Neonicotinoïden niet alleen schadelijk voor honingbij | Kamerbrief over inzet neonicotinoïden

bron: Boerderij 9-4-2015

Doetinchem – Gebruik van neonicotinoïden in de landbouw heeft niet alleen een negatief effect op de honingbij maar ook op andere organismen die belangrijke functies vervullen voor de landbouw.

Het rapport is samengesteld op basis van onderzoeken die sinds 2012 zijn gedaan naar effecten van neonicotinoïden. Een groot deel van het maatschappelijk debat richtte zich op zwakheden van de afzonderlijke onderzoeken. Daarbij is nooit een sluitend bewijs geleverd voor de achteruitgang in soortenrijkdom door gebruik van neonicotinoïden. Wel is op basis daarvan een tijdelijk verbod van het middel voor toepassing in bloeiende gewassen ingesteld.

Het rapport concludeert echter dat wanneer naar de samenhang gekeken wordt er wel bewijs is voor belangrijke negatieve effecten op groepen wilde organismen die een belangrijke rol spelen in het landbouwgebied.

De onderzoeken richtten zich vooral op de effecten op de honingbij waarbij soms tegenstrijdige resultaten gevonden zijn. In het rapport wordt opgemerkt dat de honigbij een bijzondere positie inneemt ten opzichte van andere insecten omdat het een landbouwhuisdier is. Bovendien leeft het in uitzonderlijk grote kolonies waardoor het weerbaarder is tegen invloed van giftige stoffen dan bijvoorbeeld hommels die in kleinere kolonies leven of wilde bijen die helemaal geen kolonies vormen.

De wetenschappers concluderen in het rapport dat veel soorten die een rol spelen in de bestuiving op plaagbeheersing de laatste tientallen jaren systematisch sterk in soortenrijkdom achteruit zijn gegaan. Het gaat hierbij om wilde bijen, zweefvliegen, vlinders, loopkevers en akkervogels.

de stakkers van akkersDe wetenschappers stellen vast dat grootschalig preventieve inzet van neonicotinoïden in de vorm van een zaadcoating leidt tot onnodige verontreiniging van het milieu. De middelen in de zaadcoating komen na het zaaien binnen enkele weken in de bodem terecht.

Deze wijze van plaagbestrijding staat volgens de wetenschappers in schril contrast met het EU-beleid waarin het principe van ‘Integrated Pest Management’ wordt omhelsd. Dat houdt onder meer in dat een plaag pas bestreden wordt wanneer een bepaalde drempelwaarde is overschreden.

 


Kamerbrief over inzet neonicotinoïden

De European Academies’ Science Advisory Council (EASAC) heeft op verzoek van de Europese Commissie onderzoek gedaan naar het effect van neonicotinoïden op onder meer zweefvliegen, hommels en solitaire bijen. De resultaten van dit onderzoek zijn gepubliceerd in het rapport: “Ecosystem services, agriculture and neonicotinoids”. Dit onderzoek baart staatssecretaris Dijksma (EZ) grote zorgen. Met deze brief informeert de staatssecretaris de Tweede Kamer over de stappen die zij naar aanleiding van dit onderzoek heeft gezet.

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

2513 AA ’s-GRAVENHAGE

Datum    10 april 2015

Betreft    Inzet neonicotinoïden

Geachte Voorzitter,

De European Academies’ Science Advisory Council (EASAC) heeft op verzoek van de Europese Commissie onderzoek gedaan naar het effect van neonicotinoïden op onder meer zweefvliegen, hommels en solitaire bijen. De resultaten van dit onderzoek zijn gepubliceerd in het rapport: “Ecosystem services, agriculture and neonicotinoids”1. Dit onderzoek baart mij grote zorgen. Met deze brief wil ik uw Kamer informeren over de stappen die ik naar aanleiding van dit onderzoek heb gezet.

Sinds mijn aantreden heb ik alle wetenschappelijke informatie over mogelijke nadelige effecten van het gebruik van de neonicotinoïden steeds op hun merites laten beoordelen door de European Food Safety Authority (EFSA) en het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) binnen het Europese en nationale juridische kader. De Nederlandse inzet heeft – zowel op Europees als nationaal niveau – geleid tot het waar nodig ingrijpen in de toelating van deze middelen, bijvoorbeeld door aanvullende risicobeperkende voorschriften of door het intrekken van de toelating. Ik heb uw Kamer daarover geïnformeerd (zie onder andere Kamerstukken II 2014/15, 27 858, nr. 276).

Ik heb uw Kamer in mijn brieven van 30 oktober 2014 (Kamerstuk 27 858, nr.276) en 2 december 2014 (Kamerstuk 27 858 nr. 279) gemeld dat ik mij inzet voor het realiseren van de transitie naar een vergroening van gewasbeschermingsmiddelen en naar een voedselproductie die minder afhankelijk is van gewasbeschermingsmiddelen. Hierbij hoort ook het uitbreiden van het middelenpakket met meer biologische en natuurvriendelijke gewasbeschermingsmiddelen; de zogenaamde laag-risicomiddelen.

Ik heb inmiddels Eurocommissaris Andriukaitis (SANTE) verzocht het rapport van de EASAC zo snel mogelijk te laten beoordelen door de EFSA en te bezien of deze nieuwe wetenschappelijke studie moet leiden tot het intrekken van de goedkeuring van neonicotinoïden als werkzame stof in gewasbeschermingsmiddelen. Deze brief is in lijn met de zogenoemde “artikel 21 procedure” in Verordening Gewasbeschermingsmiddelen nr. 1107/2009. Dit artikel bepaalt dat lidstaten de Europese Commissie kunnen vragen om de goedkeuring van werkzame stoffen opnieuw te bezien in het licht van nieuwe wetenschappelijke en technische kennis en monitoringsgegevens. Daarnaast heb ik hem gevraagd de nodige acties te ondernemen, om in Europa de transitie van hoog-risico gewasbeschermingsmiddelen naar laag-risico gewasbeschermingsmiddelen te versnellen.

Eveneens heb ik de voorzitter van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) verzocht op basis van het EASAC-rapport de toelating van neonicotinoïden in Nederland te herbeoordelen en mij zo spoedig mogelijk te informeren of dit onderzoek het Ctgb aanleiding geeft tot het intrekken van toelatingen van deze middelen.

Verder zal ik de voorzitter van de Topsector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen verzoeken bij de komende programmering prioriteit te geven aan onderzoek en innovaties gericht op de realisatie van de transitie naar vergroening van gewasbeschermingsmiddelen en een minder afhankelijke voedselproductie.

(w.g.)          Sharon A.M. Dijksma

Staatssecretaris van Economische Zaken

1) http://www.easac.eu/fileadmin/Reports/Easac_15_ES_web_complete.pdf

Print Friendly, PDF & Email

Reageren is niet mogelijk