Zachte winter en ruim 5 miljoen watervogels

Watervogels achtergrond
Bericht uitgegeven door Sovon Vogelonderzoek Nederland op vrijdag 16 januari 2015

In een zachte winter tellen we tegenwoordig ruim 5 miljoen watervogels in januari. Dat vertelt coördinator Menno Hornman van Sovon op basis van de gegevens van de midwintertellingen in de afgelopen jaren. ‘Voor de komende telling verwacht ik weer veel ganzen en eenden. Door het zachte weer verspreiden ze zich wat meer dan tijdens een koudere periode: bij vorst concentreren ze zich in grote groepen.’ In het komende weekend worden niet alleen de tuinvogels geteld, maar gaan ook ruim 1600 tellers op pad om watervogels in vrijwel het hele land te tellen.

In het weekend van 17 en 18 januari vindt de 49e editie van de internationale midwintertelling plaats. Honderden vogelaars in Europa en Afrika gaan weer op pad om hun telgebied af te zoeken en alle watervogels te noteren. Op die manier ontstaat er een goed beeld van de aantallen overwinterende watervogels in ons Nederland en elders langs de trekroutes.
5,5 miljoen
Tijdens de midwintertelling van 2014 werden 5,5 miljoen watervogels geteld, samen met 2012 het hoogste aantal ooit. De vorige winter was een bijzonder zachte en ook nu zijn de temperaturen weer bovengemiddeld. Zulk zacht weer is gunstig voor veel eenden- en ganzensoorten, die in toenemende aantallen komen overwinteren in Nederland. Van alle getelde vogels maken eenden en ganzen momenteel ongeveer 70% uit. De top-3 van 2014 was kolgans (1), brandgans (2) en smient (3). De brandgans en kolgans strijden al een tijdje om de eerste plek, terwijl de smient de laatste jaren iets achteruit gaat.

Zacht weer, veel vogels?

Voor het komende weekend verwacht Menno Hornman van Sovon, die de telling in Nederland coördineert, dat er iets minder kolganzen en toendrarietganzen worden geteld dan in de voorgaande jaren. ‘Door het zachte winterweer in West-Europa blijven veel ganzen ten noordoosten van ons land. Anderzijds blijven er wel juist veel kieviten in ons land, die anders wat zuidelijker zitten. Hetzelfde geldt misschien voor enkele andere steltlopers, en zeker ook voor eenden die aan ondiep water gebonden zijn, zoals pijlstaart en krakeend. Anderzijds zullen soorten als grote zaagbek en nonnetje, die we vooral associëren met vorst, wel niet heel talrijk zijn. In de Oostzee, waar belangrijke aantallen zitten totdat zware vorst inzet, is van grootschalige ijsvorming nog geen sprake.’
Fuut midwinter 2014 Fuut
Minder goed gaat het met de fuut, die sinds de eeuwwisseling in steeds lagere aantallen gezien wordt. Deze achteruitgang is vooral te zien in de zoute Delta, waar de groepen futen ten opzichte van de jaren tachtig en negentig flink zijn gekrompen. Maar dat was dan ook een tijd waarin de landelijke aantallen floreerden, deels dankzij het beschikbaar komen van visrijke wateren (ook in het Deltagebied). De fuut is ondanks enige afname nog steeds een wijdverspreide overwinteraar, waarvan je er vooral op grote, open wateren honderden kunt tegenkomen (figuur 1). En tellen.

Tekst: Albert de Jong, Sovon Vogelonderzoek Nederland
Figuur: Sovon Vogelonderzoek Nederland

Print Friendly

Reageren is niet mogelijk