Uitspraak Rechtbank Den Haag 9 juli 2026 – damherten Hoeksche Waard

Gegevens uitspraak

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 9 juli 2026
Datum publicatie 9 juli 2026
Zaaknummer SGR 24/8413
Rechtsgebied Omgevingsrecht / natuurbeschermingsrecht
Soort procedure Eerste aanleg, meervoudige kamer
Uitkomst Beroep gegrond; het besluit van het college is vernietigd.

Waar ging de zaak over?

Achtergrond van het besluit

Het college had al eerder, in 2020, geprobeerd om de damhertenpopulatie in de Hoeksche Waard tot nul terug te brengen. Dat eerdere besluit werd door de rechtbank in 2021 vernietigd, omdat onvoldoende was gemotiveerd waarom de gehele populatie moest worden gedood. Daarna nam het college in 2024 opnieuw een besluit met dezelfde strekking: de populatie moest alsnog naar nul.

Voor het nieuwe besluit baseerde het college zich vooral op een beheeradvies over het damwild in de Hoeksche Waard. Daarin werd ingegaan op de herkomst van de dieren, de verwachte groei van de populatie en mogelijke beheermaatregelen. Volgens het college stamde de populatie af van drie damherten die rond het jaar 2000 uit een hertenkamp in Numansdorp zouden zijn ontsnapt.

Juridisch kader

Het damhert is onder de Wet natuurbescherming een beschermde diersoort. In beginsel is het verboden om beschermde dieren opzettelijk te doden. Het college kan onder voorwaarden opdracht geven om een populatie te beperken, bijvoorbeeld ter voorkoming van ernstige schade aan gewassen of in het belang van de openbare veiligheid.

Een belangrijk onderscheid in deze zaak is dat bij verwilderde dieren minder zware toetsingsvereisten gelden dan bij wilde beschermde dieren. Als de damherten als verwilderd worden aangemerkt, hoeft het college bijvoorbeeld niet dezelfde toets uit te voeren naar alternatieven en de staat van instandhouding. Daarom was de vraag of de populatie uitsluitend uit verwilderde dieren bestaat juridisch zeer belangrijk.

Waren de stichtingen belanghebbenden?

De faunabeheereenheid stelde dat de stichtingen niet-ontvankelijk moesten worden verklaard, omdat zij geen feitelijke werkzaamheden zouden verrichten die specifiek zagen op het beperken van schade door damherten of het bevorderen van verkeersveiligheid in de Hoeksche Waard.

De rechtbank ging daar niet in mee. Voor belangenorganisaties is bepalend of zij volgens hun statuten en feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks betrokken algemeen of collectief belang behartigen. De rechtbank vond dat Stichting Animal Rights en Stichting Fauna4Life voldoende feitelijke activiteiten verrichten, zoals lobby, publicaties en bijeenkomsten. Zij werden daarom als belanghebbenden aangemerkt en hun beroep werd inhoudelijk behandeld.

Oordeel over de vraag of de damherten verwilderd zijn

De rechtbank oordeelde dat het college onvoldoende had onderbouwd dat de damhertenpopulatie in de Hoeksche Waard uitsluitend uit verwilderde dieren bestaat. Het college verwees vooral naar de stelling dat drie damherten rond 2000 uit een hertenkamp in Numansdorp waren ontsnapt. Maar zelfs als dat klopt, volgt daaruit volgens de rechtbank niet automatisch dat de huidige populatie alleen nog uit nakomelingen van die ontsnapte dieren bestaat.

Damherten

De rechtbank wees erop dat uit gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna blijkt dat damherten ook buiten de bekende kernleefgebieden zijn waargenomen, onder meer in gebieden dichter bij de Hoeksche Waard. Het college kon niet uitsluiten dat wilde damherten van elders zich met de populatie in de Hoeksche Waard hadden vermengd.

Daarbij vond de rechtbank het tegenstrijdig dat het beheeradvies enerzijds vermeldt dat toekomstige uitwisseling met damherten van elders goed mogelijk is, terwijl het college anderzijds stelde dat zulke uitwisseling in het verleden zeer onaannemelijk was vanwege barrières zoals snelwegen en waterwegen. Het college had niet inzichtelijk gemaakt waarom die barrières in de toekomst wel, maar in het verleden niet zouden kunnen zijn gepasseerd. Omdat genetisch onderzoek volgens het beheeradvies de enige zekere manier is om de herkomst vast te stellen en zo’n onderzoek niet was verricht, was de onderbouwing onvoldoende.

Oordeel over schade aan gewassen

Het college stelde dat de damherten ernstige schade veroorzaken aan landbouwgewassen en dat de schade zal toenemen als de populatie blijft groeien. De rechtbank erkende dat er op basis van enkele taxaties uit 2021, 2022 en 2024 sprake was van een concrete dreiging van ernstige schade. Die taxaties waren volgens BIJ12-protocollen opgesteld en de schadebedragen lagen duidelijk boven de drempel die in de rechtspraak relevant wordt geacht.

Maar daarmee was nog niet aangetoond dat de volledige populatie moest worden gedood. De rechtbank benadrukte dat het bij de wettelijke grondslag gaat om het voorkomen van ernstige schade, niet om het voorkomen van elke schade. Het college had niet duidelijk gemaakt waarom het handhaven van een kleinere populatie, bijvoorbeeld 40 dieren, al tot ernstige schade zou leiden.

De rechtbank vond daarom dat het college niet deugdelijk had gemotiveerd waarom het noodzakelijk was om de populatie tot nul terug te brengen. Dat een populatie van 40 dieren mogelijk op lange termijn niet levensvatbaar zou zijn vanwege inteelt, overtuigde de rechtbank niet, mede omdat uitwisseling met damherten van elders niet kon worden uitgesloten.

Oordeel over verkeersveiligheid

Ook het beroep op verkeersveiligheid slaagde niet als motivering voor het volledig verwijderen van de populatie. Het college wees op aanrijdingen met damherten en stelde dat een grotere populatie de kans op ongevallen vergroot. De rechtbank vond echter dat de cijfers dit standpunt onvoldoende ondersteunden.

In de periode 2016 tot en met 2022 waren slechts enkele aanrijdingen geregistreerd. Bovendien bleek uit het verweerschrift dat tussen 1 april 2025 en 31 maart 2026 geen enkele aanrijding met damherten was geregistreerd. De rechtbank onderschreef het eerdere oordeel van de voorzieningenrechter dat het college niet deugdelijk had gemotiveerd waarom verkeersveiligheid vereiste dat de gehele populatie moest verdwijnen.

Waren er andere bevredigende oplossingen?

De rechtbank beoordeelde ook of er andere bevredigende oplossingen waren dan afschot. Voor het voorkomen van ernstige schade aan gewassen vond de rechtbank dat het college voldoende aannemelijk had gemaakt dat alternatieven, zoals het plaatsen van rasters, niet geschikt en proportioneel waren. In de Hoeksche Waard is sprake van veel wisselteelt en een agrarisch landschap waarin volledige of gerichte afrastering praktisch lastig en ingrijpend is.

Op dit punt kregen eiseressen dus geen gelijk. De rechtbank vond dat het college voldoende had onderbouwd dat het doden van een deel van de populatie als maatregel tegen gewasschade niet zonder meer kon worden vervangen door minder ingrijpende alternatieven. Omdat de verkeersveiligheidsgrond al onvoldoende was onderbouwd, hoefde de rechtbank niet uitgebreid te beoordelen of daarvoor alternatieven bestonden.

Eindconclusie van de rechtbank

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond. Het college had onvoldoende zorgvuldig onderzoek gedaan en het besluit onvoldoende gemotiveerd. Vooral twee punten waren doorslaggevend: het college had niet bewezen dat de populatie uitsluitend uit verwilderde dieren bestaat, en het had niet overtuigend gemotiveerd waarom de populatie tot nul moest worden teruggebracht in plaats van tot een lager niveau.

Daarom vernietigde de rechtbank het besluit van 1 oktober 2024. Het college moet het betaalde griffierecht van € 371,- aan eiseressen vergoeden en wordt veroordeeld tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten. De voorlopige voorziening die eerder toestond dat de populatie voorlopig tot 40 dieren mocht worden teruggebracht, vervalt met deze uitspraak.

Praktische betekenis van de uitspraak

De uitspraak betekent niet dat beheer van de damhertenpopulatie in de Hoeksche Waard onmogelijk is. De rechtbank erkent dat er een concrete dreiging van ernstige schade aan gewassen kan bestaan en dat gedeeltelijk ingrijpen mogelijk verdedigbaar kan zijn. Maar de rechtbank maakt duidelijk dat een besluit om de hele populatie tot nul terug te brengen zeer zorgvuldig moet worden onderbouwd.

Voor een nieuw besluit zal het college beter moeten motiveren wat de juridische status en herkomst van de populatie is, waarom een bepaald populatieniveau noodzakelijk is, en waarom minder vergaande maatregelen onvoldoende zijn. Met name als het college opnieuw wil uitgaan van verwilderde dieren of volledige verwijdering van de populatie, zal het steviger ecologisch en juridisch bewijs moeten leveren.

Kort samengevat

  • Het beroep van Stichting Animal Rights en Stichting Fauna4Life is gegrond.
  • Het besluit om de damhertenpopulatie in de Hoeksche Waard tot nul terug te brengen is vernietigd.
  • Het college heeft onvoldoende aangetoond dat alle damherten verwilderde dieren zijn.
  • Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom volledige verwijdering nodig is om ernstige gewasschade te voorkomen.
  • Ook verkeersveiligheid rechtvaardigt volgens de rechtbank niet zonder meer het doden van de hele populatie.
  • De rechtbank accepteert wel dat er een concrete dreiging van ernstige schade aan gewassen kan bestaan en dat alternatieven zoals rasters onvoldoende kunnen zijn.
  • Voor een nieuw besluit is betere ecologische en juridische onderbouwing nodig.



Telers Noord-Holland starten pilot tegen toenemende houtduivenschade

De provincie verwacht dat ondernemers de schade actief kunnen voorkomen. Tegelijkertijd moet de pilot gevalideerde gegevens opleveren die als basis kunnen dienen voor toekomstig beleid.

Vollegrondsgroenteteler Roel Bakker uit Wervershoof Noord-Hollandziet de schade al jaren toenemen.

“Dat is misschien wel het verraderlijke van dit probleem. Elk jaar wordt het iets erger en als ondernemer groei je daar ongemerkt in mee. Achteraf denk je: hoe hebben we het zover kunnen laten komen?”

Pleister op een veel grotere wond

Op zijn huisperceel laat Bakker zien wat houtduiven kunnen aanrichten. Op de plek waar enkele weken eerder een stuk afdekdoek was weggewaaid, is het gewas vrijwel volledig verdwenen.

Bij een recent ingeplant perceel plaatst hij glinsterende molentjes, een van de middelen die volgens de regels verplicht zijn voordat ondersteunend afschot mag worden ingezet.

“Die molentjes doen eigenlijk niets, maar ze zijn wel een vereiste.”

Pilotcoördinator Raymond Zutt wijst naar een nabijgelegen bomenrij.

“Daar zitten de houtduiven veilig. Zodra ze voedsel zoeken, vliegen ze zo het perceel op.”

Volgens Bakker is dat precies het probleem. Jarenlang probeerden telers de schade te beperken met doeken, linten, knalapparaten en andere werende maatregelen.

“Dat kost veel geld en arbeid, maar het biedt onvoldoende bescherming. Op een gegeven moment lag bijna alles onder doek. Ganzen lopen eroverheen, duiven kruipen eronder en ondertussen krijgen we problemen met onkruid, schimmels en insecten. Het is geen oplossing, hooguit een pleister op een veel grotere wond.”

Miljoenenprobleem

Het besluit van de provincie om de schadevergoeding af te schaffen zorgde voor veel onrust in de sector. In 2025 werd in Noord-Holland nog ruim 9 miljoen euro aan schade vergoed. De vijf deelnemers aan de pilot ontvingen daarvan gezamenlijk ruim 1 miljoen euro.

Volgens Bakker draait het niet in de eerste plaats om de vergoeding.

“Wij willen gewoon een goed gewas telen, oogsten en leveren aan onze afnemers. Daarom ben ik blij dat we nu eindelijk iets kunnen doen.”

Zutt, voormalig jager, bestuurder binnen de wildbeheereenheid en projectmanager, vormt de schakel tussen telers, jagers, provincie en andere betrokken partijen.

“Dit is een gevoelig onderwerp. Telers zien hun gewassen verdwijnen, terwijl ook overheden, natuurorganisaties en omwonenden meekijken. Daarom is het belangrijk dat we met elkaar in gesprek blijven.”

Professionele aanpak

Het pilotgebied is verdeeld in een noordelijk en een zuidelijk deel. Twee professionele jagers rijden dagelijks een vaste route langs de deelnemende percelen.

Volgens Zutt vraagt de omvang van het probleem om een andere aanpak dan in het verleden.

“Lokale jagers doen ontzettend hun best, maar houtduiven zijn er iedere dag. Verjaag je ze ’s morgens, dan zijn ze ’s middags vaak alweer terug.”

Bakker vult aan:

“Schadebestrijding rust nu grotendeels op vrijwilligers die dit naast hun werk doen. Zo’n miljoenenprobleem kun je niet alleen bij hen neerleggen.”

Zutt begrijpt dat de inzet van professionele schadebestrijders soms gevoelig ligt.

“Sommige jagers zien ineens professionals actief worden in gebieden waar zij al jaren komen. Tegelijkertijd ziet vrijwel iedereen dat de schade zo groot is geworden dat extra inzet nodig is. Uiteindelijk hebben we hetzelfde doel: de schade terugbrengen zonder de natuur uit balans te brengen.”

Eerste resultaten voorzichtig positief

Hoewel de pilot nog loopt, zijn de eerste signalen volgens Zutt bemoedigend.

Percelen waar regelmatig afschot plaatsvindt lijken minder aantrekkelijk te worden voor houtduiven.

“Op veel plekken zijn de vogels gewend geraakt aan linten, molentjes en knalapparaten. Afschot heeft een afschrikkend effect. Als ze ergens gevaar ervaren, blijven ze langer weg.”

Data als basis voor nieuw beleid

De pilot draait niet alleen om schadebeperking, maar ook om het verzamelen van betrouwbare gegevens.

Volgens Zutt wordt in landelijke discussies vaak verwezen naar cijfers die wijzen op een afnemende houtduivenpopulatie, terwijl telers in West-Friesland juist een sterke toename ervaren.

“Veel tellingen vinden plaats voordat er voldoende voedsel op de akkers beschikbaar is. Dan verblijven de duiven vooral in bosgebieden en worden ze nauwelijks geteld. In de praktijk ervaren telers hier juist dat de aantallen fors zijn toegenomen.”

Bakker hoopt dat de sector lessen trekt uit het verleden.

“We hebben het te lang laten oplopen. Dat moeten we erkennen. Maar boos blijven helpt niet. We moeten laten zien wat werkt. Als deze pilot dat kan aantonen, hebben we eindelijk een basis om verder te komen.”

Pilot moet bouwstenen leveren voor nieuw beleid

De pilot loopt tot en met juli en wordt gefinancierd door de provincie Noord-Holland en de deelnemende telers.

Tijdens de proef worden onder meer schadecijfers, waarnemingen van houtduiven, de inzet van jagers en de resultaten van verschillende maatregelen vastgelegd. Die gegevens moeten duidelijk maken welke aanpak daadwerkelijk effectief is.

Een belangrijke voorwaarde is dat telers schade blijven melden bij BIJ12, ook al staat daar momenteel geen vergoeding meer tegenover.

Volgens Zutt is juist die registratie essentieel.

“In het verleden werd veel schade wel ervaren, maar niet gemeld. Terwijl beleid uiteindelijk wordt gebaseerd op cijfers en feiten. Zonder data verandert er niets.”

Taxateurs van BIJ12 nemen de schade tijdens de pilot kosteloos op. Die objectieve gegevens moeten inzicht geven in de omvang van het probleem én het effect van de gekozen aanpak. Als de resultaten positief zijn, kan gecoördineerde schadebestrijding in de toekomst mogelijk op grotere schaal worden ingezet.

Bron:Nieuwe oogst




Stichting Jachtopleidingen Nederland -Cursus Wildhygiëne 2026 Gekwalificeerd Persoon – Najaar 2026




Nieuwsbrief Praktijk Centrum Jacht & Fauna juni 2026




Tweede Kamer heeft vraagtekens bij huidige methode voor beoordeling staat van instandhouding vogelsoorten

Geplaatst: 24 juni 2026

Momenteel werkt de regering aan een aanpassing van de systematiek die wordt gebruikt om de staat van instandhouding van algemeen voorkomende wilde diersoorten te beoordelen. Deze beoordeling speelt een belangrijke rol bij het vormgeven van natuurbeleid en bij besluiten over bescherming, beheer en ruimtelijke ontwikkelingen.

Voor vogelsoorten wordt in Nederland een methodiek toegepast die niet rechtstreeks voortvloeit uit de Europese Vogelrichtlijn. De huidige werkwijze is nationaal ontwikkeld en is gebaseerd op een beoordelingsmethode uit de Habitatrichtlijn. Die richtlijn is oorspronkelijk bedoeld voor het beoordelen van de staat van instandhouding van kwetsbare en bedreigde flora- en faunasoorten. Volgens JA21 roept de toepassing van deze systematiek op veel voorkomende vogelsoorten vragen op over de geschiktheid en proportionaliteit ervan.

De partij wijst erop dat er in de praktijk discussie bestaat over de gehanteerde referentiewaarden en de manier waarop ontwikkelingen in verspreiding en populatieomvang worden geïnterpreteerd. Hierdoor kan volgens de indieners een situatie ontstaan waarin soorten met omvangrijke en stabiele populaties toch als ongunstig worden beoordeeld. Dat zou gevolgen kunnen hebben voor beleidskeuzes en de maatschappelijke acceptatie van natuurmaatregelen.

Met de aangenomen motie vraagt de Tweede Kamer de regering om te onderzoeken of voor vogelsoorten een aangepaste beoordelingssystematiek kan worden ontwikkeld die beter aansluit bij de feitelijke omvang en ontwikkeling van populaties. Daarbij zou moeten worden bekeken of de huidige criteria voldoende recht doen aan soorten die weliswaar veranderingen in verspreiding laten zien, maar waarvan de aantallen op nationaal niveau nog steeds groot en duurzaam zijn.

JA21 benadrukt dat een betrouwbare en wetenschappelijk onderbouwde beoordeling van de staat van instandhouding essentieel is voor effectief natuurbeheer. Een beoordelingssysteem moet volgens de partij zowel ecologisch verantwoord als praktisch toepasbaar zijn en voldoende draagvlak bieden voor de uitvoering van natuurbeleid.

Met de aanneming van de motie krijgt de regering de opdracht om de beoordeling van vogelsoorten nadrukkelijk te betrekken bij de voorgenomen herziening van de instandhoudingsmethodiek voor wilde diersoorten.

Bron: Tweede Kamer, 23 juni 2026.




Tweede Kamer pleit voor meer landelijke regie op beheer van groeiende ganzenpopulaties

Volgens de indieners van de motie vormt de sterke groei van verschillende ganzenpopulaties een steeds grotere uitdaging voor landbouw, natuurbeheer en de openbare ruimte. De schade die ganzen veroorzaken aan landbouwgewassen is de afgelopen jaren aanzienlijk toegenomen. Daarnaast leiden grote aantallen ganzen op diverse locaties tot problemen op het gebied van verkeersveiligheid, waterkwaliteit en natuurbeheer. De verwachting is dat deze schade en overlast de komende jaren verder zullen toenemen wanneer geen aanvullende maatregelen worden genomen.

De Kamerfracties stellen dat een effectief en goed georganiseerd systeem van jacht, populatiebeheer en schadebestrijding noodzakelijk is om de negatieve gevolgen van de groeiende ganzenstand te beperken. Daarbij wijzen zij erop dat een doelgericht beheer niet alleen kan bijdragen aan het terugdringen van faunaschade en de daarmee samenhangende maatschappelijke kosten, maar ook ondersteuning kan bieden aan bredere natuurdoelen en het behoud van een evenwichtige biodiversiteit.

In de motie wordt de regering verzocht om bij de herziening van het huidige faunabeheerbeleid concrete voorstellen uit te werken voor een meer uniforme en landelijk gecoördineerde aanpak. Volgens de indieners bestaan er momenteel aanzienlijke verschillen tussen provincies in de wijze waarop ganzenbeheer wordt uitgevoerd, waardoor de effectiviteit van maatregelen kan afnemen. Een sterker landelijk kader zou kunnen zorgen voor meer samenhang, duidelijkheid en doelmatigheid in de uitvoering van het beheer.

Daarnaast benadrukken de partijen dat het tijdstip waarop beheermaatregelen worden uitgevoerd van groot belang is voor het behalen van resultaten. Zij wijzen erop dat bejaging en populatiebeheer buiten het broedseizoen, en met name gedurende de wintermaanden, vaak effectiever zijn bij het beperken van de aantallen ganzen. Tegelijkertijd kan een dergelijke aanpak verstoring van broedende vogels voorkomen en daarmee beter aansluiten bij natuur- en dierenwelzijnsdoelstellingen.

Met de aangenomen motie geeft de Tweede Kamer een duidelijk signaal af aan het kabinet dat de problematiek rond ganzenpopulaties niet langer uitsluitend als een regionale aangelegenheid moet worden beschouwd. De Kamer verwacht dat de regering bij de komende herziening van het jacht- en faunabeheerstelsel onderzoekt hoe landelijke regie kan bijdragen aan een effectievere beheersing van ganzenpopulaties, met oog voor zowel landbouwbelangen als natuurbeheer en maatschappelijke kosten.

Bron: MOTIE VAN HET LID KOOREVAAR C.S. in Tweede Kamer, aangenomen motie d.d. 23 juni 2026.




Jagersverenigingen verwerpen beschuldigingen jagers van wildstroperij wolven

In het rapport wordt gesuggereerd dat wolven onder meer zijn doodgeschoten, opzettelijk aangereden of vergiftigd. Daarbij worden personen uit de kring van veehouders en jagers genoemd als mogelijke daders. Het rapport doet aanbevelingen aan overheden, handhavers, belangenorganisaties en andere betrokken partijen om wolvenvervolging tegen te gaan.

De Nederlandse Organisatie voor Jacht en Grondbeheer (NOJG) en de Jagersvereniging wijzen elke vorm van illegale vervolging of doding van wolven af. Zij benadrukken dat overtreders niet namens hun organisaties handelen en dat dergelijke acties strijdig zijn met de waarden van verantwoord jacht- en wildbeheer.

Tegelijkertijd verwerpen beide organisaties de beschuldigingen richting jagers als groep. Volgens hen zijn de conclusies in het rapport grotendeels gebaseerd op anonieme verklaringen, vermoedens en interpretaties en ontbreekt voldoende bewijs voor zulke ernstige aantijgingen. Zij vinden dat eventuele strafbare feiten moeten worden onderzocht door politie, justitie en toezichthouders op basis van feiten en bewijs.

De NOJG en de Jagersvereniging waarschuwen dat algemene verdachtmakingen van jagers de maatschappelijke polarisatie rond de wolf vergroten. Zij pleiten voor een duidelijk wolvenbeleid, goede bescherming van vee, effectieve schadepreventie, monitoring en waar nodig beheer van probleemwolven. Daarnaast geven zij aan mee te werken aan officiële onderzoeken en passende maatregelen te nemen als leden daadwerkelijk schuldig blijken aan strafbare feiten.

De organisaties veroordelen illegale wolvenvervolging, maar verzetten zich tegen het volgens hen ongefundeerd beschuldigen van jagers als groep zonder concreet bewijs.




Stevige aanpak van Limburgse wasbeer nodig om verspreiding in Nederland te voorkomen

Exoot vormt bedreiging voor natuur, landbouw en gezondheid

De wasbeer is oorspronkelijk afkomstig uit Noord-Amerika en komt van nature niet voor in Europa. Door ontsnappingen en introducties heeft de soort zich de afgelopen jaren echter gevestigd in Limburg.

Volgens de provincie veroorzaakt de wasbeer schade aan landbouwgewassen, vormt hij een bedreiging voor kwetsbare en zeldzame diersoorten en kan hij ziekten overbrengen op mens en dier. Daarnaast kunnen wasberen aanzienlijke schade veroorzaken aan woningen en andere gebouwen.

Nu handelen voorkomt grotere problemen later

De provincie waarschuwt dat uitstel van maatregelen kan leiden tot een landelijk probleem. Wasberen zijn zeer flexibel, planten zich snel voort en passen zich gemakkelijk aan nieuwe leefomgevingen aan. Uit de evaluatie blijkt dat eerdere ingrepen de groei van de populatie slechts tijdelijk hebben afgeremd.

Wanneer de bestrijding wordt verminderd of stopgezet, zal de soort zich volgens de provincie verder verspreiden door Nederland. Het volledig verwijderen van de populatie wordt dan steeds moeilijker. Daarom blijft de inzet van een professioneel vangteam en een actief meldpunt noodzakelijk.

Gedeputeerde Léon Faassen (Natuur) benadrukt de ernst van de situatie. Volgens hem leven er in Duitsland inmiddels meer dan anderhalf miljoen wasberen en is de soort daar niet meer terug te dringen. Ook in het Belgische Wallonië komen inmiddels tienduizenden exemplaren voor. Omdat driekwart van de Limburgse provinciegrens grenst aan Duitsland en België, is voortdurende instroom van dieren een reëel risico.

Samenwerking over grenzen heen essentieel

De evaluatie laat zien dat Limburg alleen succesvol kan zijn met een langdurige en goed georganiseerde aanpak. Daarbij is samenwerking met het Rijk, andere provincies en de buurlanden België en Duitsland onmisbaar om nieuwe instroom en verdere verspreiding tegen te gaan.

Limburg rekent erop dat alle betrokken overheden de afspraken uit het landelijke aanvalsplan voor invasieve exoten nakomen. Het doel is om de Nederlandse wasbeerpopulatie uiterlijk in 2027 volledig te verwijderen en nieuwe vestigingen te voorkomen.

Volgens de provincie kan snel en doelgericht optreden, onder meer door actieve bestrijding, jacht en het gebruik van specialistische hulpmiddelen zoals nachtkijkers, op termijn juist veel dierenleed voorkomen. Zonder ingrijpen zouden in de toekomst op grotere schaal maatregelen nodig zijn.

Faassen roept daarom op tot blijvende alertheid: “De wasbeer ziet er misschien vriendelijk en aaibaar uit, maar het is een invasieve soort die grote problemen kan veroorzaken. Alleen door nu gezamenlijk en daadkrachtig op te treden, kunnen we voorkomen dat de situatie onbeheersbaar wordt.”

Wasbeer gezien?

Inwoners die een wasbeer signaleren, worden gevraagd dit te melden via het wasberenmeldpunt.




Uitnodiging Kleiduivenwedstrijd Regio Fryslân 25 sept 2026




Nieuwsbrief NOJG – Kamerbrief Wet Wapens en Muntie

Beste NOJG leden,

Gisteren is er een Kamerbrief verstuurd over de nieuw te ontwikkelen Wet wapens en munitie, te raadplegen via Hoofdlijnen en uitgangspunten nieuwe Wet wapens en munitie | Tweede Kamer der Staten-Generaal. De pers heeft hier inmiddels ook over bericht.

Dit komt voor ons niet als een verrassing. Wij zijn al langere tijd, samen met onze zusterorganisaties, in overleg met het ministerie over de nieuwe wet.

Dat het thuisbezit van wapens niet meer zou worden toegestaan, zal niet gelden voor jacht, beheer en schadebestrijding. Dit is gebleken uit het overleg met het ministerie. Dat betekent dat wij onze wapens gewoon thuis in de kluis mogen blijven bewaren.

Andere plannen die op tafel liggen zijn onder meer een jaarlijkse schietproef en een fysieke en psychische screening, mogelijk zelfs voorafgaand aan de jachtopleiding. Dit zijn op dit moment echter slechts ideeën; er is nog geen concrete invulling aan gegeven en het overleg hierover loopt nog.

Wij zullen uw belangen als jagers, beheerders en schadebestrijders daarin zo goed mogelijk behartigen en houden u uiteraard op de hoogte.

Met vriendelijke groet,

Maurice J.J.E. Stassen