Provincie Groningen gaat met haar jachtverbod in tegen de wet en uitspraak Staatsecretaris van Dam

De NOJG vindt het besluit van de provincie Groningen nietig is, omdat het volledig tegen de Wet natuurbescherming art 3.20 3e lid Wnb ingaat  waarin de verantwoordelijkheid v.w.b. de wildsoorten bij de jachthouder ligt en dat dit ook nog eens volledig in tegenspraak is met de uitspraken van de Staatsecretaris van Dam in zijn brief aan de Eerste Kamer van 20 mei 2016.

 

In de Wet Natuurbescherming staat ook dat Provinciale Staten regels kunnen stellen over de in hun provincie werkzame Faunabeheereenheid en het door die Faunabeheereenheid op te stellen faunabeheerplan. Deze regels reiken echter niet zo ver dat provincies het recht van de jachthouder op het uitoefenen van de jacht verdergaand kunnen beperken of zelfs ontzeggen. Wanneer er binnen een Faunabeheereenheid geen overeenstemming bestaat over het faunabeheerplan, blijven voor de uitoefening van de jacht door de jachthouder de overige voorgestelde regels van toepassing: hij dient op zijn jachtveld een redelijke wildstand te handhaven of te bereiken.

Staatssecretaris Van Dam: ‘Provincie moet jachthouder ruimte bieden om jacht uit te oefenen’
Nogmaals laat de staatssecretaris weten in zijn brief aan de Eerste Kamer van 20 mei 2016, dat provincies twee bevoegdheden hebben ten aanzien van de jacht:

  1. Een provincie kan de jacht sluiten wegens bijzondere weersomstandigheden.
  2. Een provincie kan regels stellen over de inhoud van onderdeel jacht in het Faunabeheerplan, waarbij uit de wet volgt dat het faunabeheerplan de jachthouder ruimte moet bieden om de redelijke wildstand te handhaven/bereiken en de jacht uit te oefenen. Provincies hebben expliciet niet het recht om de jachthouder het uitoefenen van de jacht te beperken of te ontzeggen. Aan deze uitleg voegt de staatssecretaris toe dat er dus geen ruimte is voor een eigen interpretatie.

Redelijke wildstand
Van Dam geeft aan dat het de jachthouder (de jager die een jachtveld bezit of beheert) is toegestaan om in zijn jachtveld te jagen op wild van de vijf in de wet aangewezen soorten: wilde eend, fazant, houtduif, konijn en haas. Deze bepaling in de huidige Flora- en faunawet wordt voortgezet in de nieuwe Wet Natuurbescherming die op 1 januari 2017 van kracht wordt. De jager dient datgene te doen wat een goed jachthouder betaamt om een redelijke wildstand in zijn jachtveld te handhaven of te bereiken, en om schade door in zijn jachtveld aanwezig wild te voorkomen. Het is de minister van Economische Zaken die bepaalt in hoeverre de jacht is geopend en Gedeputeerde Staten van provincies hebben alleen de bevoegdheid om de jacht te sluiten bij bijzondere weersomstandigheden (bv. strenge vorst).

 

Print Friendly, PDF & Email

Reageren is niet mogelijk