basis van een goedgekeurd faunabeheerplan, indien de noodzaak ontbreekt voor een faunabeheerplan vanwege de specifieke kenmerken van de desbetreffende dier- soort of de aard en de omvang van de te verrichten handelingen. Deze voorzie- ning stelt het bevoegde gezag in staat tot flexibiliteit in situaties dat in zijn oor- deel de noodzaak voor tussenkomst van een faunabeheereenheid of een fauna- beheerplan ontbreekt, bijvoorbeeld in onvoorziene situaties waarin haast gebo- den is, als een langjarige planmatige aanpak niet nodig is of als er geen fauna- beheereenheid in het betreffende gebied actief is.32

  1. De leden van de PVV-fractie vragen hoe provincies worden gestimuleerd om bij het verlenen van vrijstellingen van de soortenbeschermingsverboden gebruik te maken van de meest diervriendelijke middelen.

In het voorgestelde artikel 3.25, derde lid, is geregeld dat bij het verlenen van vrijstellingen of ontheffingen van de soortenbeschermingsverboden alleen mid- delen mogen worden toegestaan die de nadelige gevolgen voor het welzijn van vogels en dieren voorkomen of, wanneer dat niet mogelijk is, deze zoveel moge- lijk beperken, waarbij het doden van dieren zoveel mogelijk wordt vermeden.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

  1. De leden van de SP-fractie vragen of de regels over de jacht thuishoren in dit wetsvoorstel.

De jacht is één van de onderwerpen waarin de bescherming van de natuur en het gebruik van de natuur samenkomen en hoort dus thuis in de natuurwetgeving.

32           Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3, blz. 169 en 268.

  1. De leden van de SP-fractie stellen dat een afgevaardigde van de dierenorganisaties zitting zal nemen in het bestuur van de faunabeheereenheid en vragen wat de invloed van deze afgevaardigde zal zijn.

Het wetsvoorstel regelt dat in het bestuur van een faunabeheereenheid in elk geval maatschappelijke organisaties die een duurzaam beheer van populaties tot doel hebben, zitting kunnen hebben (voorgesteld artikel 3.12, tweede lid). Het kan heel goed zo zijn dit bijvoorbeeld een dierenorganisatie is, maar ook andere organisaties zijn mogelijk.

De afgevaardigden van deze maatschappelijke organisaties hebben een stem in het bestuur en kunnen deelnemen aan de beraadslagingen.

  1. De leden van de SP-fractie vragen of een faunabeheerplan vooraf aangeeft wat er moet gebeuren in het gebied van de faunabeheereenheid aan afschot. Deze leden vragen hoe achteraf zal worden gecontroleerd of is gehandeld overeenkomstig het afschotplan en wat er gebeurt als blijkt dat er fouten zijn gemaakt.

Het wetsvoorstel regelt dat het faunabeheerplan voor het werkgebied van de faunabeheereenheid voorziet in een samenhangende aanpak van populatiebe- heer door faunabeheereenheden, de uitoefening van de jacht op jachtvelden en de schadebestrijding door grondgebruikers. Bij het opstellen van het faunabe- heerplan worden de inspanningen op elkaar afgestemd, onder regie van een bestuur waarin niet alleen jachthouders maar ook maatschappelijke organisaties vertegenwoordigd zijn. Dat versterkt een transparante aanpak. Bij het opstellen van het faunabeheerplan wordt gebruik gemaakt van de verplicht door jagers te overleggen afschotgegevens (zie voorgesteld artikel 3.14, eerste lid) en door eenieder vrijwillig te verstrekken schattingen, trends en – waar redelijkerwijs mogelijk – tellingen. De faunabeheerplannen en de daaraan ten grondslag lig- gende gegevens, zijn openbaar (voorgesteld artikel 3.12, zesde lid).

Voor populatiebeheer fungeert het faunabeheerplan, net als nu in de Flora- en faunawet, als basis voor ontheffingverlening door provincies. Dat onderdeel van het faunabeheerplan bevat daartoe gegevens over afschot, trends, schattingen en waar mogelijk tellingen.

Voor de jachthouder geldt dat deze met inachtneming van het onderdeel van het faunabeheerplan met betrekking tot de jacht, moet bepalen wat in zijn jachtveld nodig is om een redelijke wildstand te handhaven. Hij is daarvoor wettelijk verplicht zorg te dragen (voorgesteld artikel 3.20, derde lid) en kan daarop worden aangesproken: strafrechtelijk, bestuursrechtelijk en civielrechtelijk.

De grondgebruiker dient voor de schadebestrijding te handelen met inachtne- ming van het onderdeel van het faunabeheerplan met betrekking tot schadebe- strijding. Wanneer de grondgebruiker zich niet houdt aan de voorwaarden van de vrijstelling voor schadebestrijding, kan deze daarop strafrechtelijk of be- stuursrechtelijk worden aangesproken.

Mocht uit de door de jachtaktehouder te overleggen afschotgegevens (voorge- steld artikel 3.13, eerste lid) blijken dat een jachthouder of een grondgebruiker niet handelt overeenkomstig het faunabeheerplan, of dat dit dreigt te gebeuren, dan kunnen provincies in het kader van bestuurlijke handhaving de jachthouder of grondgebruiker hierop aanspreken door de oplegging van een last onder dwangsom.

  1. De leden van de SP-fractie vragen waarom het wetsvoorstel de jachthouder zelf laat bepalen wat een redelijke wildstand is op zijn jachtveld.

De jachthouder kent als geen ander zijn jachtveld en kan daarom inschatten wat er, gegeven de aanwezige populaties van dieren in zijn veld, nodig is aan afschot om een redelijke wildstand te handhaven, zodat er geen negatief effect op na- tuurwaarden is en dat jacht duurzaam is. Dat is in het eigen belang van de jachthouder, omdat bij overmatig afschot het voortbestaan van de wildpopula- ties in zijn veld in gevaar komt en omdat hij bij te weinig afschot aansprakelijk is voor de schade die het wild in zijn jachtveld bij andere aanricht.

De in dit wetsvoorstel opgenomen verplichting om bij de uitoefening van de jacht overeenkomstig het faunabeheerplan te handelen, waarborgt dat de jacht- inspanningen van de jachthouder op zijn jachtveld zijn afgestemd op andere inspanningen in het werkgebied van de eenheid, te weten de uitoefening van de jacht op andere jachtvelden, het populatiebeheer en de schadebestrijding door grondgebruikers.

  1. De leden van de SP-fractie vragen of de decentralisatie van bevoegdheden aan andere overheden voor deze overheden draagbaar is.

Over de financiering van de decentralisatie van bevoegdheden naar provincies hebben Rijk en provincies afspraken gemaakt in het Bestuursakkoord natuur en in het Natuurpact.

Voor gemeenten geldt dat het zaak is dat zij als loket voor de aanvraag van omgevingsvergunningen voor locatiegebonden activiteiten met gevolgen voor een Natura 2000-gebied of voor flora of fauna, en als bevoegd gezag voor de bestuurlijke handhaving, inhoudelijk in staat zijn om hun taken goed te kunnen uitvoeren. Met het oog daarop heb ik instrumenten ontwikkeld die gemeenten ondersteunen bij het behandelen van aanvragen van omgevingsvergunningen. Voor de bestuurlijke handhaving van de omgevingsvergunning verwijs ik naar mijn antwoord op vraag nr. 12.

Vragen en opmerkingen van de PvdA-fractie

  1. De leden van de PvdA-fractie vragen hoe afstemming heeft plaatsgevonden met provincies over de samenstelling van het bestuur van faunabeheereenheden en de eisen aan de typen maatschappelijke organisaties die zitting zullen hebben in het bestuur. Zij vragen of het de bedoeling is dat de inrichting van het bestuur wordt geregeld bij provinciale verordening.

Op grond van het wetsvoorstel dienen in het bestuur van een faunabeheereen- heid, naast vertegenwoordigers van de jachthouders in het betreffende werkge- bied, ook vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties in de regio waartoe het werkgebied van de faunabeheereenheid behoort, zitting te hebben (voorgesteld artikel 3.12, tweede lid). Het is in eerste instanties aan de faunabeheereenheden zelf om hieraan invulling te geven. Zo nodig kunnen provinciale staten bij veror- dening hierover nadere regels stellen (voorgesteld artikel 3.12, negende lid, onderdeel d). Provincies hebben hier de ruimte om zelf af te wegen of zij al dan niet van die bevoegdheid gebruik maken.

  1. De leden van de PvdA-fractie vragen of er met de provincies afspraken zijn gemaakt over de opzet van de monitoringssystematiek.

Op grond van het voorgestelde artikel 1.12, vierde lid, dienen Rijk en provincies gezamenlijk op adequate wijze de geleverde inspanning voor het behalen van de doelstellingen van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn te monitoren. Provin- cies en Rijk hebben in het Bestuursakkoord natuur afspraken gemaakt over de informatievoorziening ten behoeve van de rapportages, waarmee de voortgang van de inspanningen zichtbaar worden gemaakt. Voorbeelden van deze rappor- tages zijn de rapportages aan de Europese Commissie ter voldoening aan de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn, de Voortgangsrapportage Natuurpact, de Evaluatie Natuurpact en de input voor de Balans van de Leefomgeving.

De benodigde informatie kan grotendeels worden verkregen uit de resultaten van het Netwerk Ecologische Monitoring. Voor dit netwerk worden langjarig en steekproefsgewijs dieren en planten van een groot aantal soorten gevolgd door de particuliere gegevensverzamelende organisaties, terreinbeherende organisa- ties, terreinbeheerders en vrijwilligers. Deze basisinformatie wordt centraal op- geslagen en toegankelijk gemaakt, zodat deze door diverse partijen en voor diverse doeleinden kan worden gebruikt. Met name de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is daarvoor een aangewezen platform.

Op dit moment voert Alterra een meerjarig onderzoek uit naar de mogelijkheden van optimalisering van de monitoring. In dat kader is het eerste rapport “Naar een samenhangend monitoring- en beoordelingssysteem voor het natuurbeleid : Deel I. Evaluatie van de bruikbaarheid van gegevens van de Werkwijze Monito- ring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS voor de Europese rap- portages”33 opgeleverd. Provincies werken nu, mede op basis van dit Alterra- rapport, aan de invulling van de afspraken tussen Rijk en provincies over moni- toring. Hiermee wordt op efficiënte wijze invulling gegeven aan een samenhan- gend monitoringsysteem.

  1. De leden van de PvdA-fractie vragen naar een conflictoplossende voorziening voor het geval als er geen faunabeheerplan wordt vastgesteld. Zij vragen of belanghebbenden dan beroep bij de rechter kunnen instellen.

Provincies hebben belang bij een duurzaam, goed onderbouwd populatiebeheer. Ik vertrouw er dus op dat zij alles in het werk zullen stellen om dergelijke situa- ties te voorkomen en eventuele impasses in de besluitvorming te doorbreken. Aangezien een faunabeheereenheid geen bestuursrechtelijk orgaan is, is tegen het uitblijven van de vaststelling van een faunabeheerplan geen bezwaar en beroep mogelijk. Een belanghebbende zou, wanneer de gang van zaken bij de besluitvorming van een faunabeheer voor hem een onrechtmatige daad zou op- leveren, de faunabeheereenheid civielrechtelijk kunnen aanspreken.

In het onverhoopte geval dat een faunabeheereenheid geen faunabeheerplan zou vaststellen, is het niet mogelijk om populaties te beheren, schadeveroorza- kende dieren te bestrijden en de jacht uit te oefenen overeenkomstig het fauna- beheerplan.

Voor het populatiebeheer zou dit betekenen dat gedeputeerde staten aan fauna- beheereenheden, wildbeheereenheden, personen of andere samenwerkingsverbanden, opdracht kan verlenen om handelingen te verrichten om de omvang van de stand van een populatie te beperken. Het voorgestelde artikel 3.18 voorziet in de bevoegdheid daartoe.

33           Schmidt, A.M., R.J. Bijlsma, L. Soldaat, C.A.M. van Turnhout, C.A.M. van Swaay, D.Zoetebier en I. Woltjer, 2015. Naar een samenhangend monitoring- en beoorde- lingssysteem voor het natuurbeleid; Deel I. Evaluatie van de bruikbaarheid van ge- gevens van de Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS voor de Europese rapportages. Wageningen, Alterra Wageningen UR (University & Research centre), Alterra-rapport 2645.

Voor de uitoefening van de jacht door de jachthouder en de schadebestrijding door grondgebruikers blijven in deze situatie de overige voorgestelde regels van toepassing. De jachthouder dient op zijn jachtveld een redelijke wildstand te handhaven of te bereiken (voorgesteld artikel 3.20, derde lid). Grondgebruikers dienen overeenkomstig de wettelijke eisen en de vrijstellingsvoorwaarden voor schadebestrijding te handelen (voorgesteld artikel 3.15, vijfde en zesde lid).

  1. De leden van de PvdA-fractie vragen aan welke formele gronden het faunabeheerplan moet voldoen om de mogelijkheid te scheppen de vijf wildsoorten te bejagen.

Het wetsvoorstel laat de invulling van het faunabeheerplan, waar het gaat om het onderdeel dat betrekking heeft op de uitoefening van de jacht, in eerste instantie over aan de faunabeheereenheid zelf. De enige maatstaf die uit het wetsvoorstel volgt, is dat het faunabeheerplan de jachthouder de ruimte moet bieden om invulling te geven aan diens verplichting om een redelijke wildstand op zijn jachtveld te handhaven of te bereiken (voorgesteld artikel 3.20, vierde lid). Provinciale staten hebben de facultatieve bevoegdheid om bij verordening regels terzake te stellen (voorgesteld artikel 3.12, negende lid).

  1. De leden van de PvdA-fractie vragen naar de procedurele termijnen en de sancties ingeval provincies nalatig zijn, in het bijzonder bij de opzet en invulling van de monitoring van de soortenbescherming.

Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag nr. 13, waarin ik ben ingegaan op de instrumenten van interbestuurlijk toezicht op grond van de Provinciewet en de Wet naleving Europese regelgeving publiekrechtelijke entiteiten en op de afspra- ken hierover tussen Rijk en provincies in het Bestuursakkoord natuur.

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie

  1. De leden van de GroenLinks-fractie vragen naar aanleiding van het begrip “robuuste natuur” die middenin de samenleving staat en tegen een stootje kan, of er ook niet natuur is die robuust is omdat zij wordt beschermd tegen gebruik door de samenleving.

De natuur kent vele verschijningsvormen. Er zijn planten, dieren en habitattypes die zo kwetsbaar zijn dat zij alleen goed kunnen gedijen in een omgeving waar de mens hen zoveel mogelijk met rust laat. Ook zij moeten worden beschermd. Wat ik in mijn natuurvisie “Natuurlijk verder” heb willen aangeven, is dat er ook planten, dieren en habitattypen zijn die kunnen floreren wanneer zij midden in de samenleving staan. Waar dat kan is het zaak uit te gaan van een goede maatschappelijke inbedding in plaats van afscherming.

Dat geldt bijvoorbeeld voor natuur in de stad, waarbij het stedelijk groen baat heeft bij benutting en bescherming door de bewoners. Ook geldt dit voor gebie- den waar de natuur tevens de functie van waterwingebied vervult, zoals in veel duingebieden.

  1. De leden van de GroenLinks-fractie vragen of een lagere beheerslast een zelfstandig doel is van het natuurbeleid en de natuurwetgeving.

De ambitie van het natuurbeleid en het doel van de natuurwetgeving is om de natuur en de maatschappij, ecologie en economie, met elkaar te verbinden en zo mogelijk elkaar laten versterken. De bescherming van de natuur moet adequaat zijn en waar het mogelijk is om door een andere aanpak een zelfde adequaat beschermingsniveau te bieden dat minder kost, spreekt het voor zich dat die kans wordt gepakt.

  1. De leden van de GroenLinks-fractie vragen waarom het begrip “intrinsieke waarde van de natuur” niet wordt uitgewerkt. Zij vragen of daarmee reële te- genstellingen tussen natuur en maatschappelijke functies worden gemaskeerd, terwijl transparante afgewogen beoordelingen en keuzes wenselijk zijn.

De in het wetsvoorstel opgenomen doelbepaling (voorgesteld artikel 1.10, eerste lid) brengt tot uitdrukking waarom dit wetsvoorstel de natuur beschermt: van- wege de intrinsieke waarde en vanwege de gebruikswaarde voor de mens zoals bijvoorbeeld zuurstofproductie, waterzuivering, bodemvruchtbaarheid, klimaat- buffering, houtproductie.

Binnen de randvoorwaarden van de Europeesrechtelijke en internationale ver- plichtingen, voorziet het wetsvoorstel, als uitwerking van de intrinsieke waarde in verbinding met de andere beweegredenen ter bescherming van de natuur, in voorschriften ter bescherming van de natuur. Genoemd kunnen worden de voor- gestelde zorgplicht, het beschermingsregime van Natura 2000-gebieden (aan- wijzing, beheerplan, vergunningplicht, aanschrijvingsbevoegdheid, gebiedsbe- perkingen), het beschermingsregime van vogels, dieren en planten (diverse verboden) en het beschermingsregime van houtopstanden (herbeplantingsver- plichting). De verwijzing naar de intrinsieke waarde biedt geen zelfstandige grondslag voor het stellen van regels. Tegen die achtergrond is een nadere uit- werking van het begrip “intrinsieke waarde” niet nodig.

In de toepassing van de voorschriften van dit wetsvoorstel in de praktijk zijn de nodige afwegingen transparant, bijvoorbeeld: mag een project dat een Natura 2000-gebied aantast, toch doorgang vinden vanwege het belang van menselijke gezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van openbaar belang (voorgesteld artikel 2.8, vijfde lid), mag een handeling die schadelijk is voor vogels toch worden toegestaan vanwege het belang van bijvoorbeeld de veiligheid van het luchtverkeer (voorgesteld artikel 3.3, vierde lid) en mag een handeling die schadelijk is voor een soort die op grond van nationaal beleid wordt beschermd, toch worden toegestaan met het oog op ruimtelijke inrichting of ontwikkeling (voorgesteld artikel 3.10).

  1. De leden van de GroenLinks-fractie vragen waarom in het wetsvoorstel geen bevoegdheid van het Rijk is opgenomen om provincies aanwijzingen te geven ingeval de nakoming van Europeesrechtelijke verplichtingen in het geding is

In het onverhoopte geval dat een provincie in strijd zou handelen met een inter- nationale verplichting, kan ik op basis van de Provinciewet en de Wet Naleving Europese regelgeving publiekrechtelijke entiteiten de nodige maatregelen ne- men. Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag nr. 13. Ik heb de Tweede Kamer toegezegd dat ik, hoewel ik niet verwacht dat dit nodig zal zijn, deze instrumen- ten zal inzetten mocht de situatie daar om vragen, wanneer goed overleg geen resultaat zou hebben opgeleverd.34

  1. De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe provincies gezamenlijk een robuust, niet versnipperd, natuurnetwerk Nederland zullen realiseren en wan- neer dit netwerk gereed zal zijn. Deze leden vragen of een aanwijzingsbevoegd- heid van het Rijk een goede aanvulling zou zijn.

In het Natuurpact hebben Rijk en provincies afspraken gemaakt over de realisa- tie van het natuurnetwerk Nederland, inclusief verbindingen. De realisatietermijn is 2027. In deze periode werken de provincies aan de realisatie van dit netwerk. De driejaarlijkse evaluaties van het Planbureau voor de Leefomgeving geven inzicht in de voortgang en in verbetermogelijkheden. Dat maakt tussentijdse verbeteringen in de aanpak en onderlinge afstemming tussen provincies mogelijk. Ik ben ervan overtuigd dat de provincies gezamenlijk in staat zijn om tot een robuust natuurnetwerk te komen. Zij willen graag een succes maken van de hen toevertrouwde verantwoordelijkheid voor het natuurbeleid. Ik wijs in dit verband op de aangehaalde eerste voortgangsrapportage van het Natuurpact van het IPO, waaruit blijkt dat de provincies ruim op schema liggen met de in- richting van het natuurnetwerk. Provincies hebben in de jaren 2011 tot en met 2014 meer dan 25.000 hectare grond ingericht voor natuur. Dat is bijna een derde van de totale 80.000 ha die volgens het Natuurpact in 2027 ingericht moet zijn. Daarnaast is ruim 11.000 ha grond verworven door de twaalf provincies. Een extra aanwijzingsbevoegdheid, zoals door de leden van de GroenLinks- fractie voorgesteld, acht ik niet nodig.

34           Kamerstukken II 2014/15, 33 348, nr. 171, blz. 3.

  1. De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe de provincies de bescher- ming van landschappen gaan uitvoeren. Zij vragen of het wenselijk is dat pro- vincies verplicht worden hiervoor beleid te voeren.

Het voorgestelde artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, laat provincies de ruimte om beleid vast te stellen over de bescherming van landschappen. Dit overeenkomstig de Structuurvisie infrastructuur en ruimte35 en de afspraken in het Bestuursakkoord natuur. Hiermee wordt recht gedaan aan de eigenstandige afwegingen die provincies ten aanzien van de bescherming van dergelijke gebieden hebben te maken ook de keuze om geen beleid vast te stellen.

  1. De leden van de GroenLinks-fractie betreuren het voorstel om de gebiedsca- tegorie van “beschermde natuurmonumenten” niet langer te beschermen en vragen de regering om dit te herstellen.

Een apart regime voor de “beschermde natuurmonumenten” in dit wetsvoorstel is niet nodig omdat die gebieden met de inzet van andere instrumenten een adequate bescherming wordt of kan worden geboden.

Zo worden deze gebieden planologisch beschermd, aangezien zij grotendeels (98%) zijn gelegen in het natuurnetwerk Nederland: van de 64 gebieden (3.422 hectare) liggen er 56 geheel binnen het natuurnetwerk Nederland (3.326 hectare) en 4 gedeeltelijk binnen dit netwerk (37,3 hectare), aldus het Alterra-rapport “Beschermde natuurmonumenten. Stand van zaken 2010 en toekomstige bescherming”.36 In het kader van de planologische bescherming worden deze ge- bieden, als onderdeel van het natuurnetwerk Nederland, als volgt beschermd. Het krachtens de Wet ruimtelijke ordening vastgestelde Besluit algemene regels ruimtelijke ordening draagt provinciale staten op om de betrokken gebieden in een verordening aan te wijzen en te begrenzen en om de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden aan te wijzen. Tevens moeten provinciale staten bij verordening regels stellen om te verzekeren dat in gemeentelijke bestemmings- plannen en omgevingsvergunningen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geen activiteiten worden toegestaan die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden of van de samenhang tussen die gebieden. Provincies en gemeenten kunnen verdergaande eisen stellen. Op activiteiten die buiten het natuurnetwerk Nederland plaatsvin- den en schadelijk zijn voor de natuurwaarden in gebieden van dit netwerk, is het regime van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening niet van toepassing. Niettemin kan planologische bescherming door provincies of gemeenten hier eveneens uitkomst bieden. Dit door in aangrenzende gebieden eveneens voorwaarden te stellen aan de bestemming.

Natuurwaarden in de huidige beschermde natuurmonumenten worden in aanvulling op het bovenstaande ook beschermd door de regels ter bescherming van dier- en plantensoorten (hoofdstuk 3 van dit wetsvoorstel) en van houtopstan- den (hoofdstuk 4 van dit wetsvoorstel). Ook de algemene milieutoets van de Wet milieubeheer, die geschiedt via de omgevingsvergunning, beschermt de natuur. Verder kunnen provincies, gegeven hun primaire verantwoordelijkheid voor het natuurbeleid, via een verordening op grond van de Wet milieubeheerregels stellen in het belang van de bescherming van deze gebieden. Ook de inzet van instrumenten in het kader van het gebiedsgerichte beleid kan bescherming bieden.

Los hiervan moet worden bedacht dat het overgrote deel van de betrokken na- tuurterreinen eigendom is van organisaties die als oogmerk natuurbescherming hebben. Zij kunnen als eigenaar beperkingen stellen aan het gebruik van hun terreinen, zodanig dat dit in overeenstemming is met de nagestreefde natuur- doelstellingen. Zo nodig kunnen zij ter voorkoming van schade of van verdere schade aan hun eigendom de verantwoordelijke persoon of rechtspersoon som- meren diens schadelijke activiteit aan te passen, of zelfs te staken en dit desnoods bij de burgerlijke rechter via een onrechtmatige daadsactie afdwingen.

35           Kamerstukken II 2011/12, 33 660, nr. 50, bijlage.

36           Alterra-rapport nr. 2132 “Beschermde natuurmonumenten. Stand van zaken 2010 en toekomstige bescherming”, M.E.A. Broekmeyer, R.J. Blijksma en W. Nieuwen- huizen.

Voor de bescherming van natuurschoonwaarden als stilte en duisternis hebben provincies en gemeenten ruimte om ten aanzien hiervan beleid te voeren. Zo nodig kunnen zij ter bescherming van deze waarden het hiervoor behandelde instrumentarium toepassen.

  1. De leden van de GroenLinks-fractie stellen dat dieren en planten van soorten die van nature in Nederland voorkomen en die buiten de reikwijdte van de Vo- gelrichtlijn of de Habitatrichtlijn vallen, niet worden beschermd door dit wets- voorstel en vragen de regering dit te herstellen.

Deze stelling moet berusten op een misverstand. Weliswaar zijn de bescher- mingsregimes van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn het uitgangspunt, maar in aanvulling daarop regelt het wetsvoorstel dat alle zoogdieren, amfibieën en reptielen van soorten die niet vallen onder de reikwijdte van de beschermingsregimes van genoemde richtlijnen en verdragen, die van nature in Nederland in het wild voorkomen, ook worden beschermd.

Deze diersoorten zijn opgenomen in de bijlage, onderdeel A, bij dit wetsvoorstel. Dieren van deze soorten worden beschermd door een verbod op het doden en vangen en een verbod op het vernielen of beschadigen van hun vaste voortplan- tingsplaatsen of rustplaatsen (voorgesteld artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b). Het gaat hierom een nationale beleidskeuze om in aanvulling op de Euro- pese en internationale verplichtingen inzake biodiversiteit nationale regels te stellen. Hieraan ligt geen internationale of Europese verplichting ten grondslag. Ook zijn in aanvulling op de genoemde richtlijn en verdragen verschillende soorten vissen, dagvlinders, libellen en kevers die van nature in Nederland in het wild voorkomen, opgenomen in de bijlage, onderdeel A, bij dit wetsvoorstel. Dieren van deze soorten worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteits- verdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantensoorten te be- schermen. In het wetsvoorstel worden deze dieren beschermd door bovenge- noemde verboden. Om dezelfde reden wordt een groot aantal planten van soor- ten die niet vallen onder de reikwijdte van de Habitatrichtlijn en de genoemde verdragen, die van nature in Nederland in het wild voorkomen (opgenomen in de bijlage, onderdeel B, bij dit wetsvoorstel) beschermd door een verbod op het plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen (voorgesteld artikel 3.10, eerste lid, onderdeel c).

Voor dieren en planten van andere, niet genoemde soorten die van nature in Nederland voorkomen, geldt in dit wetsvoorstel de zorgplicht als vangnet (voor- gesteld artikel 1.11).

  1. De leden van de GroenLinks-fractie zijn het eens met het voorstel om de actieve soorten bescherming te regelen. Zij vragen hoe de realisatie van de doelstellingen zal worden gewaarborgd.

Voor de realisatie van de doelstellingen van actieve soortenbescherming is moni- toring vereist. Dit wordt door provincies en het Rijk uitgevoerd. In mijn ant- woord op vraag nr. 36 ben ik hierop ingegaan.

  1. De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe de regering de motie Grashoff/Leenders37 voor instandhouding en herstel van weidevogelpopulaties zal uitvoeren.

In mijn eind oktober aan de Tweede Kamer te zenden brief over de stand van zaken van de voorbereidingen van het nieuwe stelsel voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer, waarvan uw Kamer een afschrift krijgt, zal ik beschrijven hoe ik invulling zal geven aan de motie Grashoff/Leenders.

  1. De leden van de GroenLinks-fractie vragen waarom de bescherming van vissen en weekdieren en van natuur op zee geen onderdeel zijn van dit wetsvoorstel.

De bescherming van vissen en weekdieren in zoet, zout of brak water heeft be- trekking op het beperken van negatieve invloeden van vier factoren. In de eer- ste plaats de kwaliteit van het water. Vooral weekdieren zijn gebaat bij een goe- de kwaliteit van het water. De milieuwetgeving (Waterwet, Wet milieubeheer, Meststoffenwet, Wet bodembescherming, Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden) voorziet in regels ter bescherming van de algemene waterkwaliteit.

Een tweede factor die van invloed is op de staat van instandhouding van vissen en weekdieren is overbevissing en bijvangst. Voor vissen van soorten die voor- namelijk hierdoor in hun staat van instandhouding worden bedreigd, geschiedt bescherming, ook in het belang van de natuur, via de Visserijwet 1963 en het gemeenschappelijke visserijbeleid.38 Het Europese visserijbeleid heeft onder meer als doelstelling de effecten van visserijactiviteiten op de mariene ecosys- temen zo gering mogelijk te houden en maatregelen te nemen die erop zijn gericht de milieueffecten van visserij te beperken. In het kader van dat beleid zijn het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (PbEU 2002, L 358).ook specifieke Europese maatregelen vastgesteld ter bescherming van gebieden en soorten, zoals bijvoorbeeld het Beheerplan Aal. De Europese Commissie heeft in juli 2011 haar voorstellen voor de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid gepresenteerd. Een verdere verduurzaming van dat beleid maakt daar deel van uit.39

37           Kamerstukken II 2014/15, 33 348, nr. 130.

38           Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van de Europese Unie van 20 decem- ber 2002 inzake de instandhouding en duurzame exploitatie van visbestanden in

De Europese Commissie stelt zich op het standpunt dat de kaders van het gemeenschappelijke visserijbeleid ook de geëigende kaders zijn om in de mariene gebieden in de exclusieve economische zone beperkingen te stellen aan visserij- activiteiten ter voldoening aan de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn (bescherming Natura 2000-gebieden en van vogels en diersoorten van Europees belang). Voor de implementatie van maatregelen ter uitvoering van het gemeenschappe- lijk visserijbeleid biedt de Visserijwet 1963 het kader. In de huidige natuurwet- geving wordt de regulering van visserijactiviteiten dan ook buiten de reikwijdte van die wetten gehouden.40 Deze afbakening wordt ook in het onderhavige wetsvoorstel gevolgd (voorgesteld artikel 1.2, tweede lid). Voor vissoorten die niet vallen onder het gemeenschappelijke visserijbeleid, zoals zoetwatervissen, gelden verder op grond van de Visserijwet 1963 regels die een duurzaam beheer van de betrokken vissoorten borgen.

Een derde factor is het verlies van habitats voor zoetwatervissen, bijvoorbeeld als gevolg van het dempen en baggeren van watergangen. Voor zoetwatervis- soorten waarvan de staat van instandhouding hierdoor wordt bedreigd, voorziet het voorgestelde artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, in een bescher- mingsregime: een verbod op het vangen en doden en op het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. In de bijlage bij dit wetsvoorstel zijn de desbetreffende vissoorten opgenomen. Het gaat hier om soorten die niet worden beschermd op grond van de Visserijwet 1963.

Als vierde factor noem ik de bedreiging die invasieve uitheemse soorten voor sommige vissoorten kunnen vormen. De nieuwe EU-verordening over invasieve exoten zal voorzien in een Europees regime voor de aanpak en bestrijding van invasieve exoten.41

Voor de bescherming van vissen is ook het regime voor Natura 2000-gebieden op zee van belang. Ik wijs op de maatregelen met betrekking tot bodemberoe- rende visserij die zijn genomen ter bescherming van de Natura 2000-gebieden “Vlakte van de Raan”, “Voordelta” en “Noordzeekustzone”. Op deze maatregelen heeft de Europese Commissie in het kader van de notificatieprocedure haar akkoord gegeven. Verder bereidt Nederland samen met het Verenigd Koninkrijk en Duitsland maatregelen ten aanzien van de visserij voor ter bescherming van de gebieden “Friese Front”, “Klaverbank” en “Doggersbank”. Deze zullen eerst aan de Europese Commissie worden genotificeerd en zullen na akkoord van de Commissie van kracht worden. Als deze maatregelen van kracht worden is een voldoende bescherming voor de bedoelde gebieden voorzien.42

39           Kamerstukken II 2010/11, 21 501-32, nr. 509, en 2011/12, 32 201, nr. 20.

40           Artikel 22a van de Natuurbeschermingswet 1998 en artikel 1a, tweede lid, van de Flora- en faunawet.

41           Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PbEU 317).

Ten aanzien van de natuur op zee wijs ik er op dat het wetsvoorstel van toepassing is in de exclusieve economische zone (voorgesteld artikel 1.2, eerste lid). De voorgestelde zorgplicht, de voorgestelde regels ter bescherming van Natura 2000-gebieden en de voorgestelde regels ter bescherming van soorten zijn der- halve van toepassing, behalve waar het gaat om handelingen waarop het ge- meenschappelijk visserijbeleid van toepassing is. Daarop ben ik in het voor- gaande ingegaan.

De genoemde wetten en dit wetsvoorstel bieden derhalve samen een adequate bescherming van vissen en weekdieren en natuur op zee.

  1. De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe het Rijk en de provincies de monitoring van de geleverde inspanning voor het behalen van de doelstellingen van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn gaan uitvoeren.

In mijn antwoord op vraag nr. 36 ben ik ingegaan op de afspraken van Rijk en provincies over de monitoring.

  1. De leden van de GroenLinks-fractie betreuren het dat enkele in het oor- spronkelijke wetvoorstel opgenomen verplichtingen met betrekking tot de jacht, zijn vervangen bij amendement.43 Zij noemen in het bijzonder de voorgestelde verplichting voor jachthouders om overeenkomstig een afschotplan te handelen en de voorgestelde verplichting van wildbeheereenheden om gegevens over de uitvoering van het faunabeheerplan te overleggen aan faunabeheereenheden. Deze leden zijn van oordeel dat er hierdoor geen sprake meer is van een plan- matige uitoefening van de jacht en vragen om een reactie.

De in het wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen ten aanzien van de jacht ten opzichte van de huidige Flora- en faunawet hebben tot doel een transparante en maatschappelijk verantwoorde uitoefening van de jacht te versterken. Dat ge- beurt in de eerste plaats door de invoering van de verplichting voor jachthouders om overeenkomst het faunabeheerplan de jacht uit te oefenen in hun jachtveld.

42           Kamerstukken II 2013/14, 32 670, nr. 90.

43           Amendement Rudmer Heerema/Leenders, Kamerstukken II 2014/15, 33 348, nr.107.

Omdat het faunabeheerplan betrekking heeft op alle inspanningen die in de re- gio waar het werkgebied van de eenheid toe behoort, plaatsvinden ten aanzien van de in het wild levende dieren, is geborgd dat er op voorhand afstemming plaatsvindt tussen populatiebeheer, schadebestrijding en de jacht. In de tweede plaats wordt een wettelijke verplichting voor faunabeheereenheden geïntrodu- ceerd om ten minste twee maatschappelijke organisaties die het duurzaam be- heer van in het wild levende populaties tot doel hebben, in het bestuur toe te laten. Dat versterkt een transparante aanpak bij het maken van afspraken over de inspanningen voor de jacht. In de derde plaats worden de jagers verplicht om afschotgegevens te overleggen, waar dat nu nog alleen op vrijwillige basis plaatsvindt. In de vierde plaats worden de jagers verplicht om deel te nemen aan een wildbeheereenheid. Dat is van belang voor een goede naleving van de jachtregelgeving vanwege de sociale controle binnen de eenheid. Tot slot wordt geregeld dat de faunabeheerplannen en de daaraan ten grondslag liggende ge- gevens, openbaar zijn (voorgesteld artikel 3.12, zesde lid).

Gegeven de maatschappelijke context voorziet het wetsvoorstel in een pakket van evenwichtige, praktische maatregelen dat zoveel mogelijk recht doet aan de verschillende, veelal tegenovergestelde in de maatschappij levende wensen en opvattingen over de jacht. Ten opzichte van het oorspronkelijke wetsvoorstel, zoals dat was ingediend bij de Tweede Kamer, wordt dit doel bovendien gereali- seerd met minder administratieve lasten voor burgers. Dat alles vind ik winst.

  1. De leden van de GroenLinks-fractie vragen of jagers aanvullende regels van provincies ten aanzien van de verstrekking van gegevens naast zich neer kunnen leggen.

Provincies hebben op grond van dit wetsvoorstel de bevoegdheid om ten aanzien van de invulling en onderbouwing van het faunabeheerplan bij verordening re- gels te stellen. Deze regels kunnen alleen zijn gericht tot de faunabeheereenhe- den (voorgesteld artikel 3.12, negende lid). Uit het voorgestelde artikel 3.13, eerste lid, volgt dat jachtaktehouders alleen verplicht zijn om gegevens over hun afschot te verstrekken aan faunabeheereenheden. Zij kunnen noch door provin- cies, noch door faunabeheereenheden, publiekrechtelijk worden verplicht om verdere gegevens te verstrekken. Dit is overigens ook niet nodig, omdat de fau- nabeheereenheid doorgaans beschikt over vrijwillig door eenieder te verstrekken schattingen, trends en – waar redelijkerwijs mogelijk – tellingen.

  1. De leden van de GroenLinks-fractie vragen of is overwogen om de wildlijst naar nul wildsoorten terug te brengen. Zij vragen in dit verband naar de virus uitbraken onder konijnen en hazen.

Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag nr. 20, waarin ik ben ingegaan op de criteria voor aanwijzing van de wildlijst. De landelijke staat van instandhouding van konijnen en hazen is niet in het geding. Er is dus geen reden deze wildsoor- ten uit de wildlijst te schrappen.

De stand van konijnen wordt periodiek weliswaar aangetast door virusziekten, maar de konijnen ontwikkelen resistentie tegen deze ziekteverwekkers en dan herstelt de stand zich weer. In de tussentijd zullen jachthouders, gegeven het wettelijk voorschrift om een redelijke wildstand te handhaven in hun jachtveld, terughoudend zijn met de jacht op konijnen om het herstel van de populatie een kans te geven.

Bij hazen heerst op dit moment in delen van Nederland tularemie (hazenpest). Deze ziekte kan ook voor mensen gevaarlijk zijn en dat geldt met name voor mensen die direct met de hazen in aanraking komen, zoals jachthouders, poe- liers en dierenartsen. Dit noopt jachthouders dan ook tot het beperken van het contact met zieke hazen.

  1. De leden van de GroenLinks-fractie betreuren het dat het huidige verbod op de uitoefening van de jacht in natuurgebieden niet is gecontinueerd in dit wets- voorstel en vragen om de beweegredenen hiervoor.

Eén van de uitgangspunten van dit wetsvoorstel is dat de regels binnen de Europese en internationale randvoorwaarden ruimte geven aan de praktijk. De afweging over de toelaatbaarheid van de jacht in een Natura 2000-gebied kan het beste op beheerplanniveau worden gemaakt. Een algemeen verbod op de jacht in een Natura 2000-gebied strookt daar niet mee.

Het is uiteindelijk aan de rechthebbende van het Natura 2000-gebied om, binnen de wettelijke voorwaarden en binnen de kaders van het faunabeheerplan, te bepalen of er op zijn grond wordt gejaagd, of het nu gaat om een Natura 2000- gebied of niet. De beheerder van een Natura 2000-gebied – veelal een terrein- beherende natuurorganisatie, tevens jachthouder – zal op een verstandige wijze invulling geven aan zijn jachtrecht. De afweging over de toelaatbaarheid van jacht in Natura 2000-gebieden moet worden gemaakt in het licht van de speci- fieke te beschermen natuurwaarden en te realiseren instandhoudingsdoelstellin- gen in het desbetreffende gebied. Deze afweging vergt maatwerk en kan het beste op gebiedsniveau in het kader van het beheerplanproces worden gemaakt, waarbij ook invulling kan worden gegeven aan maatregelen waarmee ongewens- te effecten worden voorkomen. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij het bestuursorgaan dat het beheerplan vaststelt, in de meeste gevallen gedeputeerde staten.

Wanneer de rechthebbende van het gebied ervoor kiest jacht toe te staan, zal de uitoefening van de jacht dienen te voldoen aan de regels ter bescherming van het Natura 2000-gebied: voor mogelijke significante verstoringen is een vergun- ning vereist van gedeputeerde staten, of dient overeenkomstig de vrijstellings- voorwaarden in het door gedeputeerde staten vastgestelde beheerplan te wor- den gehandeld.

  1. De leden van de GroenLinks-fractie vragen waarom schadebestrijding in de kraam-, zorg- en broedperiode in het wetsvoorstel is toegestaan, terwijl dit in de huidige wetgeving niet zo is.

Op grond van de huidige Flora- en faunawet is schadebestrijding in de kraam-, zorg- en broedperiode niet verboden. Vanwege de gevolgen van bestrijding in dergelijke periodes voor de staat van instandhouding van een soort is het nodig te onderbouwen waarom bestrijding in die periode noodzakelijk is. Dat geldt zowel voor schadebestrijding door grondeigenaren op grond van een vrijstelling als voor populatiebeheer door faunabeheereenheden op grond van een onthef- fing. In het wetsvoorstel is dit niet anders.

Voor de uitoefening van de jacht wordt zowel in de Flora- en faunawet als in het wetsvoorstel met de kraam-, zorg- en broedperiode van wild rekening gehouden bij de openstelling van de jacht. Omdat de Vogelrichtlijn ten aanzien van de jacht op vogels hiervoor expliciete voorschriften stelt, zijn deze in het wetsvoor- stel natuurbescherming overgenomen (voorgesteld artikel 3.22, derde lid).

  1. De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering bereid is te bekijken op welke wijze extra voorwaarden aan faunabeheerplannen kunnen worden gesteld zodat zij ook betrekking hebben op het voorkomen van schade.

Het voorgestelde artikel 3.12, vierde lid, voorziet in een opdracht om passende en doeltreffende maatregelen in het faunabeheerplan op te nemen ter voorko- ming en bestrijding van schade die wordt aangericht door in het wild levende dieren. Zo nodig kunnen provinciale staten hierover nadere regels stellen bij provinciale verordening (voorgesteld artikel 3.12, negende lid).

Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie

Intrinsieke waarde

  1. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe het begrip “intrinsieke waarde van de natuur” betekenis krijgt bij de uitvoering van de wet en van het beleid.

Ik verwijs naar mijn antwoorden op vragen nrs. 5 en 42, waarin ik ben ingegaan op betekenis van de intrinsieke waarde voor het wetsvoorstel, de daarop te ba- seren uitvoeringsregelgeving en het te voeren beleid.

Wet natuurbescherming en Omgevingswet

  1. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom het wetsvoorstel natuurbescherming als apart traject naast dat van het voorstel voor de Omgevingswet gerechtvaardigd is. Deze leden vragen verder in hoeverre het voorstel voor de Omgevingswet, zoals dat is komen te luiden na amendering door de Tweede Kamer, invloed heeft op het wetsvoorstel natuurbescherming of later op het incorporeren van dit wetsvoorstel in de Omgevingswet.

Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag nr. 20, waarin ik heb gemeld dat een zo spoedig mogelijke invoering van dit wetsvoorstel, eenmaal wet, van belang is vanwege de realisering van de decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en vanwege de vereenvoudiging en verbetering van de natuurwetgeving. In dat antwoord ben ik ook ingegaan op de onderlinge verhouding tussen beide wetsvoorstellen.

  1. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe straks zal worden omgegaan met het uitgangspunt “nee, tenzij” van het wetsvoorstel natuurbescherming en het uitgangspunt “ja, mits” in het voorstel voor de Omgevingswet.

Net als de huidige natuurwetgeving en het wetsvoorstel natuurbescherming gaat het voorstel voor de Omgevingswet ervan uit dat er sprake kan zijn van zodanig zwaarwegende belangen of belangrijke waarden dat activiteiten die deze belangen of waarden in het gedrang kunnen brengen, verboden zijn zonder vergunning. Verwezen zij naar artikel 5.1 van het voorstel voor de Omgevingswet, dat een opsomming bevat van activiteiten die verboden zijn zonder omgevingsvergunning. Daaronder vallen ook de activiteiten die schadelijk kunnen zijn voor een Natura 2000-gebied en de activiteiten die een verboden handeling opleveren in het kader van het soortenbeschermingsregime als neergelegd in hoofdstuk 3 van het wetsvoorstel natuurbescherming. Op grond van artikel 5.17 van het wetsvoorstel Omgevingswet worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld over het verlenen of weigeren van de omgevingsvergunning. Voor het Natura 2000-regime en het soortenbeschermingsregime zal inhoudelijk volledig worden aangesloten bij de in hoofdstuk 2 respectievelijk 3 van het wetsvoorstel natuurbescherming opgenomen bepalingen.

Instandhouden versus ontwikkelen

  1. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de spanning tussen de bescherming van de instandhouding van soorten en de integrale gebiedsgerichte aanpak, tussen het instandhouden van bestaande natuur versus het ontwikkelen van nieuwe natuur. Deze leden vragen of het wetsvoorstel hiervoor voldoende balans biedt.

In mijn natuurvisie ‘Natuurlijk Verder’44 heb ik gemeld dat de inzet van mijn natuurbeleid is om een kanteling te bewerkstelligen van bescherming van soorten naar een gebiedsbescherming voor robuuste natuur. Het gaat erom dat er meer aandacht komt voor soorten in hun natuurlijke systemen en voor de land- schappelijke schaal, zodat er minder focus komt te liggen op het behoud van specifieke soorten en habitats op de plaats waar ze eerder zijn aangetroffen. Nederland zal dit in het kader van de fitnesscheck van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn bij de Europese Commissie aan de orde stellen.

Voor het hier en nu is de bescherming van individuele soorten evenwel een noodzakelijk gegeven. Sommige soorten en habitats zijn – ook op Europese schaal – nog ver verwijderd van een goede instandhoudingsituatie. Het is een harde verplichting uit de genoemde richtlijnen voor Nederland om te zorgen dat de populaties of habitats die een kritische ondergrens naderen, daar niet onder komen en op termijn weer in een gunstige staat van instandhouding verkeren. Dit in de eerste plaats door dier- en plantensoorten via regelgeving te bescher- men. De Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn vereisen hiervoor een specifiek stringent beschermingsregime, dat met de huidige natuurwetgeving en straks via het voorliggende wetsvoorstel, eenmaal wet, is geïmplementeerd.

44   Kamerstukken II 2013/14, 33 576, nr. 14.

In de tweede plaats vereisen de genoemde richtlijnen dat Nederland maatrege- len treft om de staat van instandhouding van soorten te behouden of te berei- ken. Het wetsvoorstel regelt dat de provincies hiervoor een inspanningsverplich- ting hebben, zoals door Rijk en provincies is vastgelegd in het Natuurpact (voor- gesteld artikel 1.10, eerste lid). Voor dit actieve soortenbeleid is de totstandko- ming en instandhouding van het natuurnetwerk Nederland van belang (voorge- steld artikel 1.10, tweede lid). Binnen de huidige kaders komen de soortgerichte en gebiedsgerichte bescherming dus samen en ondersteunen beide benaderin- gen elkaar. Naarmate de staat van instandhouding van dier- en plantensoorten en hun leefomgeving beter is en de natuur sterker is, zullen maatschappelijke ontwikkelingen minder snel negatieve gevolgen hebben voor die soorten en is er binnen de huidige kaders meer ruimte om ontheffing te verlenen van de soor- tenbeschermingsverboden.

Het is de verantwoordelijkheid van provincies om de maatregelen te bepalen waarmee zij invulling geven aan het actieve soortenbeleid. Provincies zijn zich bewust van het belang van samenwerking en onderlinge afstemming van hun inspanningen. Bij de invulling van de maatregelen legt elke provincie zijn eigen accent. Dat is vanzelfsprekend, vanwege de regionale verschillen, de regionale en lokale opvattingen over de inrichting en het beheer van gebieden voor de onderscheiden functies die daar moeten worden gecombineerd en de wijze waarop de natuurdoelstellingen het beste kunnen worden bereikt.

De jacht en de vrijheid van vereniging

  1. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of als gevolg van de voorgestelde verplichting voor jachtaktehouders om zich aan te sluiten bij een wildbeheereenheid, de vrijheid van vereniging in het geding is

Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag nr. 9, waarin ik uiteen heb gezet dat de voorgestelde verplichting voor jachtaktehouders tot aansluiting bij een wildbeheereenheid niet in strijd is met het recht op de vrijwaring van een gedwongen ongewild lidmaatschap, de zogenoemde negatieve verenigingsvrijheid, omdat zij nodig is voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Uitvoering

  1. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering de stakeholders voldoende betrekt bij de totstandkoming van het wetsvoorstel en de implementatie ervan.

Het wetsvoorstel is het resultaat van een intensief en langdurig proces waarbij andere bestuurslagen en het maatschappelijk veld zijn betrokken. Het traject voor het wetsvoorstel is in 2009 gestart na afronding van de evaluatie van de natuurwetgeving. Voor de totstandkoming van het oorspronkelijk wetsvoorstel heeft onder meer een impact assessment, een formele maatschappelijke com- mentaarronde en een internetconsultatie plaatsgevonden. Voor een nadere uit- eenzetting zij verwezen naar de memorie van toelichting.45 Met betrekking tot het opstellen van de nota van wijziging van het wetsvoorstel ter uitvoering van het regeerakkoord hebben in april en november 2013 gesprekken met organisaties uit het maatschappelijk veld plaatsgevonden, eerst om te vernemen welke ideeën en wensen er bij hen leefden voor aanpassing van het oorspronkelijke wetsvoorstel en daarna om met hen van gedachten te wisselen over de voorgenomen aanpassingen in het wetsvoorstel.46

Ook voor het opstellen van de ontwerp uitvoeringsregelgeving is voorzien in betrokkenheid van de stakeholders. In september 2015 heeft een informele consultatieronde plaatsgevonden, in november 2015 volgt de formele consultatieronde.

Voor de implementatie van het wetsvoorstel is er een project van Rijk en provincies dat zich richt op twee sporen. Ten eerste wordt ingezet op het faciliteren van provincies en gemeenten als bevoegde gezagen voor de uitvoering van het wetsvoorstel. Hiertoe zijn instrumenten ontwikkeld waarvan ook burgers en be- drijfsleven gebruik kunnen maken. Ten tweede wordt ingezet op een brede communicatie, waarbij de insteek is om aan de koepelorganisaties van stakehol- ders informatie over het wetsvoorstel aan te bieden. Deze organisaties kunnen vervolgens via hun eigen kanalen hun achterban informeren.

45           Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3, blz. 13-14, 215 e.v. en 235 e.v.

46           Kamerstukken 2013/14, 33 348, nr. 5, blz. 23.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

Inleiding

  1. De leden van de PvdD-fractie vragen waarom het wetsvoorstel niet voorziet in één beschermingsregime voor natuur en dieren en een eenduidig kader om daarvan onder specifieke nauwkeurig beschreven gevallen vanaf te kunnen wijken.

In het wetsvoorstel vormt de Europese regelgeving het uitgangspunt. Aangezien de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn voor de bescherming van Natura 2000-gebieden, van vogels en voor dieren en planten van soorten van Europees be- lang specifieke regimes voorschrijven, zijn deze regimes herkenbaar geïmple- menteerd in dit wetsvoorstel.

In aanvulling op deze door de Europese regelgeving voorgeschreven regimes, is in het wetsvoorstel een regime ter bescherming van dieren en planten van ande- re soorten opgenomen (voorgesteld artikel 3.10). In mijn antwoord op vraag nr. 47 ben ik nader ingegaan op de beweegredenen om die soorten te beschermen.

Decentralisatie

  1. De leden van de PvdD-fractie vragen welke mogelijkheden de regering heeft om in te grijpen indien een of meer provincies in strijd met de internationale verplichtingen de natuur laat verslechteren. Ook vragen deze leden of de regering deze mogelijkheden wil benutten in een dergelijke situatie.

Ik verwijs naar mijn antwoorden op de vragen nrs. 13 en 43, waarin ik de instrumenten van interbestuurlijk toezicht heb beschreven en waarin ik heb aan- gegeven dat ik deze instrumenten zal toepassen in het onverhoopte geval dat het nodig zou zijn.

  1. De leden van de PvdD-fractie vinden dat met de invoering van de ‘lex silencio positivo’ een onaanvaardbare aantasting van natuurwaarden wordt mogelijk gemaakt en vragen om een reactie hierop.

In dit wetsvoorstel, zoals aangepast bij de eerste nota van wijziging, is geregeld dat op alle aanvragen van een vergunning of een ontheffing een besluit zal moeten worden genomen – verlening of weigering – door het bevoegd gezag. In het oorspronkelijke wetsvoorstel zoals dat bij de Tweede Kamer was ingediend, was wel voorzien in een ‘lex silencio positivo’-voorziening voor vergunningen en ontheffingen waaraan geen onmiddellijke Europese verplichting ten grondslag ligt. Concreet gaat het dan om de vergunningplicht voor handelingen met mogelijke verslechterende gevolgen voor een Natura 2000-gebied (voorgesteld artikel 2.7, derde lid, onderdeel b) – niet zijnde projecten met mogelijke significante gevol- gen – en om ontheffingen van de verboden ter bescherming van dieren en plan- ten van soorten die buiten de reikwijdte van het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn of de verdragen van Bern of Bonn vallen (voorgesteld artikel 3.10).

De oorspronkelijke ‘lex silencio positivo’-voorziening heb ik geschrapt bij nota van wijziging omdat zij noch het belang van de natuur noch het belang van bedrijven en burgers dient. Voor de natuur niet, omdat een toets vooraf in alle gevallen nodig is om de risico’s voor de natuurwaarden te toetsen; alleen dan kan worden voorkomen dat er onherstelbare schade zal plaatsvinden. Voor be- drijven en burgers niet, omdat zij in de praktijk geen baat zullen hebben bij de voorziening. Waar het gaat om activiteiten die schadelijk kunnen zijn voor een Natura 2000-gebied, kan voor hen onduidelijk blijven of zij er terecht van hebben mogen uitgaan dat de ‘lex silencio positivo-voorziening’ op hun vergunningaanvraag van toepassing is bij het uitblijven van een tijdig besluit van het be- voegd gezag. Voor de ontheffingen van de verboden ter bescherming van soor- ten geldt voor bedrijven en burgers bovendien dat een activiteit in de praktijk veelal zowel gevolgen hebben voor een soort die concreet wordt genoemd in de Europese richtlijnen of verdragen, en andere te beschermen soorten. Dan is het niet opportuun om voor bepaalde onderdelen van de ontheffingen de ‘lex silencio positivo’-voorziening wel toe te passen en voor andere onderdelen niet.47

  1. De leden van de PvdD-fractie vragen welke bevoegdheden het Rijk heeft om ervoor te zorgen dat de inspanningen van de provincies leiden tot een ecolo- gische hoofdstructuur die voldoet aan de internationale vereisten.

Het natuurnetwerk Nederland, voorheen “ecologische hoofdstructuur”, is een belangrijk centraal instrument om uitvoering te geven aan de algemeen gefor- muleerde Europese verplichting om een gunstige staat van instandhouding van diersoorten, plantensoorten, natuurlijke habitats en habitats van soorten van Europees belang te realiseren. Die verplichting vergt een actief soortenbeleid, waarbij elke lidstaat zelf mag kiezen op welke wijze het hieraan uitvoering geeft. De Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn stellen hieraan geen specifieke eisen. Eenheid van beleid komt tot uitdrukking in de opdracht aan provincies om zorg te dragen voor de totstandbrenging en instandhouding van dit netwerk (voorgesteld artikel 1.10, tweede lid). Zij komt bovendien tot uiting in het huidige Be- sluit algemene regels ruimtelijke ordening opgenomen opdrachten aan provin- cies om gebieden van het natuurnetwerk aan te wijzen en om te regelen dat gemeenten die gebieden via het bestemmingsplan beschermen met het in het besluit voorgeschreven regime.

Omdat Nederland binnen de Europese kaders de vrijheid heeft om invulling te geven aan deze algemene Europese verplichting en de provincies de bestuurslaag zijn die primair verantwoordelijk zijn voor het natuurbeleid, is het aan provincies om hieraan verder invulling te geven. Hierbij staat het beginsel voorop dat er vertrouwen tussen overheden is en dat overheden worden geacht in staat te zijn belangen af te wegen waarbij afstemming en samenwerking met andere overheden vanzelfsprekend is, overeenkomstig de Code interbestuurlijke ver- houdingen. In dat verband wijs ik op het Bestuursakkoord natuur en het Natuur- pact, waarin afspraken van provincies en Rijk zijn vastgelegd over de gezamen- lijke ambities voor het natuurnetwerk. Daarmee is er een voldoende helder ka der voor het natuurnetwerk.

47           Toelichting bij de nota van wijziging, Kamerstukken II 2013/14, 33 348, nr. 5, blz.43.

Provinciale taken

  1. De leden van de PvdD-fractie vragen hoe is gewaarborgd dat provincies vol- doende provinciale natuurgebieden en gebieden, behorende tot het natuurnet- werk Nederland, aanwijzen.

De in dit wetsvoorstel geïntroduceerde bijzondere provinciale natuurgebieden – dan wel landschappen – worden aangewezen door gedeputeerde staten (voorge- steld artikel 1.12, derde lid). Het is aan provincies zelf om te bezien of en zo ja hoe zij invulling geven aan hun bevoegdheid tot aanwijzing.

Over de totstandkoming van het natuurnetwerk Nederland en de aanwijzing van gebieden van dit netwerk ben ik in mijn antwoord op vraag nr. 67 ingegaan.

  1. De leden van de PvdD-fractie vragen welke nieuwe mogelijkheden dit wetsvoorstel biedt aan provincies om provinciale natuurgebieden te beschermen.

Wanneer een provincie een gebied als bijzonder provinciaal gebied of landschap aanwijst en dit gebied wil beschermen, kan zij gebruikmaken van bestaande bevoegdheden in andere wetten. Bescherming kan bijvoorbeeld bestaan uit het planologische regime dat van toepassing is op de bestemming en het gebruik van het betreffende gebied en de omgeving daarvan. De provincies kunnen daartoe zo nodig – als de planologische bescherming niet al genoegzaam is geborgd – bij provinciale verordening op grond van de Wet ruimtelijke ordening eisen stellen aan gemeentelijke bestemmingsplannen dan wel zelf een provinciaal inpassingsplan vaststellen. Het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan zonder omgevingsvergunning is op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verboden. Daarnaast is de op grond van die wet bij de omgevingsvergunning uit te voeren milieutoets van toepassing op de oprichting of wijziging van inrichtingen ingeval deze nadelige gevolgen kan veroorzaken voor de leefomgeving. Voorts kunnen provincies op grond van paragraaf 1.2 van de Wet milieubeheer bij provinciale milieuverordening regels stellen ter bescherming van het milieu, die beperkt kunnen worden tot bepaalde delen van de provincie; dit naast de algemene grondslag die artikel 105 van de Provinciewet biedt om regels te stellen, die ook betrekking kunnen hebben op de fysieke leefomgeving. Tevens kan de provincie ontwikkelingen in en rondom de betrokken gebieden sturen via subsidieverlening, door verwerving van onroerende zaken en door overeenkomsten te sluiten met beheerders en gebruikers.

Tegen deze achtergrond is het niet nodig aanvullende beschermingsinstrumenten te introduceren in dit wetsvoorstel.

  1. De leden van de PvdD-fractie vragen hoe de voorgestelde inspanningsverplichting van provincies voor de actieve soorten bescherming zich verhoudt tot de resultaatsverplichting van Nederland om aan internationale verplichtingen te voldoen. Deze leden vragen waarom niet is gekozen voor een resultaatsverplichting voor provincie. Ook vragen deze leden hoe wordt beoordeeld of provincies voldoende inspanning hebben geleverd en wat het Rijk zal doen als de inspanningen van provincies tekortschieten.

De Staat der Nederlanden is verantwoordelijk voor de nakoming van internationale verplichtingen door Nederland. Het Rijk vertegenwoordigt Nederland in internationaal verband. De internationale en Europese verplichtingen vereisen dat Nederland actieve maatregelen treft om de gunstige staat van instandhouding van soorten en habitats te behouden en zo nodig te herstellen.

Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen hebben in de bestuursafspraken 2011-2015 48 vastgelegd dat provincies in Nederland verantwoordelijk zijn voor de inrichting van het landelijk gebied en voor het regionale beleid inzake natuur, recreatie, toerisme, landschap, structuurversterking van de landbouw en de leefbaarheid van het platteland. Het is de verantwoordelijkheid van de provincies om de maatregelen te bepalen waarmee zij invulling geven aan het actieve soortenbeleid. Omdat het voortbestaan en het voorkomen van soorten niet alleen van actieve maatregelen maar ook van externe factoren, zoals bovenregionale of zelfs mondiale factoren, afhankelijk is die niet door de provincies te beïnvloeden zijn, kunnen de provincies niet verantwoordelijk gehouden worden voor het uit- eindelijke resultaat ten aanzien van de staat van instandhouding. Om deze reden hebben zij een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting.

Om een beeld te krijgen in hoeverre de inspanningen van provincies ertoe leiden dat aan de Europese en internationale verplichtingen wordt voldaan, is voorzien in monitoring (voorgesteld artikel 1.12, vierde lid). Ik verwijs naar mijn ant- woord op vraag nr. 36.

48           Kamerstukken II 2010/11, 29 544, nr. 336.

Wanneer de inspanningen van de provincies niet het door de Europese en inter- nationale verplichtingen vereiste resultaat opleveren, zullen Rijk en provincies hierover in overleg treden. Het Rijk zal de provincies niet met aanvullende wen- sen of ambities confronteren zonder tegelijkertijd afspraken te maken over de financiering daarvan.

Ontheffingen en vrijstellingen voor vangen, verstoren en doden van soorten

Vogelrichtlijn

  1. De leden van de PvdD-fractie vragen waarom in de voorgestelde artikelen 3.3 en 3.8 de mogelijkheid wordt geboden om ontheffing of vrijstelling te verlenen voor het vangen, houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van respectievelijk vogels en dieren in kleine hoeveelheden, selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden. Zij wijzen op de positieflijst van de Wet dieren, de intrinsieke waarde en vragen naar de betekenis van de gebruikte begrippen en het toezicht op de naleving van deze voorgestelde bepalingen.

Overeenkomstig het uitgangspunt van dit wetsvoorstel sluiten de voorgestelde artikelen 3.3 en 3.8 nauwkeurig aan bij de bewoordingen van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Het Europese Hof van Justitie is bevoegd tot het geven van interpretatie aan dergelijke Europese begrippen, zoals “kleine hoeveelheden”, “strikt gecontroleerde omstandigheden” en “verstandig gebruik”. Zo heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat er sprake kan zijn van een verstandig gebruik bij het vangen en verkopen van vogels voor gebruik als levende lokvogels of aan liefhebbers op traditionele kermissen en markten.49  Ook de interpretatie die de Europese Commissie geeft in haar leidraden kan van betekenis zijn.

Het is uiteindelijk aan het bevoegde gezag – in de meeste gevallen gedeputeer- de of provinciale staten – om bij het verlenen van een ontheffing of vrijstelling te beoordelen of aan de voorwaarden voor afwijking van de verbodsbepalingen is voldaan. In de voorwaarden voor ontheffing of vrijstelling kan het bevoegde gezag invulling geven aan het verstandige gebruik en aan de vereiste controles.

Het is ook het bevoegde gezag dat belast is met het toezicht op de naleving van de voorwaarden voor ontheffing of vrijstelling.

In alle gevallen dient te worden voldaan aan het bepaalde in en op grond van de Wet dieren.

49           Hof van Justitie van 16 oktober 2003 in zaak nr. C-182/02, ro. 11.

Omzetting Europees beschermingsregime

  1. De leden van de PvdD-fractie vragen hoe het voorgestelde verbod op het verstoren van vogels en de voorgestelde uitzondering voor verstoringen ingeval er geen wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding, kunnen worden gehandhaafd. Het maakt voor de staat van instandhouding, aldus deze leden, niet uit of een verstoring opzettelijk of niet opzettelijk gebeurt.

Artikel 5, onderdeel d, van de Vogelrichtlijn regelt expliciet dat opzettelijke ver storingen van vogels niet verboden zijn wanneer deze verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort waartoe de vogel behoort. De uitzondering op het verbod op verstoring is overgenomen in artikel 3.1, vijfde lid, van het wetsvoorstel.

Een verstoring van vogels is vaak van tijdelijke aard: vogels vliegen weg als er mensen in de buurt komen, maar dat betekent niet dat de vogels niet meer te- rugkomen of dat hun broedsel mislukt. Elke verstoring verbieden is dus niet nodig om vogels te beschermen. De handhaving van dit verbod zal zich dan ook richten op ernstige verstoringen, die de staat van instandhouding wel beïnvloeden.

Invoering meldingsplicht

  1. De leden van de PvdD-fractie vraagt of er een kosten- en batenanalyse is gemaakt van de in het voorgestelde artikel 3.11 opgenomen meldingsplicht en hoe het invoeren zich verhoudt tot de intrinsieke waarde.

De mogelijkheid die het wetsvoorstel biedt om een meldingsplicht in te voeren (voorgesteld artikel 3.11) is bedoeld om het verbod te vervangen op het beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren van soorten, genoemd in de bijlage bij dit wetsvoorstel, of het verbod op het plukken van planten van soorten, genoemd in die bijlage. Het gaat hier om dier- en plantensoorten die niet worden genoemd in de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn of de verdragen van Bern of Bonn.

Het invoeren van een dergelijke meldingsplicht is facultatief. Ik heb thans niet het voornemen om hieraan invulling te geven.

Schadebestrijding, beheer en jacht

  1. De leden van de PvdD-fractie vragen waarom jacht integraal onderdeel uit- maakt van dit wetsvoorstel.

Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag nr. 30, waarin ik heb aangegeven dat de jacht één van de onderwerpen is waarin de bescherming van de natuur en het gebruik van de natuur samenkomen.

  1.  De leden van de PvdD-fractie vragen waarom met de voorgestelde regels over populatiebeheer, jacht en schadebestrijding afstand wordt genomen van het verbod op het doden van dieren.

Het uitgangspunt van dit wetsvoorstel is dat het doden van dieren is verboden. Dit komt tot uiting in het algemene beschermingsregime voor vogels, dieren van soorten van Europees belang en dieren van overige soorten. In de voorgestelde bepalingen over populatiebeheer, jacht en schadebestrijding is geregeld onder welke voorwaarden het verbod op het doden niet van toepassing is.

Planmatige, gebiedsgerichte aanpak

  1. De leden van de PvdD-fractie vragen om een reactie op een rapport van Alterra (rapport 2307) dat afschot geen effect heeft gehad op de populatie ganzen op Texel en “dat opviel dat de vangactie van ruiende grauwe ganzen op geen enkele manier terug te zien is in een reductie van de getaxeerde schade in de zomerperiode”.

Het is van belang het onderzoek, zoals verwoord in Alterra-rapport nr. 2307, in de goede context te plaatsen. Het onderzoek leverde uitkomsten op ten aanzien van het effect van afschot op de populatie ganzen op Texel en van de getaxeer- de schade in de zomerperiode na de vangactie op ruiende grauwe ganzen aldaar. Dit had onder meer te maken met het feit dat ganzen vanuit andere ge- bieden snel de openvallende plekken bezetten. Uit deze uitkomsten kan niet de conclusie worden getrokken dat afschot of vangacties in het algemeen niet zouden werken.

  1. De leden van de PvdD-fractie vragen of de regering bereid is om bij wet te regelen dat een ontheffing, vrijstelling of aanwijzingsbesluit alleen verleend of genomen kan worden als is aangetoond dat het desbetreffende besluit effectief

  1. Deze leden vragen of het voorkomt dat het opjagen en doden van dieren in bepaalde gevallen zo veel verstoring met zich brengt dat de eventuele schadereductie niet opweegt tegen de nadelen van de jacht in termen van verstoring van andere soorten, verlies aan recreatieve waarden (zichtbaarheid dieren), (gevoel van) onveiligheid van wandelaars en geluidsoverlast. Zij vragen of de regering bereid is bij wet te regelen dat een ontheffing niet gegeven wordt als eventuele schadereductie objectief gezien niet opweegt tegen verstoring van de bovengenoemde waarden.

Gedeputeerde staten en provinciale staten nemen op grond van dit wetsvoorstel een besluit over het verlenen van respectievelijk vrijstellingen en ontheffingen van de soortenbeschermingsverboden. Bij het nemen van een besluit hebben zij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen, waaronder het beginsel van evenredigheid van het besluit. Uit de voorgestelde artikelen 3.3, vierde lid, onderdeel b, en 3.8, vijfde lid, onderdeel b, volgt bovendien dat een ontheffing of vrijstelling nodig moet zijn om één van de limitatief opgesomde doelen te realiseren. Dat veronderstelt dat de activiteit waarvoor ontheffing of vrijstelling wordt verleend, effectief is om het desbetreffende belang te dienen. Bij de opleiding voor het verkrijgen van een jachtakte wordt de aspirant- jachtaktehouders geleerd verstandig om te gaan met het gebruik van hun geweer en het bejagen van dieren en dus te letten op mogelijke verstorende effecten, geluidsoverlast en de veiligheid van anderen. Ook de eigen weidelijkheidsregels van jagers vereisen dat zij zorgvuldig handelen.

Faunabeheereenheden en faunabeheerplannen

  1. De leden van de PvdD-fractie vragen een overzicht van de niet-jachthouders die in het bestuur zitten van faunabeheereenheden.

Voor zover mij bekend, zijn in de huidige besturen van faunabeheereenheden alleen jachthouders vertegenwoordigd. Dat sluit aan bij artikel 29, eerste lid, van de Flora- en faunawet, dat regelt dat deze eenheden samenwerkingsverbanden van jachthouders zijn. De voorzitters zijn onafhankelijk.

  1. De leden van de PvdD-fractie vinden dat de mogelijkheid om vertegenwoordigers van dierenwelzijnsorganisaties deel te laten nemen aan het bestuur van een faunabeheereenheid onvoldoende is geborgd en vragen hoeveel van dergelijke vertegenwoordigers landelijk nodig zijn. Deze leden vragen waarom dergelijke vertegenwoordigers bereid zouden zijn een minderheidspositie in te nemen in de besturen van faunabeheereenheden.

Het voorgestelde artikel 3.12, tweede lid, vereist dat minstens twee maatschappelijke organisaties die het belang van duurzaam beheer behartigen zijn vertegenwoordigd in het bestuur van een faunabeheereenheid. Dat is noodzakelijk voor het creëren van meer draagvlak in de samenleving. Het is in eerste instantie aan de faunabeheereenheid om te bezien welke specifieke organisaties hier- voor in aanmerking komen. Dat zouden dierenwelzijnsorganisaties kunnen zijn, maar dat hoeft niet. Zo nodig kunnen provincies over de aard van de deelnemende maatschappelijke organisaties nadere regels stellen bij provinciale verordening (voorgesteld artikel 3.12, negende lid).

Voor vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties zoals de dierenwel- zijnsorganisaties geeft dit wetsvoorstel de mogelijkheid om daar waar de plannen voor het faunabeheer worden opgesteld, in alle openheid mee te praten en mee te beslissen – of zij nu een minderheidspositie hebben of niet.

  1. De leden van de PvdD-fractie vragen of provinciale staten met dit wetvoorstel de mogelijkheid hebben om faunabeleid in te richten zonder wildbeheereen- heden of faunabeheereenheden.

Het wetsvoorstel vereist dat er faunabeheereenheden en wildbeheereenheden zijn (voorgestelde artikelen 3.12, eerste lid, en 3.14, eerste lid). Provincies beschikken dus niet over de bevoegdheid om het faunabeheer te laten plaatsvinden zonder faunabeheereenheden en wildbeheereenheden. Wel houdt het wetsvoorstel rekening met de situatie dat een handeling van faunabeheer kan worden verricht door anderen dan faunabeheereenheden en wildbeheereenheden, indien de noodzaak ontbreekt voor verrichting van een handeling door tussenkomst van een faunabeheereenheid (voorgesteld artikel 3.17, vierde lid). Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag nr. 28.

  1. De leden van de PvdD-fractie vragen of de provincie haar beleid zelf kan formuleren of dit aan de faunabeheereenheden moet worden uitbesteed. Ook vragen zij waarom gedeputeerde staten de mogelijkheid om een faunabeheer- eenheid te erkennen uit de Flora- en faunawet niet meer hebben in het wets- voorstel en hoe dit zich verhoudt tot de decentralisatie van bevoegdheden.

Het is in eerste instantie aan de faunabeheereenheden om invulling te geven aan het faunabeheerplan. Provinciale staten zijn bevoegd om over de inhoud van het plan regels te stellen en gedeputeerde staten dienen het faunabeheerplan goed te keuren.

Een aanvullende wettelijke eis van erkenning heeft geen toegevoegde waarde en zou alleen leiden tot extra administratieve en bestuurlijke lasten en zou bovendien niet stroken met de decentralisatie van het natuurbeleid naar provincies.

  1. De leden van de PvdD-fractie vragen of de regering de opvatting deelt dat in het wild levende dieren aan niemand toebehoren, mede in relatie tot de functie van fauna- en wildbeheereenheden in het wetsvoorstel.

In het wild levende dieren behoren aan niemand toe. Zij zijn een zogenoemde “res nullius”. Dat neemt niet weg dat aan de eigenaar van de grond waarop de dieren zich bevinden het recht tot jagen toekomt: het recht om zich dieren toe te eigenen die zich op of in de grond bevinden. Krachtens de huidige Flora- en faunawet en het onderhavige wetsvoorstel wordt degene die het recht tot jagen toekomt de jachthouder genoemd.

  1. De leden van de PvdD-fractie stellen dat het wetsvoorstel het mogelijk maakt dat op uitnodiging van de faunabeheereenheid niet-jachthouders een vergadering van de faunabeheereenheid bijwonen en adviseren; deze organisaties mogen volgens de memorie van toelichting echter geen doelstellingen hanteren die haaks staan op de uitgangspunten van het faunabeheerplan. Deze leden vragen de regering wat de uitgangspunten van het faunabeheerplan zijn en vragen haar nader te duiden wat zij verstaat onder doelstellingen die haaks staan op de uitgangspunten van het faunabeheerplan. Deze leden vragen of een doelstelling van een organisatie om te voorkomen dat dieren in het wild worden gedood er een is die haaks staat op de uitgangspunten van het faunabeheerplan, of de regering heeft bedoeld om faunabeheereenheden te verbieden bepaalde organisaties tot hun vergadering toe te laten dan wel hen te adviseren, of de regering vreest dat bijvoorbeeld een organisatie als de Faunabescherming of de Dierenbescherming de faunabeheereenheid zou kunnen overtuigen van de zinloosheid van jacht, waarom mogen provincies niet zelf kiezen welke organisatie vertegenwoordigd moet zijn in de faunabeheereenheid.

In het bestuur van de faunabeheereenheden zijn jachthouders en maatschappelijke organisaties die het duurzaam beheer tot doel hebben, vertegenwoordigd. Het is in eerste instantie aan het bestuur van de faunabeheereenheid om anderen te laten deelnemen aan vergaderingen of om zich door hen te laten adviseren. Provinciale staten kunnen bij verordening regels te stellen aan faunabeheereenheden, ook waar het gaat om nadere regels over de samenstelling van het bestuur, een verplichte deelname van organisaties aan vergaderingen of verplichte advisering door organisaties.

Bij het opstellen van de faunabeheerplannen gaat het erom dat partijen op ef- fectieve en constructieve wijze samenwerken met het oog op een verantwoord populatiebeheer, een verantwoorde schadebestrijding en een verantwoorde uit- oefening van de jacht. Bij een effectieve en constructieve samenwerking hoort dat partijen open staan voor elkaars voorstellen en meningen en dat zij elkaars inbreng kritisch toetsen. Dat geeft een goed, afgewogen resultaat in het teken van de uitvoering in de praktijk. Tegen deze achtergrond moet de opmerking in de memorie van toelichting zo worden gelezen dat ook organisaties die de be- langen van de natuur of dieren behartigen, kunnen deelnemen aan vergaderin- gen van het bestuur of het bestuur kunnen adviseren, mits hun doelstellingen niet haaks staan op de uitgangspunten van het faunabeheerplan.50 De uitoefe- ning van de jacht en het zo nodig doden van dieren bij schadebestrijding en populatiebeheer, zijn daarbij een gegeven.

Het is uiteindelijk aan de faunabeheereenheden zelf om, binnen de eventueel door de provincies te stellen te stellen regels, te bepalen welke organisaties deelnemen aan vergaderingen van het bestuur.

  1. De leden van de PvdD-fractie vragen of provinciale staten per verordening mogen regelen dat de jacht op de wildsoorten niet wordt toegestaan en dat af- schot te allen tijde via het spoor van beheer een schadebestrijding dient te verlopen.

Het voorgestelde artikel 3.22, vierde lid, geeft gedeputeerde staten van provin- cies de bevoegdheid om de jacht te sluiten als bijzondere weersomstandigheden dat vergen. Buiten die situatie beschikken provincies niet over de bevoegdheid om de jachthouder zijn recht op het uitoefenen van de jacht te ontzeggen.

  1. De leden van de PvdD-fractie stellen dat het wetsvoorstel het handelen in strijd met het faunabeheerplan strafbaar stelt en dat het faunabeheerplan niet wordt gemaakt door een democratisch gecontroleerd orgaan, maar door de fau- nabeheereenheid. Deze leden vragen naar de achtergrond van dit voorstel.

Anders dan de leden van de PvdD-fractie stellen, is het handelen in strijd met een goedgekeurd faunabeheerplan op grond van dit wetsvoorstel geen strafbaar feit. Het oorspronkelijke wetsvoorstel zoals dat was ingediend bij de Tweede Kamer voorzag wel in een strafbaarstelling, maar die is geschrapt bij amende- ment.51

50           Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3, blz. 164.

  1. De leden van de PvdD-fractie vragen of een faunabeheerplan een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Ook vragen zij naar vergelijkbare juridische figuren in de Nederlandse wetgeving. Verder vragen deze leden hoe openbaarheid van en inspraak en beroep op faunabeheerplannen zijn gewaar- borgd, in hoeverre de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing op open- baarmaking van (onderdelen van) faunabeheerplannen en zo niet, hoe dan het democratisch controleproces verloopt.

De goedkeuring van het faunabeheerplan door gedeputeerde staten is een be- sluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van die wet moeten gedeputeerde staten bij de voorbereiding van een dergelijk besluit kennis verga- ren over de relevante feiten en de af te wegen belangen; gedeputeerde staten kunnen in dat kader besluiten belanghebbenden of deskundigen te horen. Het democratische controleproces is geborgd in de relatie tussen provinciale staten

en gedeputeerde staten van de provincies. De huidige Flora- en faunawet voor- ziet in dezelfde eis. Vergelijkbaar hiermee zijn bijvoorbeeld de beheerplannen voor Natura 2000-gebieden, die worden vastgesteld door gedeputeerde staten, en de gedragscodes, die worden goedgekeurd door de Minister van Economische Zaken.

De toetsing van een faunabeheerplan door een rechter geschiedt op verschillen-

de wijze, al naar gelang het onderdeel. Voor zover het faunabeheerplan betrek- king heeft op populatiebeheer, geschiedt toetsing via de ontheffing voor popula- tiebeheer of de opdracht tot populatiebeheer. Het goedkeuringsbesluit is dan te beschouwen als een voorbereidend besluit, waar op grond van artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht geen zelfstandig bezwaar en beroep tegen mogelijk is.52 Voor zover het faunabeheerplan betrekking heeft op de schadebestrijding door grondgebruikers of de uitoefening van de jacht, is het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten te beschouwen als een zelfstandig besluit, waar op grond van de Algemene wet bestuursrecht bezwaar en beroep tegen open staat. Gedeputeerde staten zijn een bestuursorgaan in de zin van de Wet openbaarheid van bestuur. Die wet is dan ook van toepassing op schriftelijke stukken met betrekking tot het faunabeheerplan die bij gedeputeerde staten berusten.

  1. 87. De leden van de PvdD-fractie vragen waarom ervoor is gekozen jachthou- ders, die belang hebben bij de jacht, zelf gegevens te laten aandragen voor het

51           Kamerstukken II 2014/15, 33 348, nr. 107.

52           ABRS van 28 september 2005, zaaknr. 200502140/1, ro. 2.5 en 2.6.

afschotplan en welke garanties er zijn dat provinciale staten bij hun beoordeling van het faunabeheerplan en het daarin opgenomen afschotplan, over gegevens kunnen beschikken die door andere personen zijn aangedragen.

Bij het opstellen van het faunabeheerplan wordt niet alleen gebruik gemaakt van de verplicht door jagers te overleggen afschotgegevens (voorgesteld artikel

3.14, eerste lid) maar ook van de door eenieder vrijwillig te verstrekken schat- tingen, trends en – waar redelijkerwijs mogelijk – tellingen. Het onderdeel fau- nabeheer van het faunabeheerplan, op basis waarvan ontheffingen worden ver- leend, moet worden onderbouwd met tellingen (voorgesteld artikel 3.12, vijfde lid).

Gedeputeerde staten kunnen informatie uit alle beschikbare bronnen gebruiken

bij het formuleren van hun faunabeleid en bij het beoordelen van een faunabe- heerplan dat ter goedkeuring voorligt.

  1. 88. De leden van de PvdD -fractie vragen of de regering bereid is te regelen dat alle verzamelde wild gegevens openbaar zijn. Zij vragen of de provincies dat onder de huidige vigerende wet- en regelgeving hebben.

De faunabeheerplannen en de daaraan ten grondslag liggende gegevens, zijn openbaar (voorgesteld artikel 3.12, zesde lid).

Wildbeheereenheden

  1. 89. De leden van de PvdD -fractie vragen waarom een extra wetsartikel over wildbeheereenheden is opgenomen in het licht van het decentralisatiebeleid en het streven naar eenvoud en deregulering. Zij vragen waarom wildbeheereenhe- den de rechtsvorm van een vereniging dienen te hebben.

In de praktijk spelen wildbeheereenheden een belangrijke rol bij de uitvoering van faunabeheer, schadebestrijding en jacht en bij het leveren van gegevens in het kader van wildtellingen. Het wetsvoorstel formaliseert die rol. Omdat het wetsvoorstel voorziet in de verplichting om de jacht uit te oefenen overeenkom- stig een faunabeheerplan, dienen de jachthouders samen te werken op lokaal niveau. Met het oog daarop is het van belang eisen te stellen aan de organisatie van deze samenwerkingsverbanden van jachthouders. De verenigingsvorm leent zich hier voor.

Voor de organisatie van wildbeheereenheden betekent het wetsvoorstel een

aantal veranderingen: jachthouders uit het werkgebied van een wildbeheereen-

heid dienen lid te worden van een wildbeheereenheid; grondgebruikers en ter- reinbeheerders kunnen van deze eenheid lid worden. Provincies kunnen ook nadere eisen stellen.

Schadebestrijding

  1. 90. De leden van de PvdD-fractie vragen waarom de landelijke vrijstelling be- houden blijft mede in relatie tot de decentralisatie van bevoegdheden naar pro- vincies en omdat de nut en noodzaak van schadebestrijding door een grondge- bruiker niet door een rechter kan worden getoetst. Ook stellen zij specifieke vragen met betrekking tot de bestrijding van schade door de vo

Het wetsvoorstel voorziet, net als de Flora- en faunawet, in een lijst van dier- soorten die landelijk schade veroorzaken en in een vrijstelling van de verboden ten behoeve van schadebestrijding door grondgebruikers op landelijk niveau. Dit omdat het gaat om soorten die een provinciegrensoverstijgend probleem vor- men zodat een effectieve aanpak veelal het beste werkt als deze in alle betrok- ken provincies gelijk is.53 De provincies hebben in hun commentaren op het oor- spronkelijk wetsvoorstel54 en op de ontwerpnota van wijziging55 aangegeven dat zij deze landelijke lijst niet nodig achten, althans dat die lijst zo beperkt mogelijk moet worden gehouden.

In de huidige wetgeving is de vos geplaatst op de landelijke vrijstellingslijst.56

Dit op herhaald verzoek van de toenmalige vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van de Tweede Kamer57 vanwege zijn aandeel overal te lande in schade aan fauna en met name in de teruglopende stand van weide- vogels.58 Tijdens het algemeen overleg met de vaste commissie voor Economi- sche Zaken van de Tweede Kamer van 14 mei 2014 heb ik aangegeven dat wanneer de Tweede Kamer hier nu, na verloop van tijd, anders over denkt, ik

bereid ben tot een debat hierover.59

53           Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3, blz. 167.

54           Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3, blz. 167.

55           Kamerstukken II 2013/14, 33 348, nr. 5, blz. 49.

56           Artikel 65, eerste lid, van de Flora- en faunawet en bijlage 1 bij het Besluit beheer en schadebestrijding dieren.

57           Kamerstukken II 2002/03, 28 600-XIV nrs. 12 en 17.

58           Zie blz. 7 van de nota van toelichting bij het besluit van 26 januari 2006, houdende wijziging van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren in verband met de her- nieuwde vaststelling van bijlagen 1 en 2 van het Besluit beheer en schadebestrij- ding dieren (Stb. 42).

59           Zie voor de achtergronden van de plaatsing van de vos op de landelijke vrijstel- lingslijst: Kamerstukken II 2013/14, 28 286, nr. 734 en Kamerstukken II 2014/15,

29 446, nr. 90).

Beheer

  1. 91. De leden van de PvdD-fractie vragen waarom jagers op grond van dit wets- voorstel ten behoeve van de beperking en omvang van een dierenpopulatie be- palen in hoeverre er sprake is van onder meer ernstige landbouwschade, volks- gezondheidsrisico’s en het belang van de openbare veiligheid.

Het is aan gedeputeerde staten en niet aan de jachtaktehouders om bij het be- sluit tot verlening van ontheffing te bepalen of één van de wettelijk genoemde belangen op grond waarvan populatiebeheer is toegestaan, aan de orde is.

  1. 92. De leden van de PvdD-fractie vragen waarom het wetsvoorstel voorziet in verschillende regime

De drie regimes verschillen in de voorwaarden die gelden en de personen die bevoegd zijn tot uitoefening ervan: de grondgebruiker (schadebestrijding; voor- gesteld artikel 3.15), de faunabeheereenheid (populatiebeheer; voorgestelde artikelen 3.17 en 3.18) en de jachthouder (jacht; voorgesteld artikel 3.20). Ik ben van oordeel dat al deze instrumenten hun waarde hebben in het faunabe- leid; het schrappen van instrumenten zou de praktijk eerder bemoeilijken dan vergemakkelijken. Dat neemt niet weg dat afstemming in de planning en uitvoe- ring nodig is; het faunabeheerplan is daar het instrument voor. De provincies kunnen op die planning en uitvoering sturen, door hun bevoegdheid om regels te stellen over de inhoud van faunabeheerplannen (voorgesteld artikel 3.12, ne- gende lid) en door hun bevoegdheid tot goedkeuring van het faunabeheerplan (voorgesteld artikel 3.12, zevende lid).

  1. 93. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen op basis van welke gegevens de regering van mening is dat het gebruik van de ontheffing door de provincies effectief is gebleken, onder verwijzing naar de aanpak van de gan- zenpopulatie.

De ganzenpopulatie, met name van de Grauwe gans, is de afgelopen jaren sterk gestegen. Zo sterk, dat zelfs de veiligheid van de luchtvaart rond luchthavens, zoals Schiphol, in het geding is gekomen. Met het oog op de luchtvaartveiligheid is het noodzakelijk gebleken om grote aantallen ganzen te doden met CO2.60 In en rondom luchthaven Schiphol is deze aanpak de afgelopen drie jaar toegepast.

Uit de eerste monitoringen blijkt deze aanpak succesvol te zijn. De toelatings-

60           Zie onder andere Alterra-rapport 2445 (“Populatiemodel voor de Grauwe gans”),

2013.

procedures voor het gebruik van CO2-gas zijn inmiddels afgerond, waardoor vergassing ook elders in Nederland kan plaatsvinden, op basis van ontheffingen van gedeputeerde staten.

Wildlijst

  1. 94. De leden van de PvdD-fractie vragen of de jacht alleen in het kader van schadebestrijding en beheer zal worden ingezet of dat er nog andere doelen zijn. Deze leden vragen om een overzicht van de nauwkeurig omschreven doelstellin- gen bij jacht.

Het jachtregime voorziet in publiekrechtelijke beperkingen aan de uitoefening van het recht van de jachthouder om op zijn jachtveld te jagen. De eis dat hij een redelijke wildstand in zijn jachtveld handhaaft of zo nodig bereikt (voorge- steld artikel 3.20, derde lid), is in het belang van populatiebeheer en ter voor- koming van schade.

  1. 95. De leden van de PvdD-fractie vragen waarom er is gekozen voor verschillen- de definities voor het met het geweer doden van dieren, in hoeverre dit de toe- pasbaarheid en handhaafbaarheid van de wet aantast en hoe wordt voorkomen dat de uitleg van internationale verdragen zoals het Benelux-verdrag gecompli- ceerd wordt door begripsverwarring rond het van toepassing zijn van bepalingen van dat verdrag op onderscheiden activiteiten als jacht, schadebestrijding of populatiebehee

Het wetsvoorstel maakt een onderscheid tussen de verschillende regimes voor populatiebeheer, schadebestrijding door de grondgebruiker en de uitoefening

van de jacht. Het voorziet anders dan de huidige Flora- en faunawet, in een uni- forme regeling ten aanzien van het gebruik van het geweer. Wel is het mogelijk om bij het verlenen van ontheffingen of vrijstellingen, bijvoorbeeld in het kader van schadebestrijding of populatiebeheer, af te wijken van deze hoofdregels (voorgesteld artikel 3.26, derde lid).

De Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming61

heeft alleen betrekking op de uitoefening van de jacht, niet op het gebruik van het geweer ten behoeve van schadebestrijding of populatiebeheer.62

61           Overeenkomst van 10 juni 1970 (Trb. 1970, 155).

62           Beschikking van het Benelux Comité van Ministers van 5 maart 2014 tot instem- ming met de toepassing van artikel 13, lid 1 van de Benelux-Overeenkomst M (70)

7 op het gebied van de jacht en de vogelbescherming, M (2014)3 (Kamerstukken II

2013/14, 29 446, nr. 87).

  1. 96. De leden van de PvdD-fractie vragen waarom het voor de jacht op konijnen, hazen, wilde eenden, houtduiven en fazanten niet nodig is dat er een noodzaak voor het doden van dieren in het wild moet worden aangetoond en voor andere dieren wel.

Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag nr. 11, waarin ik de achtergrond van het

Nederlandse jachtregime heb beschreven.

  1. 97. De leden van de PvdD-fractie vragen de regering of zij bekend is met de wetenschappelijk publicaties van Henning Noer en Jesper Madsen (bijvoorbeeld Noer, Madsen en Hartmann in het Journal for applied Ecology (2007) 44, p

653–662) over de verwondingen die het doden van dieren in het wild aanricht.

Zij vragen of de regering het leed ontkent dat dieren bij de jacht wordt aange- daan en hoe het doden van dieren zonder vooraf aangetoonde absolute nood- zaak zich verhoudt tot de erkenning van de intrinsieke waarde van dieren. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken verder op dat diverse weten- schappelijke publicaties laten zien dat de jacht een negatief effect heeft op na- tuurwaarden. Zij vragen of de regering zich bewust is van de spanning tussen natuurwaarden en jacht. Ook constateren de leden van deze fractie dat het af- schotplan volgens de regering de waarborg versterkt dat de jachthouder nega- tieve effecten op de natuur voorkomt (Kamerstuk 33827 nr. 4). De negatieve effecten op natuur blijken echter uit de wetenschappelijke literatuur inherent aan de jacht, aldus deze leden. Zij vragen of de regering kan uitleggen hoe het mogelijk is dat het afschotplan voorkomt dat jagers maar half raak schieten en de natuur verstoren, of de regering kan aangeven hoeveel kogels in de praktijk

worden afgevuurd om één dier dodelijk te raken en hoeveel dieren jaarlijks aan- geschoten worden door jagers en dus gewond in het veld achterblijven.

De publicaties van Noer en Madsen zijn mij bekend. Er zijn ook andere publica- ties, zoals die van Alterra,63 waarin staat dat vooral de voorjaarsjacht in Rusland een oorzaak zou kunnen zijn van het feit dat ganzen hagelkorrels in hun spier- weefsel meedragen en bovendien dat ganzen hoe dan ook nauwelijks last leken te hebben van de hagel.

Wat hier ook van zij, mede vanwege de intrinsieke waarde van het dier is wette- lijk vereist dat bij het doden van dieren wordt voorkomen dat dieren onnodig lijden, of het nu gaat om uitoefening van de jacht, populatiebeheer of schadebe-

strijding door grondgebruikers (voorgesteld artikel 3.24, eerste lid). Bovendien

63           B.S. Ebbinge, D.A. Kleijn, G.J.D.M. Müskens en C.A. Polderdijk, 2008. Onderzoek naar Ganzentrek en het voorkomen van vogelgriep, Wageningen, Alterra-Rapport

2055, blz. 66 en 68.

dient degene die het geweer gebruikt, met gunstig gevolg het jachtexamen te hebben afgelegd (voorgesteld artikel 3.28, tweede lid, onderdeel a). Daarvoor dient hij theoretische kennis en praktische vaardigheid op te doen, met het oog op het dierenwelzijn, het belang van de natuur en de veiligheid van de mens. Jagers beschikken dus over de nodige kennis en kundigheid bij het uitvoeren van noodzakelijk afschot. Bovendien riskeert degene die zich niet aan de wette- lijke regels houdt, strafrechtelijke vervolging en intrekking van de jachtakte. Gegevens over het gebruik van munitie in de praktijk heb ik niet voorhanden.

  1. 98. De leden van de PvdD-fractie kunnen de stelling van de regering dat de jacht het voor de soort noodzakelijke populatiebeheer kan ondersteunen niet volgen. Zij vragen naar de wetenschappelijke basis hiervoor en waarom op de wildlijst alleen eetbare soorten en soorten waarvan trofeeën te maken zijn, staan en waarom bijvoorbeeld geen roodborstjes, mezen, winterkoninkjes, korenwolven, roofvogels en spitsmuizen.

De voorgestelde wildlijst continueert de huidige wildlijst, met uitzondering van de patrijs. Op deze lijst zijn alleen soorten opgenomen die mede om reden van benutting worden bejaagd en die bovendien algemeen voorkomen en bejaging verdragen. Ik zou mij niet kunnen voorstellen dat benutting van roodborstjes, mezen, winterkoninkjes, korenwolven, roofvogels en spitsmuizen een realiteit wordt.

  1. 99. De leden van de PvdD-fractie vragen wat de verschillende vereisten zijn voor de jacht, tegenover schadebestrijding of behee Zij vragen tevens of het moge- lijk is om een faunabeheerplan of een afschotplan te laten toetsen door een rechter en of het mogelijk is om een ontheffing of een vrijstelling te laten toet- sen door een rechter.

In de bijlage bij deze memorie van antwoord is een overzicht opgenomen van de wettelijke vereisten ten aanzien van de uitoefening van de jacht, het populatie- beheer en schadebestrijding door grondgebruikers. Op de toetsing van faunabe- heerplannen ben ik ingegaan in mijn antwoord op vraag nr. 22

  1. 100. De leden van de PvdD-fractie vragen wat een “bovenmatige wildstand” is en hoe de regering de uitkomsten van het Alterra-onderzoek beoordeelt over de telling van dieren.

Op grond van het voorgestelde artikel 3.20, derde lid, is de jachthouder verplicht om in zijn jachtveld een redelijke wildstand te handhaven of te bereiken. Het begrip “bovenmatige” wildstand is geen wettelijk begrip. Deze term refereert

aan de situatie dat er geen sprake is van een redelijke wildstand.

Of een wildstand als “bovenmatig” moet worden aangemerkt, hangt af van de situatie in en om het desbetreffende jachtveld. De jachthouder zal, met inacht- neming van de schadehistorie, de draagkracht van aanwezige populaties en de behoeften van grondgebruikers binnen zijn jachtveld en van de directe omge- ving, bezien welke wildstand redelijk in zijn jachtveld is. Wanneer de feitelijke stand hoger is dan het niveau van een redelijke wildstand, is er sprake van een bovenmatige wildstand.

Ten aanzien van het Alterra-onderzoek waarnaar de leden van de PvdD-fractie

verwijzen, verwijs ik naar mijn antwoorden op vragen van het lid Thieme van de Tweede Kamer over de betrouwbaarheid van aantalsschattingen van ganzen en andere watervogelsoorten van 30 september 2014.64 Zoals ik de Tweede Kamer heb gemeld, zijn de aantallen vogels die door wildbeheereenheden zijn aangele- verd, vergeleken met door anderen aangeleverde aantallen. De schattingen van wildbeheereenheden komen veelal hoger uit omdat zij in het gehele land schat- tingen uitvoeren, wat tot een overschatting leidt. Ook telden de wildbeheereen- heden vliegende watervogels mee, wat invloed was op de resultaten. Aan de andere kant kan de methode van Sovon Vogelonderzoek Nederland in sommige gevallen tot een onderschatting leiden. Het blijkt dat soorten als nijlgans, knob- belzwaan en Canadese gans voorkomen buiten de gebieden waar Sovon Vogel- onderzoek Nederland zijn tellingen verricht, waardoor zij niet zijn meegeteld.

Redelijke wildstand

  1. 101. De leden van de PvdD-fractie vragen hoe de redelijke wildstand wordt be- paald en waarom dit wel voor konijnen en hazen geldt, en voor spitsmuizen en marters niet. Deze leden vinden dit een achterhaald begrip en vragen om af- schaffing ervan.

De eis van een redelijke wildstand maakt onderdeel uit van het voorgestelde jachtregime. Afschaffing ervan, zoals de leden van de PvdD-fractie voorstellen, van het jachtregime is niet aan de orde.

Bij een redelijke wildstand in een jachtveld is het niveau van de wildstand zoda- nig dat zij bijdraagt aan het voorkomen van schade zonder dat de staat van

instandhouding van de soort daar onder te lijden heeft. Het is in eerste instantie

64           Vergaderjaar 2014-2015, aanhangselnummer 140.

aan de jachthouder om te bepalen wat een redelijke wildstand in de praktijk betekent. De jachthouder zal deze informatie bij de faunabeheereenheid aanle- veren ten behoeve van het opstellen van het faunabeheerplan.

De voorgestelde eis van een redelijke wildstand geldt alleen voor de wildsoorten waarop de jacht kan worden geopend, te weten fazant, wilde eend, houtduif, haas en konijn. Spitsmuizen en marters zijn geen wildsoorten.

Jacht in Natura 2000-gebieden

  1. 102. De leden van de PvdD-fractie vragen waarom het wetsvoorstel de jacht in Natura 2000-gebieden mogelijk maakt, mede gelet op mogelijke aansprakelijk- stellingen tussen omwonenden en beheerders van natuurgebieden.

Ik verwijs ten algemene naar mijn antwoord op vraag nr. 55. Ten aanzien van de aansprakelijkheid merk ik op dat ingeval het beheerplan – in combinatie met het daarop afgestemde faunabeheerplan – er toe zou leiden dat een jachthouder geen redelijke wildstand zou kunnen bewerkstelligen, die jachthouder niet aan- sprakelijk zijn voor de schade als gevolg van wild. Op eventuele tegemoetko- mingen in geleden schade is dan het voorgestelde artikel 6.1 van toepassing.

Ganzenbeheer

  1. 103. De leden van de PvdD-fractie vragen of de regering bereid is om ruimte te maken voor een andere aanpak van de ganzenproblematiek.

De aanpak van de ganzenproblematiek is een verantwoordelijkheid van de pro- vincies.

Middelen voor het vangen of doden

  1. 104. De leden van de PvdD-fractie vragen of de regering bereid is de middelen voor het vangen en doden van dieren in het wetsvoorstel zelf aan te wijzen in plaats van bij algemene maatregel van bestuur.

Het wetsvoorstel voorziet in verboden op het gebruik van bepaalde middelen:

het verbod op het gebruik van niet-selectieve middelen (voorgestelde artikelen

3.4 en 3.9), het verbod op niet wettelijk aangewezen jachtmiddelen (voorgesteld artikel 3.24) een positieve lijst van middelen voor het vangen en doden van vogels (voorgesteld artikel 3.3, vijfde lid) bij algemene maatregel van bestuur

kan een negatieve lijst van middelen worden vastgesteld (voorgesteld artikel

3.24, tweede en vierde lid).

Voor de schadebestrijding en het populatiebeheer is het wenselijk dat in de praktijk maatwerk kan worden geboden bij de keuze van middelen om te vangen en te doden met het oog op een effectieve aanpak en het voorkomen van onno- dig leed voor dieren. Met het oog daarop regelt het wetsvoorstel dat de bij popu- latiebeheer in de ontheffing of opdracht door gedeputeerde staten wordt bepaald welke middelen mogen worden gebruikt (voorgesteld artikel 3.25, eerste lid).

Om dezelfde redenen is voor schadebestrijding geregeld dat de te gebruiken middelen bij ministeriële regeling en provinciale verordening worden aangewe- zen, al naar gelang het gaat om een dier van een soort die in het hele land schade veroorzaakt of in delen van het land (voorgesteld artikel 3.25, tweede lid).

  1. 105. De leden van de PvdD-fractie vragen om een verbod op het bezit en ge- bruik van halfautomatische wapens en munitie door particulieren en vragen hoe bij een gebrek aan een dergelijk verbod een adequaat toezicht mogelijk i Hier- bij vragen deze leden aandacht voor de rol van de jachtopzichters.

In de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn semiautomatische en automatische wapens waarvan het magazijn meer dan twee patronen kan bevatten, aangewe- zen als verboden niet-selectieve middelen voor het doden van vogels en dieren van soorten van Europees belang. Deze verboden zijn geïmplementeerd in het wetsvoorstel (voorgestelde artikelen 3.4, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, en

3.9, eerste lid, onderdeel a). Voorts eist de Benelux-beschikking inzake geweren en munitie65 een verbod op deze wapens en voorziet zij in regels over het ge- bruik van geweren en munitie. Aan deze internationale verplichting wordt thans uitvoering gegeven in het Jachtbesluit en het Besluit beheer en schadebestrij- ding dieren. Op grond van dit wetsvoorstel, eenmaal wet, zal hieraan uitvoering worden gegeven bij algemene maatregel van bestuur krachtens het voorgestelde artikel 3.24, vierde lid.

Op de taak van de jachtopzichter ben ik ingegaan in mijn antwoord op vraag nr.

26.

65           Artikel 1, eerste gedachtestreep, van de beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie van 24 september 1984 strekkende tot de limita- tieve opsomming van de te bezigen geweren en munitie bij de jacht op de onder- scheiden wildsoorten (Trb. 1987, 2). Dit verbod is op dit moment geïmplementeerd in artikel 12 van het Jachtbesluit en artikel 7 van het Besluit beheer en schadebe- strijding, krachtens de huidige Flora- en faunawet.

  1. 106. De leden van de PvdD-fractie vragen waarom de jacht met vogels niet is verboden en of de regering voornemens is bij algemene maatregel van bestuur meer vogelsoorten aan te wijzen dan de huidige twee vogelsoorten die in de Flora- en faunawetzijn toegestaan, waaronder niet-inheemse vogelsoorten.

Er zijn goede redenen om de valkerij, een cultuur-historisch fenomeen dat door UNESCO is erkend,66 toe te staan. Zo kan het gebruik van vogels een goed al- ternatief zijn voor het geweer. Het welzijn van de gebruikte vogels is niet in het geding, omdat de vogels worden “gevlogen” en niet worden gehouden in voliè- res. Door het “meester-gezel-model” dat onder valkeniers gebruikelijk is, is er bovendien voorzien in een adequate opleiding van nieuwe valkeniers. Aangezien het aantal valkeniers beperkt is, is de sociale controle binnen de groep op een adequate uitoefening van het vak groot.

Uit de aangehaalde evaluatie van de natuurwetgeving is gebleken dat het wen- selijk en mogelijk is om het aantal toegestane jachtvogels uit te breiden. Het wetsvoorstel biedt hiervoor de basis: voor de uitoefening van de jacht,67 voor populatiebeheer68 en schadebestrijding door grondgebruikers.69

Het is mijn inzet om voor de uitoefening van de jacht de huidige twee aangewe- zen soorten te continueren, te weten de slechtvalk en de havik.70

Voor schadebestrijding en populatiebeheer is het wenselijk om andere vogel- soorten te gebruiken, bijvoorbeeld omdat voor de bestrijding van overlast door meeuwen binnen de bebouwde kom de slechtvalk en de havik niet het meest geschikt zijn. Ook het gebruik van uitheemse vogels is daarbij mogelijk. Om hybridisatie te voorkomen zullen alleen vogels van een uitheemse soort worden aangewezen die in voldoende mate voorhanden zijn uit fok in gevangenschap, zodat de betreffende vogels gewend zijn aan gevangenschapscondities. Boven- dien zullen die soorten bekend moeten staan als “gehoorzaam”, zodat de kans op ontsnapping tot een minimum wordt beperkt; ook moeten de vogels kunnen vliegen zonder prooi te slaan.

Met het oog daarop ben ik voornemens in de ministeriële regeling ter aanwijzing

van middelen die mogen worden gebruikt voor de bestrijding van diersoorten die

66           Tijdens de vijfde bijeenkomst van het Intergouvernementeel Comité voor de Be- scherming van het Immaterieel Cultureel Erfgoed, Nairobi (Kenia) van 15 tot 19 november 2010.

67           Voorgesteld artikel 3.19, eerste lid, onderdeel c: aanwijzing bij algemene maatregel van bestuur.

68           Voorgesteld artikel 3.23, eerste lid: gedeputeerde staten bepalen bij de ontheffing of opdracht of vogels als middel mogen worden gebruikt en zo ja, welke soorten.

69           Voorgesteld artikel 3.23, tweede lid: bij ministeriële regeling of provinciale verorde- ning.

70           Artikel 50, eerste lid, onderdeel c, van de Flora- en faunawet.

in het gehele land schade veroorzaken, haviken, slechtvalken en woestijnbui- zerds aan te wijzen.71

Algemeen

  1. 107. De leden van de PvdD-fractie vragen naar voorbeelden van invasieve exo- ten die het uitsterven van een plant- of diersoort in Nederland hebben veroor- zaakt.

De meeste exoten vormen geen bedreiging voor de biodiversiteit, omdat de leefomstandigheden voor deze soorten in Nederland niet geschikt zijn of omdat ze geen schade veroorzaken. Het beleid richt zich op de relatief kleine groep van invasieve exoten die wel schadelijk zijn. In Nederland is schade aan de inheemse fauna veelal lokaal en regionaal van aard. Voorbeelden zijn de zonnebaars, de Italiaanse kamsalamander, de Amerikaanse rivierkreeft en de Turkse rivier- kreeft. Ook kan de Pallas’ eekhoorn worden genoemd, die de gewone rode eek- hoorn verdringt door zijn agressieve gedrag.

Er zijn niet alleen invasieve diersoorten maar ook invasieve plantensoorten, zo- als waterplanten die zo hard groeien, dat sloten, kanalen en kleine plassen dichtgroeien. Waterschappen zijn jaarlijks miljoenen euro’s kwijt aan de bestrij- ding van dergelijke invasieve planten. De Japanse duizendknoop, die aan een opmars bezig is, kan zelfs door muren en beton heen groeien en is zeer lastig te bestrijden.

  1. 108. De leden van de PvdD-fractie vragen of dieren van niet-beschermde soor- ten al dan niet zonder meer mogen gedood worden.

Dieren van soorten die niet expliciet worden genoemd in bijlage IV bij de Habi- tatrichtlijn, bijlage I of II bij het verdrag van Bern, bijlage I bij het verdrag van Bonn, of in de bijlage bij dit wetsvoorstel, mogen niet zonder meer worden ge- dood. Het wetsvoorstel voorziet in de eerste plaats in bescherming door middel van de voorgestelde zorgplicht (voorgesteld artikel 1.9). Verder worden dieren van deze soorten door het wetsvoorstel beschermd via het voorgestelde verbod op het toebrengen van onnodig lijden (voorgesteld artikel 3.24, eerste lid) en de krachtens het wetsvoorstel te stellen verboden op het gebruik van middelen (voorgesteld artikel 3.24, tweede, derde en vierde lid). Voorts wijs ik erop dat het geweer ter uitvoering van dit wetsvoorstel enkel mag worden gebruikt in de

bij wet geregelde limitatieve gevallen, zoals de uitoefening van de jacht, het

71           Kamerstukken II 2014/15, 33 348, nr. 21, blz. 3.

populatiebeheer of schadebestrijding door grondgebruikers en de bestrijding van bij ministeriële regeling aangewezen verwilderde dieren of exoten (voorgesteld artikel 3.26, eerste lid, onderdeel d).

  1. 109. De leden van de PvdD-fractie vragen hoe de aangenomen motie (TK

33750-XIII, nr. 75) om het afschieten van verwilderde katten niet toe te staan, is verwerkt in het wetsvoorstel en of de jachthouder hier de vrije hand heeft om op zijn terrein katten te doden.

De bestrijding van verwilderde katten met het geweer is alleen toegestaan op grond van een opdracht van gedeputeerde staten (voorgestelde artikelen 3.26, eerste lid, onderdeel d, onder 3°, en 3.18, vierde lid). Het is aan gedeputeerde staten om in de praktijk invulling te geven aan deze bevoegdheid.

  1. 110. De leden van de PvdD-fractie vragen naar de actualiteit van de Jachtnota uit 1992 en naar het juridisch karakter ervan, vanwege de passage in de nota dat dieren die leven binnen een omrasterd terrein dat kleiner is dan 5.000 hec- tare, gehouden dieren zijn.

De vraag of een dier van een inheemse als gehouden of als in het wild levend moet worden aangemerkt, is relevant ten aanzien van grote hoefdieren zoals het ree, het edelhert en het wilde zwijn. Over grote hoefdieren die leven in omhein- de gebieden niet groter dan 5.000 hectaren, zal in het algemeen kunnen worden gezegd dat zij niet leven in voor hun aard natuurlijke omstandigheden. Hetgeen in de nota Jacht en Wildbeheer72 hierover is gemeld, is derhalve nog steeds ac- tueel.

Preventie

  1. 111. De leden van de PvdD-fractie vragen waarom de regering ten aanzien van de preventie van exoten kiest voor instrumenten als convenanten en voorlichting in plaats van een verbod.

Artikel 3.39 van het wetsvoorstel bevat, net als de Flora- en faunawet, een ver- bod op het onder zich hebben en verhandelen van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen exoten. Het opleggen van verboden is evenwel een zwaar middel, dat alleen kan worden toegepast wanneer andere minder ingrijpende

middelen als voorlichting, preventie en het sluiten van convenanten niet effectief

72           Kamerstukken II 1992/93, 22 980, nr. 2.

zijn om de introductie van invasieve exoten in de Nederlandse natuur te voor- komen.

Een goed voorbeeld uit de praktijk van een effectieve aanpak zonder verboden is het convenant Waterplanten,73 waarin met de Unie van Waterschappen en orga- nisaties het bedrijfsleven (kwekers, tuincentra, dierenspeciaalzaken)74 afspraken zijn gemaakt over de kweek en verkoop van invasieve waterplanten.

Uitroeiing

  1. 112. De leden van de PvdD-fractie zijn van mening dat het exotenbeleid soms absurde vormen aanneemt. De witkopeend komt niet voor in Nederland, maar leeft rond het Middellandse Zeegebied. De eenden zijn daar zwaar bejaagd en verliezen veel van hun leefgebied. De rosse stekelstaart is een Amerikaanse eendensoort die in Nederland en omringende landen gehouden wordt. Deze die- ren ontsnappen soms en kunnen hier uitstekend overleven. De witkopeend en de rosse stekelstaart kruisen in landen als Spanje. De jonge

eendjes lijken vooral op de rosse stekelstaart en niet op de witkopeend en daar- om worden rosse stekelstaarten in heel Europa uitgeroeid. Deze leden vragen of de regering de mening deelt dat het absurd is om de eenden in Nederland dood te schieten omdat zij of nakomelingen van hen naar Spanje zouden kunnen gaan om daar te kruisen met de witkopeend.

De rosse stekelstaart is een uitheemse soort die hybridiseert met de bedreigde witkopeend. Hiermee vormt de rosse stekelstaart een risico voor het voortbe- staan van de witkopeend, waarvan de stand sterk is achteruitgegaan en die nog alleen in Zuid-Europa voorkomt. Bestrijding beperken tot die regio is niet effec- tief. Daarom is in het kader van de Conventie van Bern afgesproken75 om de populatie rosse stekelstaarten in heel Europa in het wild zoveel mogelijk te be- strijden ter bescherming van de witkopeend.

  1. 113. De leden van de PvdD-fractie vragen de regering te onderbouwen waarom zij verwacht dat er twee tot vijf uitroeiingsacties per jaar nodig zullen zijn. Zij

73           Convenant van 23 februari 2010 van de Minister van Landbouw, Natuur en Voed- selkwaliteit, de Unie van Waterschappen en onder meer de Nederlandse Bond van Boomkwekers te Bunnik en de Vereniging van Vasteplantenkwekers te Bunnik; zie https://www.vwa.nl/onderwerpen/meest-bezocht-a-z/dossier/invasieve- waterplanten/convenant-waterplanten.

74           De Unie van Waterschappen, de Nederlandse Bond van Boomkwekers, de Vereni- ging van Vasteplantenkwekers, AQUAFLORA BV, Waterplantenspecialist,

SONGROW, d’n Bart waterplantenkwekerij en adviesbureau, De Plomp BV, Vereni- ging Landelijke Organisatie Dibevo, Tuinbranche Nederland.

75           Conventie van Bern, Recommendation no. 149 (2010), AEWA, Vogelrichtlijn.

wijzen op de miljoenen verslindende bestrijding van de muskusrat. Ook vragen zij wat de financiële lasten voor de provincies zijn.

De twee tot vijf acties per jaar gaan om gevallen waarbij de populaties van inva- sieve exoten nog klein zijn, maar de risico’s voor de natuur, volksgezondheid en economie bij niet ingrijpen groter zullen zijn dan bij direct ingrijpen. In deze gevallen blijven de bestrijdingskosten relatief gering.

In internationaal en Europees verband wordt meer en meer aandacht gevraagd

voor de tijdige signalering en bestrijding van invasieve exoten vanwege de risi- co’s voor biodiversiteit, economie en volksgezondheid. Ik wijs op de aangehaal- de nieuwe Europese verordening inzake invasieve uitheemse soorten.

De verordening is op 1 januari 2015 in werking getreden en wordt effectief zodra

de Europese Commissie de zogenoemde Unielijst met invasieve exoten heeft vastgesteld. Dit zal zijn op 2 januari 2016. De implementatie van de verordening wordt door het Rijk ter hand genomen in samenwerking met de provincies en waterschappen.

De Tweede Kamer heeft eerder aangedrongen op extra investeringen in de uit- voering van het exotenbeleid. Dit betreft intensivering van eliminatieacties, ne- men van preventieve maatregelen en het ondersteunen van beheermaatregelen die provincies dienen uit te voeren. Hiervoor is een maximum van €2 miljoen per jaar gereserveerd voor onder andere risicoanalyses en uitroeiingsacties die in samenwerking met de provincies worden uitgevoerd.76

Op grond van artikel 3.37 van het wetsvoorstel zal worden geregeld dat de Mi-

nister van Economische Zaken wordt aangewezen als bevoegd gezag voor de uitvoering van de verordening. Het voorgestelde artikel 3.38, tweede lid, maakt het mogelijk om gedeputeerde staten te belasten met de uitvoering van maatre- gelen ter uitvoering van de verordening. Dit na overleg met gedeputeerde sta- ten, mede met het oog op de financiële consequenties voor provincies.

  1. 114. De leden van de PvdD-fractie vragen wie verantwoordelijk is voor de be- strijding van de muskusrat, de waterschappen of de provincie

Artikel 3.2a van de Waterwet legt de verantwoordelijkheid voor het voorkomen van schade aan de waterstaatswerken door de muskusrat en de beverrat – die beide worden beschouwd als exoten – bij de waterschappen. De waterschappen hebben daartoe de beschikking gekregen over de noodzakelijke financiële mid- delen. Waar de Waterwet deze taak bij de waterschappen neerlegt, is sprake

van een lex specialis ten opzichte van de in het onderhavige wetsvoorstel voor-

76           Zie Kamerstukken II 2014/15, 34 000 XIII, nr. 2, blz. 125 (18.3).

gestelde regeling over populatiebeheer. De waterschappen handelen overigens bij de uitoefening van hun bevoegdheden in overeenstemming met de Flora- en faunawet en straks het onderhavige wetsvoorstel, eenmaal wet, bijvoorbeeld de regels ten aanzien van de te gebruiken middelen voor het vangen en doden.

  1. 115. De leden van de PvdD-fractie vragen hoe ervoor wordt zorg gedragen dat gevestigde en inmiddels inheemse soorten niet voor de wet als invasieve exoot te boek blijven staan. Zij verwijzen hierbij naar de muskusrat en de nijlgan

Onder “exoten” worden verstaan soorten dieren en planten die niet van nature in Nederland voorkomen of zijn voorgekomen. Dit zijn soorten waarvan de die- ren of planten Nederland niet op eigen kracht hebben kunnen bereiken, maar door menselijke tussenkomst in Nederland zijn terechtgekomen. Dieren of plan- ten van soorten die Nederland op eigen kracht bereiken, bijvoorbeeld door kli- maatverandering, vallen dus buiten deze definitie. Soorten die ooit van nature voorkwamen in Nederland maar zijn uitgestorven, en weer worden geherintro- duceerd, zijn evenmin exoten. Onder het begrip “exoten” vallen ook soorten dieren of planten die Nederland op eigen kracht bereiken vanuit de ons omrin- gende landen, maar die aldaar door menselijke tussenkomst zijn binnengeko- men. Zonder deze menselijke tussenkomst waardoor zij in de nabijheid van Ne- derland zijn gekomen, zouden zij Nederland niet op eigen kracht Nederland heb- ben kunnen bereiken. De menselijke tussenkomst kan zowel intentioneel als

niet-intentioneel handelen betreffen.

De vraag wanneer een gevestigde exotische soort deel gaat uitmaken van de Nederlandse biodiversiteit en ophoudt een exotische soort te zijn, zal van geval tot geval moeten worden bezien. Het feit dat een soort in groten getale in Ne- derland aanwezig is, betekent overigens niet dat de soort daarmee als “in- heems” moet worden beschouwd. Een voorbeeld is de nijlgans, die inmiddels al tientallen jaren in Nederland als broedvogel is gevestigd. Deze heeft op grond van de Flora- en faunawet geen beschermde status, omdat het een exoot is. Dat verandert met dit wetsvoorstel niet. Hetzelfde geldt voor de muskusrat.

Probleemanalyse en instrumentkeuze

  1. 116. De leden van de PvdD-fractie vragen om duidelijk te maken dat de erken- ning van intrinsieke waarde niet alleen betrekking heeft op natuur in algemene zin, ecosystemen en soorten, maar ook op individuele exemplaren van soorten.

De intrinsieke waarde van de natuur, één van de beweegredenen voor de na- tuurwetgeving, heeft betrekking op de natuur in al haar verschijningsvormen.

Artikel 1.1

  1. 117. De leden van de PvdD-fractie vragen waarom een jachtopziener zowel be- schermer van de jachtbelangen van de jachthouder als buitengewoon opspo- ringsambtenaar i Zij vragen of de regering bereid is de jachtopziener anders te definiëren, zodanig dat die niet in dienst kan zijn van de jager of jachthouder, zodanig dat die niet zelf jager kan zijn en zodanig dat niet de belangen van de jachthouder leidend zijn, maar die van flora- en fauna.

De jachtopzichter heeft een dubbele taak: hij verzorgt het jachtveld van een jachthouder en is tevens buitengewoon opsporingsambtenaar. Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag nr. 26. Aan de opleiding, kennis en ervaring van jacht- opzichters worden strenge eisen gesteld, zowel ten aanzien van hun rol als jachtaktehouder (Flora- en faunawet en dit wetsvoorstel) als hun rol als opspo- ringsambtenaar (Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar). Ik zie geen reden om dit begrip anders te definiëren, zoals voorgesteld door de leden van de

PvdD-fractie.

Artikel 1.7

  1. 118. De leden van de PvdD-fractie vragen wat de verhouding is tussen de natio- nale natuurvisie en de provinciale natuurvisie en of de nationale natuurvisie een dwingend karakter heeft. Deze leden vragen verder of provinciale staten in de natuurvisie dienen aan te geven hoe zij omgaan met de bevoegdheden van de provincie die voortvloeien uit het wetsvoorstel, indien dat niet in andere beslui- ten van provinciale staten is beschreven.

De nationale natuurvisie en de provinciale natuurvisies bevatten de strategische hoofdlijnen van het te voeren beleid van respectievelijk het Rijk en de provincies op het vlak van natuur en landschap en binden alleen het desbetreffende be- stuursorgaan. De natuurvisies hebben dus geen doorwerking. Het wetsvoorstel schrijft de onderwerpen voor waarop de natuurvisies in elk geval betrekking hebben (voorgesteld artikel 1.5 voor de nationale natuurvisie; voorgesteld arti- kel 1.7 voor de provinciale natuurvisies).

Deze inhoud van de nationale en provinciale natuurvisies correspondeert met de eigen bevoegdheden, taken en verantwoordelijkheden van respectievelijk Rijk en provincies op het vlak van natuur en landschap.

De provinciale natuurvisie bevat de hoofdlijnen van het natuurbeleid van een provincie, waarbij de provincie in elk geval de hoofdlijnen beschrijft van haar beleid inzake actieve soortenbescherming en de totstandkoming en instandhou- ding van het natuurnetwerk Nederland (voorgesteld artikel 1.7, tweede lid, on- derdeel a). Voor het overige is het aan de provincie zelf om te besluiten over de inhoud van haar natuurvisie.

Artikel 1.10

  1. 119. De leden van de PvdD-fractie vragen of de intrinsieke waarde van de na- tuur als geheel wordt erkend en dat de intrinsieke waarde van elk levend wezen in de natuur en wellicht de biologische diversiteit eveneens worden erkend, of de intrinsieke waarde van de natuur, de biologische diversiteit, of van een in het

wild levend dier of in het wild groeiende plant dezelfde is, of wat de verschillen zijn en hoe die zich verhouden tot elkaar.

De intrinsieke waarde van de natuur, een van de beweegredenen voor de na- tuurwetgeving, heeft betrekking op de natuur in al haar verschijningsvormen.

  1. 120. De leden van de PvdD-fractie vragen of het mogelijk is dat in de marginale toetsing van de rechter, door een gebrekkige motivering van het bestuur, de intrinsieke waarde van de natuur een toetsingscriterium is voor de rechter, of

dat rechters alleen mogen toetsen aan de regels in de wet die een door de rege- ring geformuleerde uitwerking zijn van de intrinsieke waarde. Ook vragen deze leden naar de meerwaarde van het opnemen van het begrip in de wet wanneer dit laatste het geval is.

Een besluit dient altijd goed te zijn onderbouwd. Het wetsvoorstel voorziet voor de verschillende besluiten, zoals ontheffingen en vergunningen, in het afwe- gingskader, bijvoorbeeld de voorgestelde artikelen 2.8, 3.3, 3.8 en 3.10. Aan deze afwegingskaders ligt mede de intrinsieke waarde van de natuur ten grond- slag.

De verwijzing naar de intrinsieke waarde van de natuur in de voorgestelde doel- bepaling belichaamt een belangrijk uitgangspunt van mijn beleid en van dit wetsvoorstel. Zij biedt geen zelfstandige bevoegdheid om regels vast te stellen.

  1. 121. De leden van de PvdD-fractie vragen of de regering bereid is de bescher- ming van de intrinsieke waarde van dieren inhoud te geven door de instelling van een landelijke schoontijd waarin dieren gedurende draag-, zoog- en broed- tijd niet bejaagd mogen worden.

Op grond van het voorgestelde artikel 3.22, tweede lid, wordt bij ministeriële regeling bepaald in hoeverre de jacht op wild is geopend. Daarbij kan de opening van de jacht per soort naar plaats of tijd worden beperkt. Aldus kan maatwerk worden geboden77 en rekening worden gehouden met aspecten als de draag-, zoog- en broedtijd van wildsoorten. Dit in het belang van de bescherming van deze dieren, mede vanwege hun intrinsieke waarde.

Ten aanzien van de opening van de jacht op de fazant, de wilde eend en de houtduif geldt bovendien een wettelijke opdracht om de jacht niet te openen gedurende de verschillende fasen van de broedperiode, de periode dat de jonge vogels het nest nog niet hebben verlaten en gedurende de trek van trekvogels naar hun nestplaatsen (voorgesteld artikel 3.22, derde lid).

Artikel 1.12

  1. 122. De leden van de PvdD-fractie vragen of de inperking van de verplichting in het voorgestelde artikel 1.12 tot Europeesrechtelijk beschermde soorten terecht is, gegeven bijvoorbeeld het Biodiversiteitsverdrag en het Verdrag van Bern. Deze leden vragen of de regering bereid is het wetsvoorstel op dit punt aan te passen en deze bepaling uit te breiden naar alle soorten en habitat

De voorgestelde bepaling over actieve soortenbescherming heeft niet alleen betrekking op dier- en plantensoorten waarop de Vogelrichtlijn of de Habitat- richtlijn van toepassing is, maar ook op dier- en plantensoorten die met uitroei- ing zijn bedreigd of speciaal gevaar lopen (voorgesteld artikel 1.12, eerste lid, onderdeel c) die zijn opgenomen op een rode lijst. Daarmee bestrijkt deze voor- gestelde bepaling effectief alle soorten die actieve soortenbescherming behoe- ven, in lijn met het Biodiversiteitsverdrag en de verdragen van Bern en Bonn.

Artikelen 3.3, lid 2, en 3.8, lid 2

  1. 123. De leden van de PvdD-fractie vragen of de regering bereid is de bevoegd- heid tot het verlenen van vrijstellingen te schrappen.

77           Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3, blz. 172-173.

De Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn maken het mogelijk om afwijkingen van de verbodsbepalingen toe te staan voor groepen van gevallen, indien aan alle voorwaarden voor afwijking is voldaan. Het verlenen van vrijstellingen kan wen- selijk zijn vanuit het oogpunt van het beperken van regeldruk, omdat geen ont- heffingsaanvragen zijn vereist. Ik acht het schrappen van de bevoegdheid tot

het verlenen van vrijstelling dus niet gewenst. Het is aan het bevoegde gezag voor het verlenen van ontheffing of vrijstelling – in veel gevallen de provincies – om een afweging hieromtrent te maken.

Artikel 3.8, lid 7

  1. 124. De leden van de PvdD-fractie vragen hoe bij de toepassing van het voorge- stelde artikel 3.8, zevende lid, is geborgd dat een goede toetsing op nut en noodzaak van de maatregel plaatsvindt, hoe de afweging tussen verschillende belangen plaatsvindt.

Het voorgestelde artikel 3.8, zevende lid, bevat evenals het voorgestelde artikel

3.3, zevende lid, een vrijstelling van de verboden ter bescherming van dieren en planten van soorten van Europees belang, onderscheidenlijk vogels, voor activi- teiten die nodig zijn als instandhoudingsmaatregel of passende maatregel voor een Natura 2000-gebied. Bij dergelijke maatregelen is het belang van de be- scherming van flora en fauna een gegeven. De betrokkenheid van gedeputeerde staten, en in uitzonderingsgevallen het Rijk, bij de formulering van die maatre- gelen in het beheerplan of bij de toepassing van de in paragraaf 2.2 van dit wetsvoorstel opgenomen instrumenten, borgt een zorgvuldige afweging ter

zake.

Artikel 3.10, lid 2, sub b

  1. 125. De leden van de PvdD-fractie vragen wat onder “overlast” en “schade” wordt verstaan en welke mate van overlast en schade voldoende is om inbreuk te maken op de bescherming van dieren.

Bij “overlast” is er sprake van hinder, bijvoorbeeld geluidsoverlast of stank. Het begrip “schade” heeft betrekking op de vermindering van de waarde van een zaak. Bij de beoordeling van aanvragen van ontheffing en het nemen van besluit tot het verlenen van vrijstelling zal het bevoegd gezag moeten bezien of in de betrokken situatie aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan. Hierover kan

op voorhand geen inschatting worden gegeven.

Artikel 3.12

  1. 126. De leden van de PvdD-fractie zijn van oordeel dat het faunabeheerplan alleen wordt opgesteld door jachthouders en daarom niet objectief i Organisa- ties die andere belangen vertegenwoordigen hebben volgens deze leden geen stem in of invloed op de faunabeheerplannen.

Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag nr. 52, waarin ik ben ingegaan op de verbeteringen waarin dit wetsvoorstel voorziet met betrekking tot een transpa- rante totstandkoming van het faunabeheerplan. In het bestuur van de faunabe- heereenheid zijn op grond van dit wetsvoorstel ook andere belangen dan die van de jachthouder vertegenwoordigd. Bovendien wegen gedeputeerde staten bij het besluit over goedkeuring van het faunabeheerplan en het besluit over verlening van ontheffing voor faunabeheer ook andere belangen mee.

Artikel 3.18, lid 4

  1. 127. De leden van de PvdD-fractie vragen of met het oog op de intrinsieke waarde van dieren niet op zijn minst moet zijn aangetoond dat exoten of verwil- derde dieren belangrijke schade of gevaar veroorzaken voordat maatregelen tegen deze dieren worden genomen. Ook vragen zij of de regering van mening is dat ingrijpende maatregelen tegen exoten of verwilderde dieren, zoals het doden van deze dieren, uitsluitend moeten zijn toegestaan als er geen andere, minder ingrijpende maatregel voorhanden i Zij vragen de regering of zij bereid is dit

bij wet te regelen.

In het voorgestelde artikel 3.18, vierde lid, is geregeld dat de bevoegdheid van gedeputeerde staten om aan faunabeheereenheden, wildbeheereenheden of aan andere samenwerkingsverbanden de opdracht te geven om de omvang van po- pulaties te beperken ook van toepassing is ten aanzien van exoten en verwilder- de dieren. Het is aan gedeputeerde staten om de betrokken belangen af te we- gen, waaronder dat van de betrokken dieren zelf en dat van het voorkomen van schade. Uit de eis van evenredige besluitvorming volgt dat het bestuur altijd de minst vergaande maatregel zal treffen in verhouding tot het met het besluit te dienen doel (artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht). Gegeven de eigen verantwoordelijkheid van provincies acht ik een bepaling in het wetsvoorstel over de voorwaarden waaronder een dier wordt gedood ter beperking van de omvang van een populatie, niet wenselijk.

Artikel 3.23

  1. 128. De leden van de PvdD-fractie vragen of de regering bereid is om de voor- gestelde bepaling betreffende de jachthuurovereenkomsten te laten vervallen en meer vrijheid toe te kennen aan de vigerende eigenaar van gronden in het kader van vergroting van eigendomsvrijheid en vermindering van regeldruk.

De noodzaak voor het voorstel dat de jachthuurovereenkomst in stand blijft bij verkoop van de grond is gelegen in het feit dat een jachthouder – ook als hij het jachtrecht heeft gehuurd – een langjarig beheer moet kunnen voeren in zijn jachtveld, gericht op een redelijke wildstand. Een kortdurend beheer, bijvoor- beeld van een enkel jachtseizoen, brengt het risico van overbejaging met zich. Om die reden is voorgesteld dat een jachthuurovereenkomst – net als in de Flo- ra- en faunawet – een duur heeft van minimaal zes en maximaal twaalf jaren (voorgesteld artikel 3.23, eerste lid, onderdeel d). Verkoop van de grond mag

die langere duur niet doorkruisen. Zo wordt voorkomen dat meer opeenvolgende korte periodes van verhuur kunnen ontstaan. Het moment om de verhuur van

de jacht te beëindigen, is het einde van de jachthuurovereenkomst, die een

maximale duur van twaalf jaar heeft.

Artikel 5.3

  1. 129. De leden van de PvdD-fractie vragen of elke vergunning, ontheffing en vrijstelling gebonden moet zijn aan een geldigheidsduur, omdat de situatie van dieren in het wild aan continue verandering onderhevig is en of de regering be- reid is dit bij wet te regelen.

Of er aan een toestemmingsbesluit een geldigheidsduur wordt verbonden, zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld. Wanneer de mogelijke negatie- ve gevolgen van een activiteit op de lange termijn praktisch niet op voorhand kunnen worden beoordeeld, is het noodzakelijk de activiteit voor een beperkte duur toe te staan. Dit is aan het bevoegd gezag om te beoordelen. Voor de goe- de orde merk ik op dat het bevoegd gezag op grond van het wetsvoorstel be- voegd is tot het wijzigen of intrekken van het toestemmingsbesluit bij wijziging van omstandigheden of als passende maatregel ter bescherming van een Natura

2000-gebied (voorgesteld artikel 5.4, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid). Een wettelijke regeling zoals de leden van de Partij voor de Dieren-fractie voorstel- len, is overbodig.

Visserij

  1. 130. De leden van de PvdD-fractie vinden dat het wetsvoorstel vrijwel geen be- scherming biedt aan vissen en weekdieren en vragen om aanvullende bescher- mingsregels op nationaal niveau.

Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag nr. 49, waarin ik uiteen heb gezet hoe vissen en weekdieren in dit wetsvoorstel, in samenhang met andere Nederlandse en Europese regelgeving, adequaat worden beschermd.

Een aantal opmerkingen met betrekking tot de Flora- en faunawet

  1. 131. De leden van de PvdD-fractie menen dat de voorgestelde zorgplicht zich beperkt tot dieren en planten in Natura 2000-gebieden en vragen of de regering het met hen eens is dat hierdoor dieren en planten buiten die gebieden onder druk komen te staan.

Het voorgestelde artikel 1.11 heeft, anders dan de leden van de PvdD-fractie stellen, ook betrekking op dieren en planten buiten Natura 2000-gebieden.

  1. 132. De leden van de PvdD-fractie stellen dat op grond van het wetsvoorstel nesten en rustplaatsen van zoogdieren, amfibieën, vissen en reptielen verstoord en weggenomen mogen worden.

Op grond van het voorgestelde artikel 3.10, eerste lid, onderdeel b, is het ver- boden vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van soorten, genoemd in de bijlage bij het wetsvoorstel, opzettelijk te beschadigen of weg te nemen. In de bijlage zijn alle van nature in het wild in Nederland voorkomende soorten van zoogdieren, amfibieën en reptielen opgenomen die niet worden beschermd door het regime van de Habitatrichtlijn of de verdragen van Bern of Bonn. Voor de andere in de bijlage genoemde diersoorten zijn alleen die soorten opgenomen die in de praktijk ook daadwerkelijk. baat hebben tegen bescherming door deze voorgestelde verboden.

Het wegnemen is dus, anders dan de leden van de PvdD-fractie stellen, wel ver- boden.

  1. 133. De leden van de PvdD-fractie vragen of het strafbaar is een nest van vogels opzettelijk te verstoren als dit niet kan worden aangetoond.

Op grond van artikel 338 van het Wetboek van Strafvordering kan iemand alleen veroordeeld worden voor een strafbaar feit als de strafrechter op basis van wet- tig en overtuigend bewijs kan aannemen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.

  1. 134. De leden van de PvdD-fractie vragen of ingeval de natuurtoets plaatsvindt bij de verlening van een omgevingsvergunning, er vrijheid is om bouwwerk- zaamheden uit te voeren zonder rekening te houden met dieren.

Bij de beoordeling van een aanvraag van een omgevingsvergunning gelden de- zelfde regels ten aanzien van de toetsing van de gevolgen voor de desbetreffen- de activiteit voor Natura 2000-gebieden en voor dieren en planten van be- schermde soorten als bij een separate vergunning op grond van dit wetsvoorstel, eenmaal wet. Ik wijs op het voorgestelde artikel 10.8, onderdeel E, dat voorziet in een voorstel tot introductie van vier nieuwe bepalingen (artikelen 2.17a,

2.17b, 2.17c en 2.17d) in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht die dit waarborgen.

  1. 135. De leden van de PvdD-fractie vragen of het wetsvoorstel ten opzichte van de huidige wet in meer mogelijkheden voorziet om steenmarters, meeuwen en andere ‘lastige’ dieren te doden.

Nieuw in dit wetsvoorstel ten opzichte van de Flora- en faunawet is dat aan ge- meenten vrijstelling kan worden verleend voor het bestrijden van overlast (voorgesteld artikel 3.16). De Minister van Economische Zaken kan vrijstelling verlenen voor de bestrijding van dieren van soorten die landelijk overlast ver- oorzaken, provinciale staten kunnen deze vrijstelling verlenen voor dieren die in hun provincie overlast veroorzaken.

Voor het doden van vogels gelden op grond van de Flora- en faunawet en dit wetsvoorstel dezelfde voorwaarden. Deze volgen uit de Vogelrichtlijn.

Voor dieren van soorten die vallen onder de Habitatrichtlijn, het verdrag van Bern of van Bonn, is het doden alleen toegestaan onder de voorwaarden van de Habitatrichtlijn.

Voor andere diersoorten die niet vallen niet onder de reikwijdte van de Habitat- richtlijn, het verdrag van Bern of Bonn, zoals de steenmarter, voorziet voor het wetsvoorstel in een verbod op het doden (voorgesteld artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a) en staat het, vergeleken met de Habitatrichtlijn, een groter aantal redenen toe om tot bestrijding over te gaan, zoals het voorkomen van schade en overlast (voorgesteld artikel 3.10, tweede lid, onderdeel b).

  1. 136. De leden van de PvdD-fractie vragen of dieren als edelherten, hazen, egels, eekhoorns, dassen, boommarters, zeehonden zonder meer kunnen worden neergeschoten.

Deze dieren zijn opgenomen in de bijlage bij het wetsvoorstel en worden be- schermd op grond van het voorgestelde artikel 3.10, eerste lid. Een ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door gedeputeerde staten om een van de rede- nen, genoemd in het voorgestelde artikel 3.10, tweede lid, of 3.8, vijfde lid. Andere randvoorwaarden zijn dat er geen andere bevredigende oplossing is en dat de staat van instandhouding niet in het geding komt (voorgesteld artikel

3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, vijfde lid, onderdelen a en c). Ook wijs ik er op dat op grond van het voorgestelde artikel 3.26, eerste lid, het verboden is het geweer te gebruiken om deze dieren te doden als voor het do- den geen ontheffing of vrijstelling is verleend (voorgesteld artikel 3.26, eerste lid, onderdeel d, onder 2⁰).

  1. 137. De leden van de PvdD-fractie vragen of de regering het met hen eens is dat het voorgestelde artikel 3.24, eerste lid, geen verbetering is ten opzichte van artikel 73 van de Flora- en faunawet, dat regelt dat bij bestrijding of beheer onnodig lijden wordt voorkomen.

De beide bepalingen regelen hetzelfde.

  1. 138. De leden van de PvdD-fractie vragen of het wetsvoorstel een verslechtering is ten opzichte van de huidige natuurwetgeving.

Het wetsvoorstel voorziet net als de huidige natuurwetgeving in een effectieve bescherming van Natura 2000-gebieden, van in het wild levende dieren en plan- ten en van houtopstanden. Ten opzichte van de huidige natuurwetten voorziet het wetsvoorstel in een vereenvoudiging van het wettelijk stelsel.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

  1. 139. De leden van de SGP-fractie vragen waarom een doelbepaling in het wets- voorstel is opgenomen, als zij alleen een maatschappelijke en politieke waarde heeft en geen juridische consequentie Deze leden vragen ook wat de maat- schappelijke en politieke waarde is. Deze leden wijzen erop dat de voorgestelde doelbepaling in het voorstel voor de Omgevingswet wel een juridische toege- voegde waarde heeft, vanwege de invloed die zij heeft op de bewegingsruimte van bestuursorganen. Dit terwijl, aldus deze leden, het wetsvoorstel natuurbe- scherming alleen maar, of in elk geval voor het merendeel, uit specifieke regels bestaat.

De voorgestelde doelbepaling geeft aan wat de beweegredenen zijn voor de regels, gesteld bij en krachtens dit wetsvoorstel. Veelal bevat de considerans

van het wetsvoorstel de doelen, maar in navolging van het voorstel voor de Om- gevingswet is in het wetsvoorstel natuurbescherming een expliciete doelbepaling opgenomen om recht te doen aan het centrale karakter ervan. Niets meer, niets minder. Een andere functie heeft de voorgestelde doelbepaling in dit wetsvoor- stel dan ook niet. Het wetsvoorstel natuurbescherming bestaat immers uit speci- fieke regels.

Aangezien de regering in de parlementaire stukken bij herhaling heeft betoogd

dat deze bepaling uitsluitend de beweegredenen verwoordt voor de inhoud van de bij en krachtens dit wetsvoorstel gestelde regels en dat zij geen zelfstandige grondslag biedt om nadere regels te stellen ter bescherming van de natuur, kan er in de toekomst geen misverstand over bestaan.

  1. 140. De leden van de SGP-fractie vragen hoe de regering gaat voorkomen dat er in aanvulling op het natuurnetwerk Nederland en de Natura 2000-gebieden an- dere soorten van natuurgebieden worden aangewezen. Voorts vragen deze leden of het juist is dat er geen directe Europeesrechtelijke verplichting bestaat tot aanwijzing van bijzondere nationale natuurgebieden als bedoeld in het voorge- stelde artikel 2.11 en waarom deze gebiedscategorie dan toch is opgenomen in het wetsvoorstel.

Het wetsvoorstel voorziet in aanvulling op de Natura 2000-gebieden (voorge- steld artikel 2.1) en het natuurnetwerk Nederland (voorgesteld artikel 1.12, tweede lid) in drie gebiedscategorieën, te weten de bijzondere nationale natuur- gebieden, de bijzondere provinciale natuurgebieden dan wel landschappen, en

de nationale parken.

De bescherming van “bijzondere nationale natuurgebieden”, vooruitlopend op hun aanwijzing tot Natura 2000-gebieden,78 is aan de orde wanneer dat van belang is ter uitvoering van de Vogelrichtlijn of de Habitatrichtlijn. Dit mede naar

aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over

78           Voorgesteld artikel 2.11.

het oorspronkelijke wetsvoorstel.79 Dat is de reden waarom deze gebiedscatego- rie is opgenomen in het wetsvoorstel. Het is mijn verwachting dat van deze voorgestelde bevoegdheid slechts in uitzonderlijke situaties gebruik zal hoeven

te worden gemaakt.

Vier situaties zijn denkbaar waarin een gebied als bijzonder nationaal natuurge- bied moet worden aangewezen. In de eerste plaats de situatie dat Nederland ter uitvoering van de Habitatrichtlijn een gebied bij de Europese Commissie heeft aangemeld voor plaatsing op de lijst van gebieden van communautair belang.80

Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat lidstaten dat aangemelde gebied moeten beschermen vooruitlopend op plaatsing van het gebied op de lijst. Dit om te voorkomen dat het bereiken van de doelen van de richtlijnen in de periode tot de vaststelling van de lijst van gebieden van communautair be- lang wordt gefrustreerd.81

Ook kan het gaan om de situatie dat Nederland in het proces van aanmelding

van gebieden op de lijst van gebieden van communautair belang van mening verschilt met de Europese Commissie of een bepaald gebied in aanmerking komt voor aanmelding. In artikel 5 van de Habitatrichtlijn is voorzien in de procedure voor deze geschillen. Op grond van artikel 5, vierde lid, van de richtlijn is gedu- rende die procedure het beschermingsregime van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn van toepassing op het betrokken gebied. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de toepasselijkheid van dit beschermingsregime gedurende de procedure van het geschil in nationaal recht moet worden omgezet.82 Dat betekent dat het wetsvoorstel moet voorzien in de bevoegdheid om passende maatregelen te treffen ter voorkoming van verslechteringen of significante ver- storingen.

Verder kan het voorkomen dat bij de realisatie van projecten met significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied compenserende maatregelen moeten worden getroffen die alleen mogelijk zijn in een gebied dat op dat moment geen deel uitmaakt van het Natura 2000-netwerk. Dat gebied zal dan alsnog onder- deel moeten gaan uitmaken van dat netwerk. Vooruitlopend op de aanwijzing van dat gebied is een beschermingsregime nodig om te voorkomen dat het be- reiken van de doelen van de richtlijnen in de tussentijd zou kunnen worden ge- frustreerd.

Tot slot maakt het wetsvoorstel het, met het oog op de lange termijn, mogelijk

om op nationaal niveau in aanvulling op de Natura 2000-gebieden en in aanvul- ling op andere instrumenten, waaronder de realisering en instandhouding van

het natuurnetwerk Nederland, een extra natuurgebied als beschermd gebied aan te wijzen in het geval dat noodzakelijk is om de algemene verplichting na te

komen van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn om een gunstige staat van

79           Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 4, blz. 35-36 (paragrafen 3.2.2.2 en 3.2.3).

80           Artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn.

81           Arresten van Hof van Justitie EG 13 januari 2005, C-117/03, Dragaggi, Hof van

Justitie EG 14 september 2006, C-244/05, Bund Naturschutz en Hof van Justitie EU

15 maart 2012, C-340/10, Commissie/Cyprus.

82           Hof van Justitie EG, 13 februari 2003, C-75/01 (Luxemburg).

instandhouding te realiseren. Het wetsvoorstel voorziet in een open formulering, gekoppeld aan deze algemene Europese verplichting.

Het wetsvoorstel voorziet voor deze gebieden in een eenvoudig beschermingsre- gime, dat lichter is dan het Natura 2000-regime: alleen een aanschrijvingsbe- voegdheid voor schadelijke activiteiten en een bevoegdheid tot het instellen van toegangsbeperkingen, maar geen vergunningplicht voor schadelijke activiteiten. Deze bevoegdheden berusten bij de Minister van Economische Zaken.83

De bijzondere provinciale natuurgebieden dan wel landschappen worden aange-

wezen door gedeputeerde staten (voorgesteld artikel 1.12, derde lid). Het is aan provincies zelf om te bezien of en zo ja hoe zij invulling geven aan hun be- voegdheid tot aanwijzing en welke specifieke maatregelen zij dan eventueel zouden treffen, op basis van bestaande bevoegdheden in andere wetten zoals de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer en de Provinciewet. Het wets- voorstel natuurbescherming voorziet zelf niet in aanvullende voorschriften of instrumenten.

De aanwijzing van nationale parken door de Minister van Economische Zaken (voorgesteld artikel 8.3) is omwille van de duidelijkheid en de uitvoering van de resolutie van de International Union for Conservation of Nature en Natural Re- sources84 in het wetsvoorstel opgenomen.85 Het is, overeenkomstig de decentra- lisatie-afspraken, aan de provincies om te besluiten of zij deze gebieden be- schermen met gebruikmaking van de hen toekomende bevoegdheden, zoals op grond van de Wet ruimtelijke ordening; dit wetsvoorstel voorziet zelf niet in een specifiek beschermingsregime. Voor zover de nationale parken tevens een Natu- ra 2000-gebied zijn, geldt het Europese beschermingsregime van hoofdstuk 2 van dit wetsvoorstel. Voorts vallen alle huidige nationale parken binnen het na- tuurnetwerk Nederland. Omdat dit wetsvoorstel niet voorziet in beschermingsre- gels voor nationale parken, is er geen interferentie met de andere bescher- mingsregimes.

(w.g.)                      Sharon A.M. Dijksma

Staatssecretaris van Economische Zaken

83           Voorgesteld artikel 2.11, derde lid.

84           Resolutie, aangenomen tijdens de tiende algemene vergadering van de Internatio- nal Union for Conservation of Nature en Natural Resources te New Delhi in India op

1 december 1969.

85           Voorgesteld artikel 8.3.

BIJLAGE

Overzicht van wettelijke vereisten ten aanzien van de uitoefening van de jacht, het populatiebeheer en schadebestrijding door grondgebrui- kers

Behorende bij het antwoord op vraag nr. 99.

Jacht Vrijstelling voor scha- debestrijding Populatiebeheer
Welk belang Benutting en redelijke wildstand in eigen jachtveld Schade aan eigendommen en bescherming flora en fauna  Schade aan eigen- dommen

 bescherming flora en fauna

 volksgezondheid en openbare veiligheid

 vliegverkeer

 andere belangen

Wie bevoegd Jachthouder en anderen in zijn gezelschap Grondgebruiker en ande- ren met diens toestem- ming (jachtaktehouder of wildbeheereenheid) Faunabeheereenheid, personen door hen ge- machtigd (jachtaktehou- der of wildbeheereenheid)
Grondslag Jachtrecht (zakelijk recht), zoals beperkt door de wet Landelijke vrijstelling (bij ministeriële regeling) en provinciale vrijstelling (bij

provinciale verordening)

Provinciale ontheffing of opdracht
Welke soorten Vijf soorten, in goede staat van instandhou- ding Te bepalen bij algemene maatregel van bestuur Afhankelijk van faunabe- heerplan en ontheffing
Welke periode Jachtseizoen, bepaald door minister, in overleg

met provincies

Te bepalen bij vrijstelling, kan gehele jaar Afhankelijk van faunabe- heerplan en ontheffing
Welke voorwaarden voor de uitvoering  Goed jachthouder- schap

 omvang jachtveld bij gebruik geweer

 redelijke wildstand

 uitvoeringsvoor- schriften (amvb),

 aansprakelijk voor wildschade

 overeenkomstig faunabeheerplan

 Schade in omgeving, dit of volgend jaar optredend

 Overeenkomstig faunabeheerplan

Afhankelijk van ontheffing op basis van goedgekeurd faunabeheerplan
Welke middelen  Aangewezen bij wet

 voor gebruik geweer en jacht- vogels is een akte

vereist

 Landelijke vrijstel- ling: aangewezen bij ministeriële regeling

 provinciale vrijstel- ling: aangewezen bij

provinciale verorde-

ning

 voor gebruik geweer en jachtvogels is een

akte vereist

 Bij ontheffing aan- gewezen door pro- vincies

 voor gebruik geweer en jachtvogels is een

akte vereist

Eisen jachtakte  Jachtexamen

 jachthouder zijn van grond van vol- doende omvang (40 ha) of diens toestemming heb- ben

 verzekering jacht-

geweer

 lidmaatschap wildbeheereenheid

 Idem  Idem
Print Friendly

Reageren is niet mogelijk