“Evaluatie Functioneren Landelijke Ganzenfoerageergebieden” (BIJ12, juli 2026).

Het effect van ganzenfoerageergebieden verschilt sterk per provincie. Het succes hangt af van meerdere factoren, zoals de grootte en ligging van het gebied, het gedrag van ganzen en de uitvoering van beheer. Dat blijkt uit een evaluatie die in opdracht van BIJ12 is uitgevoerd door Sovon Vogelonderzoek Nederland en Altenburg & Wymenga.

Doel van het onderzoek

Het onderzoek beoordeelt of ganzenfoerageergebieden effectief zijn in het:

  • bieden van rust- en voedselgebieden voor overwinterende ganzen;
  • beperken van landbouwschade buiten deze gebieden;
  • concentreren van ganzen op aangewezen locaties.

Belangrijkste conclusies

1. Het succes verschilt sterk per provincie

De resultaten lopen sterk uiteen:

  • Friesland, Gelderland en Zeeland behalen de beste resultaten.
  • In andere provincies functioneren de foerageergebieden minder goed doordat ze vaak klein zijn, versnipperd liggen of minder aantrekkelijk zijn voor ganzen.
2. Slechts ongeveer 20% van de ganzen gebruikt de foerageergebieden

Landelijk verblijft slechts ongeveer één op de vijf ganzen in een aangewezen foerageergebied. Veel ganzen blijven buiten deze gebieden foerageren, ondanks verjaging.

3. Grootte en ligging zijn bepalend

Foerageergebieden werken vooral goed wanneer zij:

  • groot genoeg zijn;
  • dicht bij slaapplaatsen liggen;
  • liggen op locaties waar ganzen van nature al verblijven;
  • voldoende voedsel bieden. Kleine of geïsoleerde gebieden trekken aanzienlijk minder ganzen aan.
4. Verjaging buiten de gebieden is vaak onvoldoende

Het beleid gaat ervan uit dat ganzen buiten de foerageergebieden worden verjaagd zodat zij naar de rustgebieden trekken. In de praktijk gebeurt dit:

  • niet overal even intensief;
  • niet goed gecoördineerd;
  • waardoor het verschil tussen “rust binnen” en “onrust buiten” vaak te klein is.
Ganzen
5. Ganzen leren de gebieden nauwelijks beter benutten

De verwachting was dat ganzen na verloop van tijd zouden leren waar veilige foerageergebieden liggen. Uit de evaluatie blijkt dat dit leereffect in de meeste provincies nauwelijks zichtbaar is. Het gebruik van de gebieden is in de loop der jaren vrijwel niet toegenomen.

6. Grauwe ganzen vormen een bijzondere uitdaging

De grauwe gans verspreidt zich gemakkelijker over het landschap dan andere soorten. Daardoor verblijft deze soort relatief weinig in foerageergebieden, terwijl zij juist verantwoordelijk is voor een groot deel van de landbouwschade.

7. Schade concentreert zich wel in de foerageergebieden

Meer dan de helft van de geregistreerde schade aan voorjaarsgras ontstaat binnen de foerageergebieden, terwijl deze gebieden gemiddeld slechts ongeveer 7% van het geschikte ganzengebied beslaan. Mogelijk komt dit mede doordat agrariërs binnen deze gebieden vaker een schadevergoeding aanvragen.

Aanbevelingen uit de evaluatie

De onderzoekers adviseren onder meer:

  • foerageergebieden groter en logischer te begrenzen;
  • gebieden te kiezen waar ganzen van nature al graag verblijven;
  • de samenhang tussen rustgebieden en verjaging buiten de gebieden te verbeteren;
  • rekening te houden met verschillen tussen ganzensoorten;
  • het beleid per provincie aan te passen aan de lokale situatie in plaats van één landelijke aanpak te hanteren.

Kernboodschap

De evaluatie laat zien dat ganzenfoerageergebieden wel kunnen werken, maar alleen onder de juiste omstandigheden. Succes hangt vooral af van de ligging, omvang en inrichting van de gebieden, én van een consequente uitvoering van het beheer buiten die gebieden. Er is daarom geen uniforme landelijke oplossing; maatwerk per provincie is noodzakelijk.