Telers Noord-Holland starten pilot tegen toenemende houtduivenschade

De provincie verwacht dat ondernemers de schade actief kunnen voorkomen. Tegelijkertijd moet de pilot gevalideerde gegevens opleveren die als basis kunnen dienen voor toekomstig beleid.

Vollegrondsgroenteteler Roel Bakker uit Wervershoof Noord-Hollandziet de schade al jaren toenemen.

“Dat is misschien wel het verraderlijke van dit probleem. Elk jaar wordt het iets erger en als ondernemer groei je daar ongemerkt in mee. Achteraf denk je: hoe hebben we het zover kunnen laten komen?”

Pleister op een veel grotere wond

Op zijn huisperceel laat Bakker zien wat houtduiven kunnen aanrichten. Op de plek waar enkele weken eerder een stuk afdekdoek was weggewaaid, is het gewas vrijwel volledig verdwenen.

Bij een recent ingeplant perceel plaatst hij glinsterende molentjes, een van de middelen die volgens de regels verplicht zijn voordat ondersteunend afschot mag worden ingezet.

“Die molentjes doen eigenlijk niets, maar ze zijn wel een vereiste.”

Pilotcoördinator Raymond Zutt wijst naar een nabijgelegen bomenrij.

“Daar zitten de houtduiven veilig. Zodra ze voedsel zoeken, vliegen ze zo het perceel op.”

Volgens Bakker is dat precies het probleem. Jarenlang probeerden telers de schade te beperken met doeken, linten, knalapparaten en andere werende maatregelen.

“Dat kost veel geld en arbeid, maar het biedt onvoldoende bescherming. Op een gegeven moment lag bijna alles onder doek. Ganzen lopen eroverheen, duiven kruipen eronder en ondertussen krijgen we problemen met onkruid, schimmels en insecten. Het is geen oplossing, hooguit een pleister op een veel grotere wond.”

Miljoenenprobleem

Het besluit van de provincie om de schadevergoeding af te schaffen zorgde voor veel onrust in de sector. In 2025 werd in Noord-Holland nog ruim 9 miljoen euro aan schade vergoed. De vijf deelnemers aan de pilot ontvingen daarvan gezamenlijk ruim 1 miljoen euro.

Volgens Bakker draait het niet in de eerste plaats om de vergoeding.

“Wij willen gewoon een goed gewas telen, oogsten en leveren aan onze afnemers. Daarom ben ik blij dat we nu eindelijk iets kunnen doen.”

Zutt, voormalig jager, bestuurder binnen de wildbeheereenheid en projectmanager, vormt de schakel tussen telers, jagers, provincie en andere betrokken partijen.

“Dit is een gevoelig onderwerp. Telers zien hun gewassen verdwijnen, terwijl ook overheden, natuurorganisaties en omwonenden meekijken. Daarom is het belangrijk dat we met elkaar in gesprek blijven.”

Professionele aanpak

Het pilotgebied is verdeeld in een noordelijk en een zuidelijk deel. Twee professionele jagers rijden dagelijks een vaste route langs de deelnemende percelen.

Volgens Zutt vraagt de omvang van het probleem om een andere aanpak dan in het verleden.

“Lokale jagers doen ontzettend hun best, maar houtduiven zijn er iedere dag. Verjaag je ze ’s morgens, dan zijn ze ’s middags vaak alweer terug.”

Bakker vult aan:

“Schadebestrijding rust nu grotendeels op vrijwilligers die dit naast hun werk doen. Zo’n miljoenenprobleem kun je niet alleen bij hen neerleggen.”

Zutt begrijpt dat de inzet van professionele schadebestrijders soms gevoelig ligt.

“Sommige jagers zien ineens professionals actief worden in gebieden waar zij al jaren komen. Tegelijkertijd ziet vrijwel iedereen dat de schade zo groot is geworden dat extra inzet nodig is. Uiteindelijk hebben we hetzelfde doel: de schade terugbrengen zonder de natuur uit balans te brengen.”

Eerste resultaten voorzichtig positief

Hoewel de pilot nog loopt, zijn de eerste signalen volgens Zutt bemoedigend.

Percelen waar regelmatig afschot plaatsvindt lijken minder aantrekkelijk te worden voor houtduiven.

“Op veel plekken zijn de vogels gewend geraakt aan linten, molentjes en knalapparaten. Afschot heeft een afschrikkend effect. Als ze ergens gevaar ervaren, blijven ze langer weg.”

Data als basis voor nieuw beleid

De pilot draait niet alleen om schadebeperking, maar ook om het verzamelen van betrouwbare gegevens.

Volgens Zutt wordt in landelijke discussies vaak verwezen naar cijfers die wijzen op een afnemende houtduivenpopulatie, terwijl telers in West-Friesland juist een sterke toename ervaren.

“Veel tellingen vinden plaats voordat er voldoende voedsel op de akkers beschikbaar is. Dan verblijven de duiven vooral in bosgebieden en worden ze nauwelijks geteld. In de praktijk ervaren telers hier juist dat de aantallen fors zijn toegenomen.”

Bakker hoopt dat de sector lessen trekt uit het verleden.

“We hebben het te lang laten oplopen. Dat moeten we erkennen. Maar boos blijven helpt niet. We moeten laten zien wat werkt. Als deze pilot dat kan aantonen, hebben we eindelijk een basis om verder te komen.”

Pilot moet bouwstenen leveren voor nieuw beleid

De pilot loopt tot en met juli en wordt gefinancierd door de provincie Noord-Holland en de deelnemende telers.

Tijdens de proef worden onder meer schadecijfers, waarnemingen van houtduiven, de inzet van jagers en de resultaten van verschillende maatregelen vastgelegd. Die gegevens moeten duidelijk maken welke aanpak daadwerkelijk effectief is.

Een belangrijke voorwaarde is dat telers schade blijven melden bij BIJ12, ook al staat daar momenteel geen vergoeding meer tegenover.

Volgens Zutt is juist die registratie essentieel.

“In het verleden werd veel schade wel ervaren, maar niet gemeld. Terwijl beleid uiteindelijk wordt gebaseerd op cijfers en feiten. Zonder data verandert er niets.”

Taxateurs van BIJ12 nemen de schade tijdens de pilot kosteloos op. Die objectieve gegevens moeten inzicht geven in de omvang van het probleem én het effect van de gekozen aanpak. Als de resultaten positief zijn, kan gecoördineerde schadebestrijding in de toekomst mogelijk op grotere schaal worden ingezet.

Bron:Nieuwe oogst




Stichting Jachtopleidingen Nederland -Cursus Wildhygiëne 2026 Gekwalificeerd Persoon – Najaar 2026




Nieuwsbrief Praktijk Centrum Jacht & Fauna juni 2026




Tweede Kamer heeft vraagtekens bij huidige methode voor beoordeling staat van instandhouding vogelsoorten

Geplaatst: 24 juni 2026

Momenteel werkt de regering aan een aanpassing van de systematiek die wordt gebruikt om de staat van instandhouding van algemeen voorkomende wilde diersoorten te beoordelen. Deze beoordeling speelt een belangrijke rol bij het vormgeven van natuurbeleid en bij besluiten over bescherming, beheer en ruimtelijke ontwikkelingen.

Voor vogelsoorten wordt in Nederland een methodiek toegepast die niet rechtstreeks voortvloeit uit de Europese Vogelrichtlijn. De huidige werkwijze is nationaal ontwikkeld en is gebaseerd op een beoordelingsmethode uit de Habitatrichtlijn. Die richtlijn is oorspronkelijk bedoeld voor het beoordelen van de staat van instandhouding van kwetsbare en bedreigde flora- en faunasoorten. Volgens JA21 roept de toepassing van deze systematiek op veel voorkomende vogelsoorten vragen op over de geschiktheid en proportionaliteit ervan.

De partij wijst erop dat er in de praktijk discussie bestaat over de gehanteerde referentiewaarden en de manier waarop ontwikkelingen in verspreiding en populatieomvang worden geïnterpreteerd. Hierdoor kan volgens de indieners een situatie ontstaan waarin soorten met omvangrijke en stabiele populaties toch als ongunstig worden beoordeeld. Dat zou gevolgen kunnen hebben voor beleidskeuzes en de maatschappelijke acceptatie van natuurmaatregelen.

Met de aangenomen motie vraagt de Tweede Kamer de regering om te onderzoeken of voor vogelsoorten een aangepaste beoordelingssystematiek kan worden ontwikkeld die beter aansluit bij de feitelijke omvang en ontwikkeling van populaties. Daarbij zou moeten worden bekeken of de huidige criteria voldoende recht doen aan soorten die weliswaar veranderingen in verspreiding laten zien, maar waarvan de aantallen op nationaal niveau nog steeds groot en duurzaam zijn.

JA21 benadrukt dat een betrouwbare en wetenschappelijk onderbouwde beoordeling van de staat van instandhouding essentieel is voor effectief natuurbeheer. Een beoordelingssysteem moet volgens de partij zowel ecologisch verantwoord als praktisch toepasbaar zijn en voldoende draagvlak bieden voor de uitvoering van natuurbeleid.

Met de aanneming van de motie krijgt de regering de opdracht om de beoordeling van vogelsoorten nadrukkelijk te betrekken bij de voorgenomen herziening van de instandhoudingsmethodiek voor wilde diersoorten.

Bron: Tweede Kamer, 23 juni 2026.




Tweede Kamer pleit voor meer landelijke regie op beheer van groeiende ganzenpopulaties

Volgens de indieners van de motie vormt de sterke groei van verschillende ganzenpopulaties een steeds grotere uitdaging voor landbouw, natuurbeheer en de openbare ruimte. De schade die ganzen veroorzaken aan landbouwgewassen is de afgelopen jaren aanzienlijk toegenomen. Daarnaast leiden grote aantallen ganzen op diverse locaties tot problemen op het gebied van verkeersveiligheid, waterkwaliteit en natuurbeheer. De verwachting is dat deze schade en overlast de komende jaren verder zullen toenemen wanneer geen aanvullende maatregelen worden genomen.

De Kamerfracties stellen dat een effectief en goed georganiseerd systeem van jacht, populatiebeheer en schadebestrijding noodzakelijk is om de negatieve gevolgen van de groeiende ganzenstand te beperken. Daarbij wijzen zij erop dat een doelgericht beheer niet alleen kan bijdragen aan het terugdringen van faunaschade en de daarmee samenhangende maatschappelijke kosten, maar ook ondersteuning kan bieden aan bredere natuurdoelen en het behoud van een evenwichtige biodiversiteit.

In de motie wordt de regering verzocht om bij de herziening van het huidige faunabeheerbeleid concrete voorstellen uit te werken voor een meer uniforme en landelijk gecoördineerde aanpak. Volgens de indieners bestaan er momenteel aanzienlijke verschillen tussen provincies in de wijze waarop ganzenbeheer wordt uitgevoerd, waardoor de effectiviteit van maatregelen kan afnemen. Een sterker landelijk kader zou kunnen zorgen voor meer samenhang, duidelijkheid en doelmatigheid in de uitvoering van het beheer.

Daarnaast benadrukken de partijen dat het tijdstip waarop beheermaatregelen worden uitgevoerd van groot belang is voor het behalen van resultaten. Zij wijzen erop dat bejaging en populatiebeheer buiten het broedseizoen, en met name gedurende de wintermaanden, vaak effectiever zijn bij het beperken van de aantallen ganzen. Tegelijkertijd kan een dergelijke aanpak verstoring van broedende vogels voorkomen en daarmee beter aansluiten bij natuur- en dierenwelzijnsdoelstellingen.

Met de aangenomen motie geeft de Tweede Kamer een duidelijk signaal af aan het kabinet dat de problematiek rond ganzenpopulaties niet langer uitsluitend als een regionale aangelegenheid moet worden beschouwd. De Kamer verwacht dat de regering bij de komende herziening van het jacht- en faunabeheerstelsel onderzoekt hoe landelijke regie kan bijdragen aan een effectievere beheersing van ganzenpopulaties, met oog voor zowel landbouwbelangen als natuurbeheer en maatschappelijke kosten.

Bron: MOTIE VAN HET LID KOOREVAAR C.S. in Tweede Kamer, aangenomen motie d.d. 23 juni 2026.




Jagersverenigingen verwerpen beschuldigingen jagers van wildstroperij wolven

In het rapport wordt gesuggereerd dat wolven onder meer zijn doodgeschoten, opzettelijk aangereden of vergiftigd. Daarbij worden personen uit de kring van veehouders en jagers genoemd als mogelijke daders. Het rapport doet aanbevelingen aan overheden, handhavers, belangenorganisaties en andere betrokken partijen om wolvenvervolging tegen te gaan.

De Nederlandse Organisatie voor Jacht en Grondbeheer (NOJG) en de Jagersvereniging wijzen elke vorm van illegale vervolging of doding van wolven af. Zij benadrukken dat overtreders niet namens hun organisaties handelen en dat dergelijke acties strijdig zijn met de waarden van verantwoord jacht- en wildbeheer.

Tegelijkertijd verwerpen beide organisaties de beschuldigingen richting jagers als groep. Volgens hen zijn de conclusies in het rapport grotendeels gebaseerd op anonieme verklaringen, vermoedens en interpretaties en ontbreekt voldoende bewijs voor zulke ernstige aantijgingen. Zij vinden dat eventuele strafbare feiten moeten worden onderzocht door politie, justitie en toezichthouders op basis van feiten en bewijs.

De NOJG en de Jagersvereniging waarschuwen dat algemene verdachtmakingen van jagers de maatschappelijke polarisatie rond de wolf vergroten. Zij pleiten voor een duidelijk wolvenbeleid, goede bescherming van vee, effectieve schadepreventie, monitoring en waar nodig beheer van probleemwolven. Daarnaast geven zij aan mee te werken aan officiële onderzoeken en passende maatregelen te nemen als leden daadwerkelijk schuldig blijken aan strafbare feiten.

De organisaties veroordelen illegale wolvenvervolging, maar verzetten zich tegen het volgens hen ongefundeerd beschuldigen van jagers als groep zonder concreet bewijs.




Stevige aanpak van Limburgse wasbeer nodig om verspreiding in Nederland te voorkomen

Exoot vormt bedreiging voor natuur, landbouw en gezondheid

De wasbeer is oorspronkelijk afkomstig uit Noord-Amerika en komt van nature niet voor in Europa. Door ontsnappingen en introducties heeft de soort zich de afgelopen jaren echter gevestigd in Limburg.

Volgens de provincie veroorzaakt de wasbeer schade aan landbouwgewassen, vormt hij een bedreiging voor kwetsbare en zeldzame diersoorten en kan hij ziekten overbrengen op mens en dier. Daarnaast kunnen wasberen aanzienlijke schade veroorzaken aan woningen en andere gebouwen.

Nu handelen voorkomt grotere problemen later

De provincie waarschuwt dat uitstel van maatregelen kan leiden tot een landelijk probleem. Wasberen zijn zeer flexibel, planten zich snel voort en passen zich gemakkelijk aan nieuwe leefomgevingen aan. Uit de evaluatie blijkt dat eerdere ingrepen de groei van de populatie slechts tijdelijk hebben afgeremd.

Wanneer de bestrijding wordt verminderd of stopgezet, zal de soort zich volgens de provincie verder verspreiden door Nederland. Het volledig verwijderen van de populatie wordt dan steeds moeilijker. Daarom blijft de inzet van een professioneel vangteam en een actief meldpunt noodzakelijk.

Gedeputeerde Léon Faassen (Natuur) benadrukt de ernst van de situatie. Volgens hem leven er in Duitsland inmiddels meer dan anderhalf miljoen wasberen en is de soort daar niet meer terug te dringen. Ook in het Belgische Wallonië komen inmiddels tienduizenden exemplaren voor. Omdat driekwart van de Limburgse provinciegrens grenst aan Duitsland en België, is voortdurende instroom van dieren een reëel risico.

Samenwerking over grenzen heen essentieel

De evaluatie laat zien dat Limburg alleen succesvol kan zijn met een langdurige en goed georganiseerde aanpak. Daarbij is samenwerking met het Rijk, andere provincies en de buurlanden België en Duitsland onmisbaar om nieuwe instroom en verdere verspreiding tegen te gaan.

Limburg rekent erop dat alle betrokken overheden de afspraken uit het landelijke aanvalsplan voor invasieve exoten nakomen. Het doel is om de Nederlandse wasbeerpopulatie uiterlijk in 2027 volledig te verwijderen en nieuwe vestigingen te voorkomen.

Volgens de provincie kan snel en doelgericht optreden, onder meer door actieve bestrijding, jacht en het gebruik van specialistische hulpmiddelen zoals nachtkijkers, op termijn juist veel dierenleed voorkomen. Zonder ingrijpen zouden in de toekomst op grotere schaal maatregelen nodig zijn.

Faassen roept daarom op tot blijvende alertheid: “De wasbeer ziet er misschien vriendelijk en aaibaar uit, maar het is een invasieve soort die grote problemen kan veroorzaken. Alleen door nu gezamenlijk en daadkrachtig op te treden, kunnen we voorkomen dat de situatie onbeheersbaar wordt.”

Wasbeer gezien?

Inwoners die een wasbeer signaleren, worden gevraagd dit te melden via het wasberenmeldpunt.




Uitnodiging Kleiduivenwedstrijd Regio Fryslân 25 sept 2026




Nieuwsbrief NOJG – Kamerbrief Wet Wapens en Muntie

Beste NOJG leden,

Gisteren is er een Kamerbrief verstuurd over de nieuw te ontwikkelen Wet wapens en munitie, te raadplegen via Hoofdlijnen en uitgangspunten nieuwe Wet wapens en munitie | Tweede Kamer der Staten-Generaal. De pers heeft hier inmiddels ook over bericht.

Dit komt voor ons niet als een verrassing. Wij zijn al langere tijd, samen met onze zusterorganisaties, in overleg met het ministerie over de nieuwe wet.

Dat het thuisbezit van wapens niet meer zou worden toegestaan, zal niet gelden voor jacht, beheer en schadebestrijding. Dit is gebleken uit het overleg met het ministerie. Dat betekent dat wij onze wapens gewoon thuis in de kluis mogen blijven bewaren.

Andere plannen die op tafel liggen zijn onder meer een jaarlijkse schietproef en een fysieke en psychische screening, mogelijk zelfs voorafgaand aan de jachtopleiding. Dit zijn op dit moment echter slechts ideeën; er is nog geen concrete invulling aan gegeven en het overleg hierover loopt nog.

Wij zullen uw belangen als jagers, beheerders en schadebestrijders daarin zo goed mogelijk behartigen en houden u uiteraard op de hoogte.

Met vriendelijke groet,

Maurice J.J.E. Stassen




Ruim 12.500 aanvragen voor tegemoetkoming faunaschade in 2025


BIJ12 behandelde in schadejaar 2025 in totaal 12.631 aanvragen voor een tegemoetkoming in faunaschade. Namens de provincies keerde BIJ12 ruim 92 miljoen euro uit. Dat is 18% meer dan in 2024. Tegelijkertijd daalde het gemiddelde getaxeerde en uitgekeerde bedrag per aanvraag licht.

Van het totale uitgekeerde bedrag ging 80% naar schade door watervogels, vooral aan voorjaars- en zomergras.

In schadejaar 2025 behandelde BIJ12 12.631 aanvragen voor een tegemoetkoming in faunaschade. In totaal heeft BIJ12 vorig jaar ruim € 92 miljoen uitbetaald namens de provincies. Veruit het grootste deel van dit bedrag (80%) ging naar schade door watervogels, vooral aan voorjaars- en zomergras. De schade door wolven bedroeg ruim € 1,5 miljoen.

Bekijk de infographics met faunaschadecijfers van 2025 voor Nederland en per provincie (.pdf)

Toename van het aantal aanvragen

Het aantal aanvragen voor een tegemoetkoming in faunaschade is in tien jaar tijd ruim verdubbeld. Die groei hangt waarschijnlijk samen met wijzigingen in de regelgeving, waardoor voor meer diersoorten een tegemoetkoming mogelijk is.

Ook is in meer provincies de landelijke vrijstelling voor het bestrijden van bepaalde schadeveroorzakende diersoorten vervallen. Daardoor is verjaging met ondersteunend afschot daar niet langer toegestaan. Dit leidde tot meer uitbetalingen, vooral voor schade door houtduiven, zwarte kraaien en kauwen.

Daarnaast hebben meerdere provincies de leges afgeschaft. Daardoor is de drempel om een aanvraag in te dienen lager geworden. Grondgebruikers dienen bovendien vaak meerdere aanvragen per jaar in, met name voor grasland.

Watervogels veroorzaken de meeste schade

Watervogels veroorzaakten ook in 2025 veruit de meeste schade, vooral aan grasland. In totaal bedroeg deze schade ruim 72 miljoen euro.

  • Grauwe ganzen veroorzaakten binnen deze groep de meeste schade.
  • Daarna volgden brandganzen, kolganzen, smienten, rotganzen en knobbelzwanen.
  • Van de schade ontstond 34% in ganzenfoerageergebieden: door provincies aangewezen gebieden langs trekroutes waar vogels kunnen rusten en eten en waar geen verjaging plaatsvindt.

Sterke stijging van schade door houtduiven

Landelijk is de schade door houtduiven de afgelopen twee jaar sterk gestegen. De meeste schade door houtduiven ontstond in Noord-Holland, waar veel vollegrondsgroenten worden geteeld. Omdat deze gewassen per hectare meer opbrengen dan bijvoorbeeld granen of grasland, kan de schade oplopen tot 300.000 euro per aanvraag.

Meer tegemoetkomingen voor wolvenschade

BIJ12 verleende in 2025 1.026 tegemoetkomingen voor wolvenschade aan vee. Hiervoor werd ruim 1,55 miljoen euro uitgekeerd, bijna twee keer zoveel als in 2024. De meeste wolvenschade werd uitgekeerd in de provincie Gelderland.

Bron: BIJ12, 16/06/2026