Het verlies van leefgebied de belangrijkste oorzaak van achteruitgang van de patrijs in Vlaanderen

 

Het gaat niet goed met de patrijs in Vlaanderen: de populatie blijft dalen en de huidige inspanningen voor het herstel van de soort volstaan niet om die dalende trend te stoppen of te keren. Tellingen in het kader van het project Algemene Broedvogels Vlaanderen (ABV) tonen een sterke afname van -56% over de periode 2007-2016. “Het feit dat zowel de patrijzenpopulatie als het afschot in de periode 2007-2016 een sterke daling kennen, stelt het duurzaam karakter van de jacht op patrijs in vraag.” Dat stelt Natuurpunt.

Op de meest recente Rode Lijst van broedvogels in Vlaanderen werd de patrijs dan ook opgenomen in de categorie ‘Kwetsbaar’.

De gerapporteerde afschotcijfers van de wildbeheereenheden (WBE’s) tonen eveneens een daling over dezelfde periode van -39%. Op de meest recente Rode Lijst van broedvogels in Vlaanderen werd de patrijs dan ook opgenomen in de categorie ‘Kwetsbaar’. In dit kader ging het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) aan de hand van populatiemodellen en op basis van de beschikbare gegevens na welke impact jacht heeft op de patrijs.

Verstrenging jachtwetgevig

De aanhoudende achteruitgang van de patrijzenpopulatie resulteerde in het verleden in een verstrenging van de jachtwetgeving voor deze soort. Sinds 2014 wordt jacht al dan niet toegelaten op het niveau van een WBE. De belangrijkste voorwaarde om patrijs te mogen bejagen is de aanwezigheid van een voldoende hoge voorjaarsstand in die WBE. Het INBO voert hiervoor de berekening uit met gegevens die de WBE’s jaarlijks aanleveren.

Alternatieve, gestandaardiseerde en gebiedsdekkende tellingen zijn niet beschikbaar. De Vlaamse jachtwetgeving stelt dat de jacht uitgeoefend moet worden in het kader van duurzaam wildbeheer. “Het feit dat zowel de patrijzenpopulatie als het afschot in de periode 2007-2016 een sterke daling kennen, stelt het duurzaam karakter van de jacht op patrijs in vraag.” Dat stelt Natuupunt.

“Het afschot zou immers gecompenseerd kunnen worden door verhoogde overlevingskansen of een verhoogd voortplantingssucces bij de overblijvende dieren. Uit buitenlands onderzoek blijkt echter dat dit niet het geval is. De voorjaarsstand zal bij bejaging dus steeds lager liggen dan wanneer er geen jacht zou zijn. Dit neemt niet weg dat wanneer er wel jacht – maar geen overbejaging – is, er toch een stabiele of zelfs toenemende populatie mogelijk is, op voorwaarde dat er voldoende oppervlakte aan geschikt leefgebied aanwezig is.”

Overbejaging

“Overbejaging leidt echter steeds tot de achteruitgang van de populatie, los van het feit of er habitatverbetering plaatsvindt of niet. Overbejaging moet dus altijd en overal worden vermeden omdat het al de inspanningen voor de bevordering van de soort teniet doet. Overbejaging vormt voornamelijk een risico in gebieden met een lage populatiedichtheid. Zelfs een laag afschot kan dan nefast zijn. Het is dan ook belangrijk om de intensiteit van de jacht in relatie tot de aanwezige populatie goed te kunnen inschatten”, stelt Natuurpunt.

De huidige jachtwetgeving tracht het risico op overbejaging in te perken door jacht te beperken tot gebieden met een voldoende hoge voorjaarsstand. “Voor Vlaanderen ontbreken momenteel echter accurate schattingen van de voorjaarsstand en zijn er onvoldoende gegevens beschikbaar over modelparameters van de Vlaamse patrijzenpopulatie om een nauwkeurige analyse van de jachtintensiteit te kunnen uitvoeren. Ondanks deze onzekerheden zijn er aanwijzingen dat de jachtintensiteit in sommige WBE’s op dit moment te hoog is en wordt er ook gejaagd in gebieden waar bijna geen patrijzen meer voorkomen.”

“Daarnaast stellen we vast dat een aantal WBE’s erg hoge dichtheden en opvallende toenames rapporteren. In welke mate dergelijke gerapporteerde dichtheden overeenstemmen met de werkelijkheid is niet gekend, maar zou onderzocht kunnen worden door een gerichte en gestandaardiseerde monitoring. Opmerkelijk is eveneens dat waar de patrijzenpopulatie in Vlaanderen een sterke achteruitgang kent (op basis van afschotcijfers en broedvogelmonitoring), het aantal WBE’s die op basis van hun gerapporteerde voorjaarsstanden voldoen aan de drempelwaarde om te mogen jagen sinds de invoering van deze reglementering in 2008 is toegenomen van 99 WBE’s in 2009 naar 107 WBE’s in 2019. Sinds de verstrenging van de reglementering kregen m.a.w. meer WBE’s de toelating om te jagen op patrijzen.”

De huidige wetgeving slaagt er onvoldoende in om overbejaging tegen te gaan. Om het risico op overbejaging te verkleinen, raadt het INBO aan een nieuwe regelgeving uit te werken voor de opdeling in gebieden waar jacht al dan niet wordt toegelaten.

Maatregelen

Hoewel jacht een belangrijke impact kan hebben op de populatiegroei, is het verlies van leefgebied de belangrijkste oorzaak van achteruitgang. “Intensivering van het landgebruik en de degradatie van het landschap zijn hierin belangrijke factoren geweest. Een herstel van patrijzenpopulaties is alleen mogelijk indien op voldoende grote schaal maatregelen worden genomen om de kwaliteit van de leefgebieden te verhogen. Hoe groot die schaal moet zijn, wordt momenteel onderzocht in een Europees patrijzenproject. Bij onvoldoende maatregelen om de leefgebieden te verbeteren, zal de populatie, ondanks een (eventueel) jachtverbod, op lange termijn achteruit blijven gaan.”

Print Friendly, PDF & Email

Reacties zijn gesloten.