Nulstandsbeleid voor wilde zwijnen moet worden bijgesteld

Integreer het nulstandsbeleid voor wilde zwijnen in een specifieker ruimtelijk beleid waarin partijen afspraken maken. Dat kan bijvoorbeeld in regionaal overleg. Daar kunnen afspraken worden gemaakt over enerzijds gebieden waarin nulstandsbeleid feitelijk leefgebiedenbeleid wordt en anderzijds gebieden waar het nulstandsbeleid standvastig wordt nageleefd, bijvoorbeeld in gebieden met een hoge intensiteit aan vWilde zwijnen op de eikelsarkens. Borging van dit beleid is essentieel. Als het beleid voor wilde zwijnen integraal en daarmee ruimtelijk expliciet wordt gemaakt ligt een afweging binnen het provinciale ruimtelijk beleid voor de hand. Dat schrijven onderzoekers van het CLM in het rapport Wilde zwijnen op weg in Nederland dat werd opgesteld in opdracht van het Faunafonds.

Het huidige nulstandbeleid voor wilde zwijnen werkt niet, stellen de onderzoekers. De populatie wilde zwijnen in het agrarische gebied breidt uit en zorgt voor een toename van de schade aan de landbouw. Wilde zwijnen worden door natuurbeschermers, jagers en recreanten echter gewaardeerd, onder anderen omdat ze de dynamiek in natuurgebieden vergroten. Al is de keerzijde bij een hoge dichtheid in natuurgebieden dat andere biodiversiteitswaarden achteruit kunnen gaan. In gebieden met een grote dichtheid aan varkenshouderijen zijn de gevolgen van een besmetting van wilde zwijnen met een dierziekte zoals klassieke en Afrikaanse varkenspest zeer groot, ondanks dat het risico hierop zeer gering is.

Deze verschillende belangen moeten integraal worden afgewogen door de provincies, die voor dit beleid de eerste verantwoordelijkheid dragen. De onderzoekers adviseren om het nulstandsbeleid te integreren in een specifieker ruimtelijk beleid waarin partijen afspraken maken, in bijvoorbeeld regionale zwijnen tafels. Deze afspraken moeten enerzijds gaan over gebieden waarin nulstandsbeleid feitelijk leefgebiedenbeleid wordt en anderzijds over gebieden waar het nulstandsbeleid standvastig wordt nageleefd, bijvoorbeeld in gebieden met een hoge intensiteit aan gehouden varkens. Borging van dit beleid is essentieel, stellen de onderzoekers. Als het beleid voor wilde zwijnen integraal en daarmee ruimtelijk expliciet wordt gemaakt ligt een afweging binnen het provinciale ruimtelijk beleid voor de hand.

Het rapport Wilde zwijnen op weg in Nederland is te vinden op de website van het CLM. u kunt het rapport ook downloaden: 873-Wilde_Zwijnen_Nederland-web

bron: CLM, 29/07/15


De belangrijkste Samenvatting, conclusies en aanbevelingen van het Rapport Wilde Zwijnen op weg in Nederland

1. Waardering

Het wild zwijn is een gewaardeerd publiekstrekker en zorgt voor extra biodiversiteit in de natuur. Het heeft drie leefgebieden in Nederland waar hij zich relatief ongestoord kan ontwikkelen: De Veluwe, de Meinweg en Meerlebroek. Daarbuiten komt hij in toenemende mate voor in andere natuurgebieden, met name in de provincies die direct grenzen aan natuurgebieden in Duitsland en België.

 

Zwijnen hebben zowel een positief (dynamiek, open plekken) als een negatief effect op natuurwaarden, afhankelijk van soort gebied (voedselrijk of –arm), grootte en de aanwezigheid van kwetsbare populaties van planten (orchideeën) of dieren (bijv. hagedis). Natuurlijke bosverjonging wordt bij hoge dichtheden belemmerd. De beoordeling of zwijnen schade aanrichten in natuurterreinen is afhankelijk van de natuurvisie van de natuurbeheerder.

 

Conclusie 1: Gelet op de publiekswaardering, is een populatiebeheer gewenst dat tegelijkertijd uiterst effectief is en de verstoring van de populaties tot een minimum beperkt. Dit geldt zowel binnen als buiten de leefgebieden.

2. Aantals- en schadeontwikkeling

Het aantal wilde zwijnen buiten de leefgebieden is de afgelopen jaren toegenomen. Met name in de gebieden midden en zuid Limburg, het zuidoosten van Noord-Brabant en noordwest Veluwe heeft dit geleid tot meer schade. Deze toename in aantallen zien wij eveneens in de aangrenzende landen. Gelet op de grote hoeveelheden beschikbaar en bereikbaar voedsel (landbouwgewassen) buiten de leefgebieden en niet overal effectief populatiebeheer, mag verwacht worden dat de aantalsontwikkeling doorzet. Alleen een intensievere populatiebeheersing kan het aantal verminderen.

De werkelijke schade blijft achter bij de getaxeerde schade, te meer daar nu door het Faunafonds een behandelbedrag per melding is opgevoerd (oktober 2014) naast het al bestaande eigen risico en de drempelvergoeding. Daardoor is aannemelijk dat – in ieder geval – de kleinere schades niet meer worden gemeld. Ook de schade aan particuliere gronden (tuinen, golfbanen e.d.) is niet opgenomen in de schadestatistieken.

 

Conclusie 2: De verspreiding van het wild zwijn is op basis van waarnemingen en van schademeldingen in de periode 2002-2013 aanzienlijk toegenomen. Het is aannemelijk dat de populatie – buiten de leefgebieden – ook is toegenomen

 

De schade veroorzaakt door wilde zwijnen is toegenomen, zowel wat betreft het totale schadebedrag als in de verspreiding van de schade. De zwijnenschade is veelal geconcentreerd op een beperkt aantal plaatsen waar grote schade ontstaat en kan daardoor provinciaal aanzienlijk zijn. De uitgekeerde schade neemt toe in met name Noord-Brabant en Limburg.

Aanbeveling 1: Beperking van de uit te keren schade vraagt om een intensievere en effectievere beperking van populatiegroei.

 

3. Aanrijdingen

Het aantal gemelde aanrijdingen met wild zwijn is relatief hoog en neemt in Gelderland en (mogelijk) Limburg af, maar neemt toe in Noord-Brabant. In Gelderland heeft het plaatsen van rasters wellicht bijgedragen aan de afname. Het gevolg van de aanrijdingen is vooral blikschade, een enkele keer persoonlijk letsel. De schade die wilde zwijnen in het verkeer veroorzaken is onbekend, maar een schatting van de materiele schade ligt tussen de 0,5 en 1,5 mln. per jaar, een vijfvoud van de schade in de landbouw. Er worden initiatieven genomen om nieuwe waarschuwingssystemen

voor groot wild te testen.

 

Conclusie 3: Er zijn regelmatig aanrijdingen met wilde zwijnen. Maatregelen om aanrijdingen te

voorkomen lijken effectief in Gelderland.

4. Dierziekten

Gehouden varkens en wilde zwijnen behoren tot dezelfde soort (Sus scrofa) en zijn gevoelig voor dezelfde ziekten. Bij onderlinge contacten, direct of indirect, kunnen ziektekiemen worden overgedragen van wild zwijn naar gehouden varken of vice versa. Op dit moment is Nederland vrij van alle zogenoemde bestrijdingsplichtige ziekten, zowel bij gehouden varkens als wilde zwijnen.

De kans dat op dit moment wilde zwijnen besmet raken met besmettelijke ziektes zoals klassieke en Afrikaanse varkenspest (KVP en AVP) is zeer gering, te meer daar de wilde zwijnen in de ons omringende landen nu vrij zijn van deze ziekten.

Als zich een situatie voordoet dat wilde zwijnen besmet zijn met KVP of AVP moet dit worden gemeld bij de EU en de World Organisation for Animal Health (OIE). Dat kan betekenen dat er in een gebied maatregelen voor gehouden varkens worden ingesteld, ook al heeft er (nog) geen transmissie plaatsgevonden. Het gaat om een kleine kans die grote gevolgen kan hebben, m.n. in gebieden met hoge dichtheden van gehouden varkens. Gelet op de behoefte aan flexibiliteit voor het bestaande ‘nulstandsbeleid’, ligt het voor de hand om de intensiteit van de bestrijding van het wild zwijn af te laten hangen van de dichtheid aan gehouden varkens. Dat hangt ook af van de preventiemaatregelen die partijen kunnen nemen.

 

Conclusie 4: De kans dat wilde zwijnen besmet raken met KVP en AVP is zeer klein. Wanneer in gebieden met een hoge dichtheid van gehouden varkens een van deze ziekten toch bij wilde zwijnen optreedt zijn de gevolgen zeer groot en ingrijpend.

 

Aanbeveling 2: Naarmate de dichtheid aan gehouden varkens groter is, moet er actiever worden ingezet op realisatie van de nulstand van wilde zwijnen.

 

5. Populatiebeheer

Het populatiebeheer staat in dienst van het beheersen van de landbouwschade en verkeersveiligheid en daarmee van een gecontroleerde populatieontwikkeling. Er is een onderscheid tussen populatiebeheer binnen leefgebieden en daarbuiten. Buiten de leefgebieden is een andere benadering nodig, te meer daar de groei van de populatie – dankzij het grotere voedselaanbod –aanzienlijk hoger is buiten de leefgebieden. Voor een effectief beheersen van de populatie moet een groter aandeel jonge dieren uit de populatie worden verwijderd. Voor de rust in een gebied kan de aanzit-drukjacht een belangrijke extra mogelijkheid zijn om minder frequent te hoeven jagen en meer daarmee rust in het veld te creëren.

 

Aanbeveling 3: Effectief populatiebeheer buiten de leefgebieden vraagt om afschieten van relatief meer jonge dieren.

 

Aanbeveling 4: Het toepassen van aanzit-drukjacht is een noodzakelijke aanvulling op de bestaande jachtmethoden om effectief populatiebeheer uit te kunnen voeren buiten de leefgebieden.

6. Ruimtelijk beleid

Het belangrijkste beleidsinstrument is op dit moment het ‘Nulstandsbeleid’. In de praktijk betekent dit dat de wilde zwijnen geschoten mogen worden. Het recht bestaat. Het is niet verplicht. Daarmee is het nulstandsbeleid een ‘open einde’ regeling. De populatie kan zich ontwikkelen en dat gebeurt in de praktijk omdat het wild zwijn wordt gewaardeerd om allerlei redenen. In de balans zoeken tussen risico en waardering stellen wij voor om een aanvullend zoneringsbeleid te ontwikkelen. Die zonering bestaat inhoudelijk uit twee mogelijkheden; (1) Leefgebied en (2) Nulstandbeleid standvastig. De laatste categorie zijn gebieden waar om welke reden dan ook in principe geen zwijnen mogen voorkomen. Dus actief bejagen, wetende dat het laatste wild zwijn niet kan worden geschoten. De inhoudelijke criteria voor leefgebieden sluiten aan op die van de kansenkaart voor Wild zwijnen uit 2010. De ruimtelijke criteria van die kansenkaart zijn aangevuld met criteria zoals het vermijden van gebieden met een hoge dichtheid aan gehouden varkens, een hoge verkeersintensiteit en bebouwing. Een dergelijke verruiming van de leefgebiedenbenadering is alleen acceptabel als er in een zone rond het leefgebied heen 100% schadevergoeding mogelijk is.

 

Aanbeveling 5. Integreer het nulstandsbeleid in een specifieker ruimtelijk beleid waarin partijen afspraken maken over enerzijds gebieden waarin nulstandsbeleid feitelijk leefgebiedenbeleid wordt en anderzijds gebieden waar het nulstandsbeleid standvastig wordt nageleefd. Het gaat dan om gebieden met een hoge intensiteit aan gehouden varkens, verkeersbewegingen en/of bebouwing.

7. Lokaal niveau voorop

In de beheersing van de populatie tekent zich een verschuiving in aansturing af. Waar discussies op

het hogere schaalniveau niet altijd leiden tot aanvaarde besluitvorming, ontstaan er lokaal initiatieven om vanuit waardering en schade/risico’s lokaal actie te ondernemen. De kritische succesfactor is dat alle grondeigenaren zich committeren aan de acties die leiden tot beheersing van de populatie. Deze lokale benadering is als vanzelf ontstaan en krijgt gaandeweg meer erkenning van provinciale overheden. Dat wil niet zeggen dat deze benadering op andere schaalniveaus door diezelfde partijen wordt erkend en gestimuleerd. Een legitimering van deze lokale benadering en borging vanuit de hogere schaalniveaus is nodig om lokaal op grotere schaal effectiever te zijn.

 

Aanbeveling 6. Geef de ruimte aan de lokale wilde zwijnen overleggen, de zwijnentafels. Faciliteer de processen die daar ontstaan op de hogere schaalniveaus (zie andere aanbevelingen). Zorg voor de borging van de afspraken.

 

8. Integrale afweging

Het faunabeleid is gedecentraliseerd. Het is onderdeel geworden van het provinciale (natuur)beleid. Tegelijkertijd is er een dierziektebeleid op nationaal niveau. Gelet op de integrale afweging die wordt gemaakt (natuur, verkeersveiligheid, landbouw) en de zonering die dat met zich meebrengt, ligt het voor de hand om deze afweging te maken binnen het ruimtelijk beleid van de provincies. Dat versterkt het gezag van het ontwikkelde beleid en de borging daarvan. De nieuwe natuurwet, de decentralisatie van natuurbeleid en –uitvoering en de zich ontwikkelde wild populaties zijn wellicht aanleiding om in de relevante provincies het beleid voor faunabeheer te herijken. In deze herijking kan de veranderende werkelijkheid voor wilde zwijnen worden opgenomen.

 

Aanbeveling 7. Als het beleid voor wilde zwijnen ruimtelijk expliciet wordt gemaakt ligt een afweging binnen het provinciale ruimtelijk beleid voor de hand.

Print Friendly

Reageren is niet mogelijk