Artikel 67

  1. Gedeputeerde staten kunnen bepalen dat, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, in afwijking van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 911, 12505153, 72, vijfde lid, en 74.door hen aan te wijzen personen of categorieën van personen de stand van bij ministeriële regeling aangewezen beschermde inheemse diersoorten of andere diersoorten of verwilderde dieren op door gedeputeerde staten aan te wijzen gronden kan worden beperkt:
    a. in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid;
    b. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
    c. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen,
    bedrijfsmatige visserij en wateren of
    d. ter voorkoming van schade aan flora en fauna.
  2. Gedeputeerde staten kunnen bij het treffen van een bepaling als bedoeld in het eerste lid niet afwijken van het bepaalde bij of krachtens artikel 72, (toegestane middelen) vijfde lid;
    a. voorzover de bepaling ziet op het beperken van de stand van bij de in het eerste lid bedoelde ministeriële regeling aangewezen vogelsoorten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, of
    b. voor het toestaan van middelen die onnodig lijden van dieren veroorzaken.
  3. Voorzover het beschermde inheemse diersoorten betreft, kan een bepaling als bedoeld in het eerste lid slechts worden getroffen indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.
  4. Gedeputeerde staten kunnen hun besluit, bedoeld in het eerste lid,
    afhankelijk stellen van een faunabeheerplan.
  5. Gedeputeerde staten kunnen ten aanzien van één of meer van de door hen krachtens het eerste lid aangewezen personen of categorieën van personen bepalen dat zij toegang hebben tot alle krachtens het eerste lid aangewezen gronden. In dat geval zijn deze personen gerechtigd zich daartoe zonodig met behulp van de sterke arm toegang te verschaffen.
  6. Gedeputeerde staten kunnen bepalen hetgeen met de ingevolge het
    eerste lid bemachtigde dieren dient te geschieden.
  7. Bij een regeling als bedoeld in het eerste lid, kan worden bepaald dat het verboden is dieren behorende tot een krachtens dat lid aangewezen soort onder zich te hebben.
  8. Alvorens een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid vast
    te stellen, te wijzigen of in te trekken, stelt Onze Minister het Faunafonds in de gelegenheid over het ontwerp daarvan zijn oordeel te geven.
Print Friendly, PDF & Email

Reageren is niet mogelijk