Commentaar Sake Roodbergen op verbod Kieviteieren rapen.

eierzoekers op weg naar het eerste legsel van de kievit.De kievit en haar eieren

Ondergetekenden hebben met belangstelling kennis genomen van hierboven genoemde memorie van Toelichting (28 april 1992) (-). Wij menen uit Uw standpunten te mogen opmaken dat U het rapen van Kievitseieren als een onverantwoorde aangelegenheid voor de Kievitenstand ziet. Deze stellingname verbaast ons, omdat het door U ingenomen standpunt niet wordt ondersteund door enig wetenschappelijk onderzoek dat direct of indirect was gericht op het aantonen van de schadelijkheid van het Kievitseieren rapen”.

Zinnen uit de brief van 17 februari 1993 van Wim ter Keurs en Maurice Kruk, wetenschappers verbonden aan de Leidse universiteit, gericht aan staatssecretaris Dzjingjis Gabor. Ook andere weidevogelwetenschappers van naam spraken zich uit over deze ecologische schuldvraag van de ljipaaisiker, bv. de Gerard Rinkel, Herman Klomp en Albert Beintema.
Fryslân staat voor twee belangrijke vragen in het dossier lipaaisykjen, zoeken en rapen van kievitseierenzoeken én beschermen. Twee natuurbeschermingsopvattingen botsen fel. De ene is de ethische opvatting: mensen doen natuur kwaad, zij moeten buiten de hekken geplaatst worden, segregatie van mens- en natuur, prikkeldraad en verbodsbord zijn zichtbare elementen van deze opvatting. De tweede benadering is de verstandig en duurzaam gebruiks-filosofie verwoord door de International Conservation of Nature and Natural Resources (IUCN) in Gland (Zwitserland), sinds 1948; de organisatie die o.a. Rode lijsten opstelt. Het Friese ljipaai lijkt het culminatiepunt van de strijd.

Harm Niesen is een vertegenwoordiger van de ethische benadering. Hij is een geslepen man. Hij promoot niet alleen zijn eigen zienswijze maar beschadigt stelselmatig de werktuigen van de tegenstander. Allereerst zijn bewering over schade door eierzoeken die zo stevig werd verwezen naar het land der fabelen door de wetenschap, al in 1993 toen het ljipaaisykjen nog een halve maand langer duurde dan nu. Immers, als het effect op de populatie nihil is, of hoogstens “verwaarloosbaar” genoemd wordt, dan is het positieve van de nazorg een méérwaarde. Vervolgens tovert Niesen steevast zijn andere de fabels uit de hoge hoed: over de kwaliteit van de eerste eieren, de negatieve waarde van de nazorg en onwil van de nazorger als het eierzoeken verboden zou zijn. Hij zou de situatie buiten Fryslân eens moeten bekijken!

In 1999 maakte Niesen een misrekening. In dat jaar maakt hij met zijn grachtengordelstichting de zaak van het kievitseierenzoeken aanhangig in Brussel, refererend aan de zg. Habitat- en Vogelrichtlijn van 1979. Na vier jaar onderzoek laat Milieucommissaris Margot Wallström weten: “Mijn diensten zijn van mening dat er voor het rapen van kievitseieren geen andere, bevredigende oplossing bestaat, aangezien het gaat om een oude volkstraditie die niet vervangen kan worden door een andere activiteit met dezelfde sociaal-culturele waarde. Het rapen van kievitseieren maakt bovendien deel uit van een reëel programma voor de bescherming van weidevogels”. In de toelichting van de uitspraak staan nog meer behartenswaardige uitspraken, o.a. over het grote vermogen tot het produceren van vervolglegsels door de kievit.

Het moet gezegd: Niesen is een volhouder, hij lijkt wel een Fries! En hij speelt zijn spel slim. Jaarlijks stuurt hij deze verhalen de wereld in, die als een tsunami van weglatingen (uitspraken wetenschap 1993, Europa 2003), verdraaiingen (effect nazorg), en borrelpraat (eerste kievitsei beste) over het hele land spoelen. Ook over de dijken van Fryslân. En door Friese media braaf, leesbaar, zichtbaar én hoorbaar zonder veel kritisch tegenspel worden herhaald en versterkt. Het moet als een groot wonder worden beschouwd dat nog altijd 50% van de Friezen voorstander van het behouden van het ljipaaisykjen is! (De Stemming, LC 16/1).

De Europese visie kwam te laat om nog een rol te spelen in de nieuwe Nederlandse natuurwet. In april 2002 kwam de Flora- en Faunawet tot stand. En tot verbazing van vriend en vijand was er niets overgebleven van de Kamerbrede waardering voor de wise and sustainable use-benadering (van de IUCN) die in 1993 de BFVW-ers in Den Haag rode wangen bezorgde. Pikante vraag is nog altijd: wat gebeurde tussen 1993 en 2002 in Den Haag dat de opvattingen zo scherp kantelden?

Die FF-wet is pure onderdrukking. Belangrijkste considerans: niets mag in de natuur. Wie wat wil moet eerst bewijzen dat het ecologisch onschuldig is. Daarnaast is elke ontheffing of vergunning vatbaar voor beroep en bezwaar. Eindeloos! Juristerij met ridicuul resultaat (sms-systeem voor een eitje opnemen) was bij voorbaat onontkoombaar.

De nieuwe wet waaraan wordt gewerkt dient op z’n minst te zorgen voor even playing field voor de ljipaaisiker/neisoarger. Fryslân moet daarin meedenken. En misschien moet het positieve fenomeen wel helemaal uit de wet worden gelicht.

En voor de korte termijn: kan het Friese huis van bescherming een jaar ljipaaisykjen missen?

 

Sake P. Roodbergen

Akkrum


 

Kievitsei (Friesch Dagblad, 16 jan.: Teruggang kievitstand komt niet door aaisiker

Zo vroeg was de aftrap van de jaarlijkse discussie nog niet zo vaak. En nog nooit was een burgervader de spelmaker. Een oud-gedeputeerde nog wel. En ik denk: hij zou toch moeten weten hoe de hazen lopen. En dan blijkt het plotseling en onverwacht allemaal nog maar de voorzet. De inkopper is niemand minder dan De Faunabescherming, die er naar eigen zeggen al achtendertig jaar strijd tegen het zoeken en rapen van kievitseieren op heeft zitten.

Kievitseieren rapenhebben we het over bij de kievit, ‘’ús ljipke”, Vanellus vanellus. De westpalearctische populatie strekt zich uit tot ver achter het Oeral-gebergte in Rusland. De meest recente integraaltelling -van enkele jaren geleden alweer- schat de totale populatie op tussen de 5.1 en de 8.4 miljoen exemplaren, een marge van meer dan 50%. Een onbedreigde vogelsoort. Maar dat merken we pas goed in het najaar als “ús swart-wite freonen” zoals Tetman ze noemde, bij duizenden en duizenden onze wormrijke groene greiden en maïsstoppelvelden overspoelen. Anderzijds valt niet te ontkennen dat de broedpopulatie in Fryslân –en overigens ook in de andere provincies, en zelfs in eierzoekersvrije reservaten- relatief snel terugloopt. Het gaat om enkele procenten per jaar, bij de Grutto nog sneller!

Opmerkelijk is dat burgemeester en ook Raad van State (en Harm Niesen) er simpelweg van uitgaan dat het ljipaaisykjen schade zou doen aan de stand. Dat is gewoon niet het geval; geen serieuze weidevogelbioloog die dat zegt. De gestage, sluipende, negatieve ontwikkeling heeft alles te maken met de moderne manier van agrarische bedrijfsvoering. De vogels stappen gewoon uit, ze blijven weg. Ze zoeken hun broedplek elders, in het buitenland, op een aantrekkelijker plek, veelal ver oostelijker. Deze ontwikkeling –en we staan nu aan de vooravond van een volgende “grote sprong vooruit”- wordt in feite in onze provincie geen strobreed in de weg gelegd. Ook al niet in de tijd dat Gerard van Klaveren als gedeputeerde nog iets aan die fatale ontwikkeling had kunnen doen.

Feit is ook dat de eierzoeker de hoofdrol speelt in een vorm van bescherming, de nest- en kuikengerichte, eenvoudige, maar bewerkelijke nazorg, de neisoarch. Daarvoor zijn veel mensen nodig en die worden uit de groep van de ljipaaisikers nog altijd gemakkelijk en talrijk gemobiliseerd. In Fryslân veel gemakkelijker en veel meer talrijk dan in elke andere provincie. Het scheelt minimaal de factor tien (per duizend inwoners). De verhelderende grafische voorstelling daarover, gebaseerd op harde cijfers van landelijke coördinatie van deze activiteiten, hoort bij Van Klaveren ook bekend te zijn. Ik heb dit staafdiagram opgenomen o.a. in het boekje Ljippen, lân en leafde (Bornmeer 2009, blz.123).

Een stukje historie. In 1976 ontstond de Stichting Kritisch Faunabeheer als radicale afsplitsing van Vogelbescherming Nederland. Gevolg van de maatschappelijke polarisatie van de zestiger en zeventiger jaren. Toen begon het verzet tegen zaken als eierzoeken en jacht. In 1979 stelde Europa een zg. Vogelrichtlijn op met bepalingen aangaande de jacht en eierzoeken. In 1987 begon de procedure voor een nieuwe nationale natuurwet. In 1993 spraken Tweede en Eerste Kamer zich uit over het eierzoeken. De BFVW ontving verrassend grote erkenning en werd zelfs vrijwel Kamerbreed door beide Kamers ten voorbeeld gesteld voor het hele land vanwege het succesvolle en educatief kansrijke harmoniemodel van combinatie van eierzoeken en bescherming. Intussen ging de procedure voor de Flora en Faunawet door. In 1999 maakte de Stichting van Harm Niesen (intussen De Faunabescherming geheten) een bezwaar tegen het eierzoeken aanhangig in Brussel. In april 2001 werd de Flora- en Faunawet van kracht. Nieuw in deze wet van de Friese staatssecretaris Geke Faber waren belangrijke consideransen. Niets mocht meer in de natuur. En wie wat wilde diende zelf te bewijzen dat hetgeen hij of zij wilde ecologisch onschuldig was. Een onmogelijke eis voor eenvoudige particuliere organisaties. Bovendien was elke verleende vergunning/ontheffing eindeloos vatbaar voor beroep en bezwaar. Niesen heeft zijn spel uitstekend gespeeld, 38 jaren lang. De BFVW verzette zich hevig, maar tevergeefs, voorspelde dat dit nieuwe rechtssysteem de eierzoeker zou knevelen, de weidevogels negatief zou beïnvloeden en voordelig zou uitpakken voor de jurist en de natuurlijke predatoren. Op 14 januari kreeg de BFVW-stem van toen gelijk.

In oktober 2003 sprak de Europese Commissie zich na langjarig beraad uit over de zaak van de kievitseieren van volhouder Harm Niesen. De Commissaris van Milieuzaken Margot Wallström zei behartenswaardige dingen, zoals: “Mijn diensten zijn van mening dat er voor het rapen van kievitseieren geen andere, bevredigende oplossing bestaat, aangezien het gaat om een oude volkstraditie die niet vervangen kan worden door een andere activiteit met dezelfde sociaal-culturele waarde. Het rapen van kievitseieren maakt bovendien deel uit van een reeël programma voor de bescherming van weidevogels”.

Tegenover dit verlies op Europees niveau stond de winst van Niesen c.s. in 2001 in ons eigen land. Hij wist in 2001 een Flora- en Faunawet voor elkaar te krijgen die de succesvolle, harmonische aanpak van de BFVW van het benutten van de gebruiker in de bescherming in de verdediging drong. Een wet ontstond die alle ruimte biedt aan eendimensionaal ethisch denkende Harmens Niesens en alleen maar verdere beperkingen voor de naar vrijheid snakkende “fjildman/neisoarger” opleverde. Heel slim bereikte Niesen stapje voor stapje de situatie dat het recht van eierzoeken juridisch gebonden werd aan de ontwikkeling van de kievitenstand, en zelfs nog beperkt tot Fryslân. Knap strategisch werk, het moet gezegd! Voor de BFVW brak inderdaad een frustrerende periode aan van stapeling van concessie op concessie. Elke gang naar een gerechtshof leverde een nieuwe, beperkende eis op! Tot een ridicule, vernederende vertoning met een sms’je naar een Hollandse Big Brother aan toe, waarin aan een digitale robot die ik Salomon noem, gevraagd moet worden of het ljipaaike dat voor z’n voeten ligt “geraapt mag worden”. Toeval of niet, de teloorgang van de weidevogels begon in die periode pas goed.

De eierzoeker staat veel dichter bij de natuur dan de gemiddelde burger; ljipaaisikers zijn de Eskimo’s en de aboriginals van Fryslân. Eierzoeken is niet zozeer het vullen van de pet, maar vooral van hoofd en hart. Het is de wet die niet deugt! Er is een nieuwe nationale natuurwet in de maak. Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten zouden samen met de commissaris oprecht en met overtuiging en met de juiste bagage met de wetsvoorbereiders in de slag moeten om de consideransen van de contraproductieve FF-wet gewijzigd te krijgen, de wet waarop de Raad van State zijn uitspraken baseert, moet baseren!!

Natuurlijk, het is erg naar maar kennelijk onontkoombaar, dat it Heitelân –en heel Nederland, ook het Noord-Holland van heer Niesen- , gestaag zijn aantrekkelijkheid voor grote aantallen iconen van de weide verliest. Na Kemphaan en Watersnip, volgen nu Grutto en Kievit. Het geheel van het nu nog alleen Friese ljipaaisykjen en neisoarch mag als een waardevol maatschappelijk tegenkoppelingsmechanisme worden gezien. Dat huis van de bescherming staat nog steeds al zal ook deze nieuwe onterechte aanval op het eierzoeken dat beschermingsgebouw weer verder aantasten. De contraproductieve zegeningen van de natuurwet van 2001 hebben er bv nu al toe geleid dat de einddatum al zover naar voren is geraakt –ver vóór 1 april, als vrijwel alle landwerk nog moet gebeuren; u kunt zich voorstellen wat daarvan de gevolgen zijn- dat er geen enkele sprake meer is van een wervende kracht van het kievitseierenzoeken: de jeugd vindt vrijwel geen eitje meer en kiest voor een andere hobby, en zelden een natuurgerichte. Die situatie, van verlies aan betrokkenheid die niet meer aan volgende generaties wordt doorgegeven, is op de wat langere termijn vrijwat dreigender voor de natuur dan de ljipaaisiker/ eierzoeker voor zijn ljip/kievit!

Sake P. Roodbergen Akkrum


 

Muizenplaag ook voordeel voor de kievit.

muizenschade graslandDe provincie vroeg andere jaren ontheffing aan voor het eierzoeken maar gedeputeerde Johannes Kramer weet niet of dat ook voor 2016 weer gaat gebeuren. ,,It moat wol kinne”, zegt Kramer. Gjalt de Groot, oud-voorzitter van de Bond Friese Vogelwachten zei in een video op deze website, dat hij verwacht dat de kievit dit jaar een flinke oppepper krijgt. Doordat miljoenen muizen meer dan 30.000 hectare grasland hebben omgewoeld, moet die worden omgeploegd en opnieuw ingezaaid. Hierdoor kan in april en mei niet worden gemaaid, waardoor de ‘ljippen’ in alle rust voor hun legsels kunnen zorgen, aldus de voormalige bondsvoorman uit.

Print Friendly, PDF & Email

Reageren is niet mogelijk