Nieuwe Natuurbescherming gepubliceerd in het Staatsblad, jaargang 2016, nr 34 op 19 januari 2016

nllogostaatsblad

Vandaag is de nieuwe Natuurbescherming gepubliceerd in het Staatsblad, jaargang 2016, nr 34 op 19 januari 2016 09:48.

Deze publicatie betekent dat, de volgende wetten worden ingetrokken:

  1. Boswet;
  2. Flora- en faunawet;
  3. Natuurbeschermingswet 1998.
  4. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip,(waarschijnlijk 1 juli 2016),  dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
  5. Deze wet wordt aangehaald als: Wet natuurbescherming.

Zienswijze NOJG implementatie Wet Natuurbescherming binnen de Provincies, Faunabeheereenheden en Wildbeheereenheden.

Na dezepublicatie in de Staatscourant, is  de decentralisatie van het natuurbeleid van Rijk naar provincies compleet. De regie van populatiebeheer en schadebestrijding wordt nu volledig de verantwoordelijkheid van de provincies. Jacht op basis van de wildlijst blijft een landelijke aangelegenheid.

In de nieuwe wetgeving gaan alle jachtvormen – jacht, beheer en schadebestrijding – onderdeel uitmaken van de provinciale Faunabeheerplannen. Voor de jacht betreft dat uitsluitend de verplichting om te rapporteren over afschot en de nu al uitgevoerde trendtellingen.

Naar aanleiding hiervan dient er een implementatie van de nieuwe wet Natuurbescherming waarschijnlijk voor 1 juli 2016 in de natuurvisie van provincie en daarop gebaseerde verordeningen voor de uitvoering hiervan plaats te vinden, hiervoor willen wij als NOJG de navolgende opmerkingen en voorstellen doen;

Decentralisatie:

  • Flora- en faunawet (2002): provincie bevoegd voor goedkeuring faunabeheerplannen, ontheffing verlening en vrijstellingen, aanwijzingen faunabeheer
  • Evaluatie natuurwetgeving (2008): breng ook de taken van het Faunafonds onder bij de provincies
  • Natuurakkoord (2011) en Natuurpact (2013): provincies breed bevoegd voor natuur, uitvoeringsmiddelen in het provinciefonds
  • Wet natuurbescherming (2016): decentralisatie bij wet geregeld

Wetgevingsproces binnen de provincie

  • Eerste Kamer: behandeling voorzien voor de jaarwisseling
  • Algemene maatregel van bestuur en Ministeriële regeling in voorbereiding en besproken met stakeholders officiële inspraak november 2015.
  • Provincies bereiden provinciale natuurvisie en verordeningen voor.
  • Inwerkingtreding waarschijnlijk op 1 juli 2016?
  • Ontheffingen en Faunabeheerplannen die onder de Ffw zijn goedgekeurd blijven van kracht.

Tijdplan en actiepunten opstellen voor de implementatie is voor de goede invoering van groot belang voor iedere provincie.

Voorbeelden van de actiepunten die voor de invoering wet Natuurbescherming en wie die dienen uit te voeren.

Actiepunten implementatie in de provincie Uitvoerder/verantwoordelijkheid
Aanpassen nieuw aangepast Faunabeheerplan;

  1. Het opnemen van de jacht op de wildsoorten in FBP, (art 3.12 lid 1)
  2. uitvoering landelijk vrijgestelde diersoorten en de uitvoering van de vrijstellingen in FBP.(art 3.12 lid 1)
  3. Soorten opnemen die lokale overlast veroorzaken, zoals steenmarters , aalscholvers op basis van (artikelen 3.17 en 3.18 van de wet)., dit i.o.m. provincie i.v.m. noodzaak
  4. Overleg met Wbe’s over Faunabeheerplan (art 3.12 lid 6)
  5. Opstellen nieuwe statuten Fbe (art 3.12)
  6. Onderzoeken en uitnodigen van de juiste vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties (art 3.12.lid 2) die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild   levende dieren in de regio waartoe het werkgebied van de faunabeheereenheid behoor voor deelname in van de Fbe en het bestuur ervan, dient zo snel mogelijk plaats te vinden om hierin duidelijkheid te verkrijgen ook voor het opstellen van de statuten en HR van de Fbe.
  7. Vaststellen nieuw bestuur Fbe .(art 3.12. lid 2)
  8. NOJG eigen zetel in FBE bestuur naast de KJV
Faunabeheereenheid
  1. Opstellen door de provincie van de natuurvisie en
  2. de juiste verordeningen (art 3.14, 3.15 en 3.17) voor de gehele keten in samenhang v.w.b. faunabeheer en de tegemoetkomingen bij schade, voor het beheer en bestrijding van exoten en verwilderde diersoorten. (art 3.19 lid 2 en 3)
  3. Soorten aanwijzen die lokale overlast veroorzaken daar het aan provincies is om – indien zij dat nodig en wenselijk achten, en voldaan is aan de wettelijke voorwaarden – op grond van artikel 3.16, derde en vierde lid, van de wet, bij provinciale verordening deze soorten aan te wijzen en ter zake vrijstellingen te verlenen voor overlastbestrijding. Provincies zijn ook bevoegd om ontheffingen of opdrachten te verlenen voor overlastbestrijding (artikelen 3.17 en 3.18 van de wet).
  4. Provincies kunnen voor de te gebruiken middelen ontheffing of vrijstelling verlenen.( Art 3.1)
  5. Op basis van art 3.14 onder b. de voorwaarden kan de provincie bepalen waaronder jachthouders zijn uitgezonderd van het verplichte lidmaatschap van de Wbe (art 3.14 lid 1),
  6. De NOJG vindt dat de provincie nu ook de voorwaarden kunnen bepalen waaraan het lidmaatschap van de Wbe moet voldoen en waarop dit dan geweigerd kan worden. Dit schept duidelijkheid en voorkomt e.v.t. onnodige geschillen binnen de Wbe’s.
Provincie
  1. Toestemming jacht, beheer en schadebestrijding opnemen in de natura 2000 gebiedsplannen als handelingen op grond van artikel 2.9, eerste lid, van de wet op basis van een ecologische beoordeling dat er geen sprake zal zijn van aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied en derhalve vrijgesteld van de vergunningplicht kunnen worden.
Gedeputeerde Staten en soms de Minister van Economische Zaken, de Minister van Infrastructuur en Milieu of de Minister van Defensie

Deelname Maatschappelijke organisaties aan het FBE bestuur (art 3.12 lid 2).

De NOJG vindt dat dit een maatschappelijke organisatie dient te zijn die ook de belangen van de grondgebruiker en de jacht erkend en onderschrijft, zeker nu ook voor de jacht en schadebestrijding van landelijk vrijgestelde diersoorten in het faunabeheerplan dienen te worden opgenomen en dus een duurzaam beheer hiervan willen behartigen. Hiervoor zouden bijvoorbeeld Agrarische Natuurverenigingen gezien hun belangen voor zowel landbouw als de natuur in aanmerking kunnen komen. Ook Weidevolgelverenigingen zouden passende invulling kunnen geven.

Wildbeheereenheid

Uitgangspunt NOJG is dat de wildbeheereenheid het platform is voor lokaal overleg over de jacht, beheer en schadepreventie en –bestrijding.

Deelname WBE

Voorstel NOJG: het uitgangspunt van de nieuwe wet Natuurbescherming (art 3.26) is dat alle jachthouders al dan niet (gebruikmakend van het geweer) wel of geen lid zijnde van een Wbe, zich moeten verantwoorden zoals in de wet wordt verlangd, zowel als jachthouder en ook als grondgebruiker.

Wij vinden dat iedere jachthouder (met of zonder jachtakte of gebruikmakend van het geweer), die in het beheergebied is gelegen en beschikt over een aaneengesloten gebied van 40 ha dat voldoet aan de eisen van de wet om gebruik te kunnen maken van een geweer, derhalve beschikt over een bejaagbaar gebied, als een normale jachthouder dient aangemerkt te worden. Of hij wel of niet het bejaagbaar gebied bejaagd is dan niet van belang. Zij dienen dan ook verplicht te worden om te voldoen aan de eisen, van het goede jachthouderschap art 3.20 van de wet, [1]die ook aan de individuele jachthouders en Wbe’s worden gesteld om een effectief faunabeheer voor het gehele gebied mogelijk te maken en zich ook verplicht dienen aan te sluiten bij de lokale Wbe, dit i.v.m. gebiedsdekkend beheer van de wildsoorten, beheer en schadebestrijding en gegevensverzameling t.b.v. FBP zoals in art 3.13 WNb is vastgelegd.

Grootte van de Wbe’s

Wij zijn van mening dat de huidige structuur van de Wbe’s die vaak zijn ontstaan op basis van vrijwillige samenwerking en vaak al meer dan 25 jaar bestaan gehandhaafd dient te blijven.

Wel dient de Fbe hierin een signalerende en ondersteunde functie te krijgen.

Verplicht lidmaatschap Wbe om te kunnen jagen (art 3.14 lid 1)

De toekenning van deze taken en verantwoordelijkheden aan de  wildbeheereenheden vindt haar rechtvaardiging in het  feit dat  deze samenwerkingsverbanden bij uitstek streekgebonden zijn.

Om  de  wildbeheereenheden deze taken effectief te kunnen laten uitvoeren, is erin  voorzien dat alle  van  het  geweer gebruikmakende jachthouders – jachthouders met een jachtakte – binnen het  werkgebied van een Wildbeheereenheid zich bij deze eenheid moeten aansluiten artikel 3.26 eerste lid onderdeel b en (artikel 3.28[2], tweede lid, onder c verkrijgen jachtakte).

Nu het verplichte lidmaatschap van de individuele jachthouder bij de lokale Wbe in de WNb is opgenomen, wordt de positie van de lokale Wbe voor de jacht bepalend en is als vereniging rechtspersoon altijd de bovenliggende partij, die hiervoor eisen kan stellen conform art 3.26.

Volgens ons dienen dan ook nu de rechten uit eigendom of jachthuur (art 3.23) die de basis vormen van het jachthouderschap, goed gewaarborgd te worden.

Wij vinden dat nu de provincies op basis van art 3.14 onder b. de voorwaarden kunnen bepalen waaronder jachthouders zijn uitgezonderd van het verplichte lidmaatschap van de Wbe (art 3.14 lid 1), zij ook de voorwaarden kunnen bepalen waaraan het lidmaatschap van de Wbe moet voldoen en waarop dit dan geweigerd kan worden. Een Wbe bestuur moet zich bij het nemen van een beslissing, waarbij het recht om te kunnen jagen een jachthouder wordt ontnomen, kunnen beroepen op wat in de provinciale verordening staat beschreven, dit schept duidelijkheid en een basis waarop de Wbe of de individuele jachthouder zich kan beroepen.

Immers door het verplicht lidmaatschap van de jachthouder, bij de lokale Wbe, kan deze ernstig benadeeld worden in zijn/haar eigendomsrechten of rechten als huurder van de jachtrechten, die immers de basis vormen om te kunnen jagen, als de Wbe haar eigen dwingende voorwaarden gaan hanteren om lid te mogen worden of blijven, bijvoorbeeld doordat zijn/haar jachtveldgrenzen verplicht aangepast moeten worden aan de voorwaarden, die de Wbe dan kan stellen etc. Ook als er een conflict situatie gaat ontstaan tussen de individuele jachthouder en de Wbe.

Voor de NOJG dient in het Wbe deelnemers reglement de uitgangspunten verwoord te worden;

  • Samenwerking van alle jachthouders en hun combinanten binnen de Wbe en haar beheergebied, om de wettelijke taken van de Wbe zo goed mogelijk te kunnen uitvoeren.
  • De Wbe dient in principe de jachtveldgrenzen van alle ingebrachte gronden van de jachthouders en de jachthouders die met hen samenwerken te respecteren en er kunnen volgens ons, alleen kleine grenswijzigingen gaan plaatsvinden met goedkeuring van de betreffende jachthouder, die de gronden inbrengt binnen de Wbe.
  • Er dienen minimale verplichte eisen gesteld te worden waaraan een lid (jachthouder) of samenwerkende jachthouder moet voldoen en net zoals die ook wettelijk aan de Wbe worden opgedragen en waar hij/zij dus ook aan moeten voldoen, dit kan door de provincie worden aangegeven ook waarom het lidmaatschap niet verplicht is ( Art 3.26).

In de wet is een regeling voor een maatschappelijk verantwoorde en transparante uitoefening van de jacht opgenomen, waarbij is voorzien in onderlinge afstemming tussen de uitoefening van de jacht, het populatiebeheer en de schadebestrijding.

De belangrijkste voorwaarden voor de uitoefening van de jacht zijn in de wet zelf vastgelegd, deze dienen opgenomen te worden in de nieuwe statuten van de Wbe’s, in het bijzonder:

  • de jacht geschiedt – evenals populatiebeheer en schadebestrijding – overeenkomstig het faunabeheerplan;[3]
  • jachthouders verstrekken aan faunabeheereenheden gegevens over de aantallen dieren die zij hebben gedood;[4]
  • gerechtigd tot de jacht is de jachthouder, degene die in zijn gezelschap verkeert of degene die zijn toestemming heeft;[5]
  • de wildsoorten waarop mag worden gejaagd zijn: fazant, wilde eend, houtduif, haas en konijn;[6]
  • de jachthouder doet wat een goed jachthouder betaamt om een redelijke stand van het wild in zijn jachtveld te handhaven of te bereiken;[7]
  • de jachthouder gebruikt uitsluitend de in de wet limitatief opgesomde jachtmiddelen voor de uitvoering van de jacht[8], voor het beheer en schade- en overlast bestrijding die toegestaan zijn op basis van de verordeningen of ontheffingen Art 3.14, 3.15 en 3.17;
  • jacht geschiedt niet binnen de bebouwde kom of op terreinen die daaraan onmiddellijk grenzen,[9] en
  • jacht is enkel toegestaan in het jachtseizoen.[10]
  • een jachthouder in een Wbe of samenwerkend jachthouder met de Wbe is daarom volgens ons dan ook verplicht medewerking te verlenen aan de hoofdtaken van de Wbe zoals ook aangegeven in de MvT van de WNb waarin zijn jachtveld is gelegen zoals;
  • deelnemen aan het beheer en schadebestrijding diersoorten overeenkomstig het faunabeheerplan
  • houden van tellingen onder leiding van de Wbe en registratie/melden van het afschot en valwild via het FRS t.b.v. de registratie door de Wbe en het aanleveren van de overige gevraagde gegevens van de geschoten wildsoorten aan de Wbe t.b.v. de Faunabeheerplannen Fbe;
  • het uitvoeren het beheer van de wildsoorten in hun jachtveld;
  • adviseren Wbe over de wildsoorten in zijn/haar jachtveld.

Deze wettelijke voorwaarden kunnen door de provincie voor deze samenwerkings-plicht aan jachthouders en de Wbe’s worden voorgeschreven. Ook kan dit natuurlijk deels in bijvoorbeeld standaard statuten van de Wbe’s vastgelegd worden.

Het verplichte lidmaatschap van een belangenvereniging zoals de KJV of NOJG, mag bij het verplichte lidmaatschap van de Wbe geen voorwaarde zijn en dient ook niet in de statuten van een Wbe te staan.

De provincie kan wel in overleg met de Fbe aangeven van de noodzaak van samenwerking voor een bepaalde grofwildsoort of bestrijding van exoten etc. indien deze leefgebieden de grenzen van de Wbe overschrijden, dit mede op advies van de Fbe en Wbe’s.

De Fbe dient hierin een duidelijk adviserende en signalerende functie te krijgen.

Faunabeheereenheid en de nieuwe taken.

De Faunabeheereenheid krijgt nu door de wet WNb een aantal nieuwe taken erbij ;

  • Het faunabeheerplan moet passende en effectieve middelen bevatten voor een goede uitvoering van de jacht en ter voorkoming en bestrijden van schade en het beheer van diersoorten;
  • Opnemen in het FBP v.w.b. de uitvoering van de landelijk vrijgestelde diersoorten;
  • Opnemen het beheer van de wildsoorten in het FBP;
  • Opnemen in overlast veroorzakende diersoorten in het FBP

De Fbe dient immers ook voor het opstellen van de faunabeheerplannen overleg te hebben met de wildbeheereenheden zoals in de wet is vastgelegd

  • Op FBE niveau zal afgestemd moeten worden dat alle partijen volledig meewerken aan de uitvoering van het Faunabeheerplan. De WBE is voor coördinatie van de uitvoering moet zorgdragen heeft hierin naar onze mening een signalerende functie aan de Fbe, daar zij voor de uitvoering te maken krijgen met de lokale beheerders van de TBO’s en andere overheden zoals waterschappen etc. In de Fbe statuten of HR zal dit ook vermeld moeten worden.
  • Uitnodigen deelname in Fbe van maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio waartoe het werkgebied van de faunabeheereenheid behoort. (art 3.12. lid 2)
  • Nieuwe statuten en HR voor de Faunabeheereenheden;
  • Nieuw bestuur Faunabeheereenheid, waarin naast de KJV als jachtorganisatie ook de NOJG is opgenomen in het bestuur of een roulatie hiervan elke 3 jaar.
  • Overleg met de Wbe’s vaststellen FBP conform art 3.12 lid 6.

Middelen, methoden en installaties (vrijstellingen, aanwijzingen en ontheffingen)

Bij het verlenen van een vrijstelling of ontheffing voor het vangen of doden van dieren op grond van de wet kan een ontheffing of vrijstelling ( art 3.8) worden verleend van dit verbod op basis van art 3.25 , vierde lid onderdeel a .

Middelen, methoden of installaties (art 3.3) waarvan het gebruikt kan worden toegestaan, bij het verlenen en de uitvoering van de vrijstellingen, aanwijzingen of ontheffingen en of overlast bestrijding dienen zeker voor de vogelsoorten (uitspraak rechtbank Gelderland) maar ook voor de andere diersoorten zo ruim mogelijk omschreven te worden in de verordeningen. Dit zijn middelen die in de praktijk van beheer en schadebestrijding veelvuldig worden gebruikt.

Hierbij dient ook zeker gekeken te worden naar de huidige moderne middelen, voor beheer en schadebestrijding, die effectief en selectief zijn en waardoor onnodig lijden zoveel mogelijk wordt voorkomen. Dit vooruitkijken naar de moderne middelen gebeurt immers ook bij de ontwikkeling van de preventieve middelen om schade te voorkomen, zoals lasers, drones, infraroodcamera’s etc.

De nota van toelichting (6.3) geeft aan dat dit geen middelen mogen zijn, die verboden zijn vanwege;

  • Bescherming van het milieu, (hagelpatronen met lood)
  • Niet selectieve middelen, ( vallen, strikken, vangkooien en netten)
  • Dierenwelzijn die onnodig leed veroorzaken zoals, (lijm en klemmen)

Voor de toegestane middelen, methoden en installaties kan dan volgens ons een onderscheid gemaakt worden in;

  1. middelen en installaties, die vangen en (vervolgens) doden zoals ook in het besluit WNb artikel 3.1 is aangegeven en
  2. de ondersteunende middelen, methoden en installaties die hiervoor in de praktijk gebruikt kunnen worden om selectief en effectief te kunnen optreden, waarmee onnodig lijden zoveel mogelijk wordt voorkomen. Hierbij dienen ook de moderne elektronische of mechanische ondersteunende middelen vermeld te worden.
  3. Middelen in tijd .

Voorbeelden van ondersteunende middelen, die in de huidige praktijk voor de jacht, beheer en schadebestrijding gebruikt worden zijn;

Lokfluiten, plastic lokkers, levende lokkers, zoals spreeuwen, kraaien, steunen waarop plastic of dode lokvogels geplaatst kunnen worden, waarvan de vleugels bewogen kunnen worden zowel mechanisch of elektronisch, richtkijker met red dot voor kogelgeweren, kunstlicht, nachtzichtapparatuur, drone’s, geluidsdemper, camouflagenetten en hutten, hoogzitten, aanzitladders, infraroodcamera’s, etc.

Vrijstellingen en ontheffingen (art 3.3 en 3.8):

  • De NOJG vindt dat de Provincie zoveel mogelijk dient gebruik te maken van haar verordeningen om zodoende een robuuste wetgeving mogelijk te maken, is niet ontvankelijk voor beroep en bezwaar, waardoor haar Natuurvisie en de uitvoering hiervan niet gewijzigd c.q. gefrustreerd wordt
  • In de huidige situatie wordt beperkt gebruik gemaakt van de mogelijkheid om provinciale vrijstellingen (art 3.3 ) te verlenen. ( echter geen vergoeding bij schade)
  • Het wetsvoorstel gaat uit van vrijstellingen bij schadebestrijding en ook van een grotere inzet hiervan op basis van verordening, goedkeuring door PS, gemakkelijker uitvoering (lastenverlichting) geen beroep en bezwaar mogelijk.
  • Ontheffing alleen bij populatiebeheer, dus voor het beperken van de omvang van de populaties, en de daarmee beperken van schade van de in de wet vermelde belangen art 3.8 lid 5.
  • Overlast is nieuw belang om in te grijpen in stand, bijvoorbeeld gemeentes een vrijstelling te verlenen voor overlastsituaties van steenmarters), die behoorlijk wat schade aanrichten
  • De NOJG is echter van mening dat alle schade voor de grondgebruikers en eigenaren zoveel mogelijk voor vergoeding in aanmerking dient te komen, daarom gaat haar voorkeur ook uit naar ruime ontheffingen, voor het gehele gebied van de FBE en de aangesloten Wbe’s, die hiervan gebruik dienen te maken i.v.m. schadebestrijding en beheer van diersoorten, net zoals bij de vrijstellingen.

Tegemoetkomingen Faunaschade:

  • Nu centraal en interprovinciaal geregeld (Faunafonds, BIJ12), de NOJG wil echter meer lokaal maatwerk per provincie
  • Provincie dient daarom haar eigen afweging te maken bij schade vergoedingen en dient er volgens ons ook voor zorg te dragen dat er een duidelijk beeld is van de werkelijke schade, dus zoveel mogelijk alles melden ook de schade aan de flora en fauna, door de grondgebruikers en Wbe’s.
  • Faunaschaderegistratie systeem dient gebruiksvriendelijk te zijn zodat dit gemakkelijk gebruikt kan worden door iedereen, evt. een centraal meldpunt.
  • Ondersteuning van de Wbe’s in gebruik preventieve middelen?
  • Algemene uitgangspunten voor tegemoetkoming van schade dient alleen het eigen risico per bedrijf van € 250,- per jaar te zijn geen administratiekosten en behandelkosten voor de schadetaxatie.

[1] Artikel 3.20, derde lid, van de wet ; de jachthouder doet wat een goed jachthouder betaamt om een redelijke stand van het wild in zijn jachtveld te handhaven of te bereiken

[2] . jachthouder is van een jachtveld dat voldoet aan de regels gesteld krachtens artikel 3.26, eerste lid, onderdeel b, en lid is van de wildbeheer- eenheid waarbinnen zijn jachtveld is gelegen, of toestemming heeft van een dergelijke jachthouder tot uitoefening van de jacht in diens jachtveld, en

[3]                Artikel 3.12, eerste lid, van de wet.

[4]                Artikel 3.13, eerste lid, van de wet.

[5]                Artikel 3.20, eerste en vierde lid, van de wet.

[6]                Artikel 3.20, tweede lid, van de wet.

[7]                Artikel 3.20, derde lid, van de wet.

[8]                Artikel 3.21, eerste lid, van de wet.

[9]                Artikel 3.21, tweede en derde lid, van de wet.

[10]         Artikel 3.22, van de wet.

Print Friendly

Reageren is niet mogelijk