Geluidsdemper niet toegestaan voor de jager – uitspraak Raad van State

 

Uitspraak 201808169/1/A3

Datum uitspraak : 21 augustus 2019
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 1 september 2017 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie het verzoek van [appellant] om ontheffing op grond van artikel 4 van de Wet wapens en munitie voor het voorhanden hebben, vervoeren en doen binnenkomen uit en uitgaan naar een Lidstaat van de EU van een geluiddempervoor vuurwapens afgewezen. [appellant] is jager. Hij wil gebruik maken van een geluiddemperbij het jagen ter bescherming van zijn gehoor en dat van zijn kinderen en jachthond. Hiervoor is een ontheffing vereist. De minister verleent geen ontheffing aan jagers, zoals [appellant], die geen dienstverband hebben bij een organisatie die belast is met (wild)beheer en schadebestrijding. [appellant] meent dat dat onterecht is.

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van: tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 31 augustus 2018 in zaak nr. 18/564 in het geding tussen: en

de minister van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2017 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie het verzoek van [appellant] om ontheffing op grond van artikel 4 van de Wet wapens en munitie (hierna: de Wwm) voor het voorhanden hebben, vervoeren en doen binnenkomen uit en uitgaan naar een Lidstaat van de EU van een geluiddempervoor vuurwapens afgewezen.

Bij besluit van 7 februari 2018 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 augustus 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister en de korpschef van politie hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juli 2019, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. F.J. Bleker, advocaat te Almelo, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M. Ibrahim, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de korpschef van politie, vertegenwoordigd door mr. P.H.J.J. Schunselaar en R.M. Olde Daalhuis, gehoord

Overwegingen

Inleiding

1.    De in deze uitspraak aangehaalde regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

2.    [appellant] is jager. Hij wil gebruik maken van een geluiddemperbij het jagen ter bescherming van zijn gehoor en dat van zijn kinderen en jachthond. Hiervoor is een ontheffing vereist. De minister verleent geen ontheffing aan jagers, zoals [appellant], die geen dienstverband hebben bij een organisatie die belast is met (wild)beheer en schadebestrijding. [appellant] meent dat dat onterecht is.

Aangevallen uitspraak rechtbank

3.     De rechtbank heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 29 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3272. Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat de uitleg die de minister geeft aan het in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wwm gestelde criterium ‘beroepsdoeleinden’ dat sprake moet zijn van een (betaald) dienstverband tussen de gebruiker van de geluiddemperen een organisatie die belast is met (wild)beheer en schadebestrijding niet onredelijk is. Daarbij heeft de Afdeling van belang geacht dat het door de minister gemaakte onderscheid dient te worden bezien in het licht van een zo effectief mogelijk toezicht met het oog op beperking van risico’s voor de veiligheid van de samenleving. Daarbij is de gedachte dat, door uitsluitend aan organisaties ontheffing te verlenen, de opbergplaats van geluiddempers centraal wordt geregeld, hetgeen de mogelijkheden van toezicht en controle door de korpschef bevordert. Verder heeft de Afdeling in genoemde uitspraak geoordeeld dat het gemaakte onderscheid tussen organisaties met jagers in loondienst enerzijds en jagers die niet in dienst zijn van een organisatie in het kader van (wild)beheer en schadebestrijding anderzijds niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] in beroep heeft aangevoerd geen aanleiding gezien om het oordeel van de Afdeling niet te volgen en heeft geoordeeld dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wwm in dit geval geen grondslag biedt om de gevraagde ontheffing te verlenen.

Hoger beroep [appellant]

4.    [appellant] betoogt dat de Afdeling in haar uitspraak van 29 november 2017 ten onrechte de uitleg die de minister geeft aan het in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wwm gestelde criterium ‘beroepsdoeleinden’ niet onredelijk heeft geacht. De rechtbank had van het oordeel van de Afdeling moeten afwijken.

[appellant] verwijst naar een nieuwsbericht van 12 oktober 2018 van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en een kamerbrief van de minister over de Afrikaanse varkenspest. In het nieuwsbericht wordt aangekondigd dat de minister op verzoek van de provincies zal bezien of er een uitbreiding van de ontheffing voor geluiddempers kan komen. Dat is nodig om reductie van het aantal wilde zwijnen buiten de leefgebieden effectief te laten zijn. Daarvoor is het zeer gewenst dat ook andere jagers die betrokken zijn bij het verkleinen van de populatie wilde zwijnen over een dergelijke ontheffing beschikken, aldus het nieuwsbericht.

Voor het overige herhaalt [appellant] de gronden van beroep bij de rechtbank.

Oordeel Afdeling

5.    [appellant] richt zich tegen de toepassing van de bevoegdheid om ontheffing te verlenen voor geluiddempers door de minister. Zoals overwogen onder 3 heeft de rechtbank is in haar uitspraak aangesloten bij het oordeel van de Afdeling in de uitspraak van 29 november 2017 ten aanzien van de invulling van het criterium beroepsdoeleinden. De rechtbank  heeft verder uitgebreid gemotiveerd waarom de beroepsgronden van [appellant] niet slagen. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding om terug te komen van haar uitspraak van 29 november 2017. Voor zover [appellant] betoogt dat de voorschriften voor centrale opslag niet nageleefd worden, betreft dit een handhavingskwestie. Wellicht bestaan, onder andere vanwege een efficiëntere bestrijding van de Afrikaanse varkenspest, goede redenen voor de minister om de strikte toepassing van de ontheffingsbevoegdheid voor geluiddempers in de toekomst aan te passen, zodat jagers die geen dienstverband hebben bij een organisatie die belast is met (wild)beheer en schadebestrijding net als de jagers die wel een dienstverband hebben, kunnen beschikken over een geluiddemper, maar dat betekent niet het thans gehanteerde beleid onredelijk is. Dat overleg gevoerd wordt over een mogelijke andere toepassing van de ontheffingsbevoegdheid leidt niet tot een ander oordeel, omdat ten tijde van het besluit en ook thans nog geen wijziging van de toepassing van de ontheffingsbevoegdheid is vastgesteld. [appellant] heeft voor het overige de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd herhaald en niet gemotiveerd waarom het oordeel van de rechtbank daarover onjuist zou zijn.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. H.J.M. Baldinger, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Rietberg, griffier.

w.g. Borman    w.g. Rietberg
voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2019

725.

Bijlage

Wet wapens en munitie

Artikel 2

1. Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.

Categorie I

[…]

3o. […] en geluiddempers voor vuurwapens;

[…]

Artikel 4,

1. Onverminderd de artikelen 4 en 9 van verordening (EU) nr. 258/2012 kan Onze Minister van bij of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften of verboden vrijstelling of, op daartoe strekkend verzoek, ontheffing verlenen voor daarbij te omschrijven wapens of munitie, behorend tot een van de volgende groepen:

[…]

e. toestellen en voorwerpen voor beroeps-, hulpverlenings-, trainings- en sportdoeleinden;

[…]

Artikel 13

Het is verboden een wapen van categorie I te vervaardigen, te transformeren, voor derden te herstellen, over te dragen, voorhanden te hebben, te dragen, te vervoeren, te doen binnenkomen of te doen uitgaan..

 

Print Friendly, PDF & Email

Reacties zijn gesloten.