Praktijkvragen Jacht

Veel gestelde vragen Jacht praktijk

Het jachtveld moet een aaneengesloten oppervlakte hebben van ten minste 40 ha per jachthouder. In dat veld moet een cirkel kunnen worden getrokken met een straal van ten minste 150 meter. Ook water waarvan u het jachtrecht heeft gehuurd mag meegerekend worden bij de oppervlakteberekening. Een water breder dan 10 meter vormt alleen een scheiding, indien u het jachtrecht hiervan niet bezit. Een autosnelweg vormt een scheiding in een jachtveld. Artikel 3.26 lid 1 onderdeel b Wet natuurbescherming, Artikel 3.12 Besluit natuurbescherming
Voor alles wat een jager in het jachtveld met het geweer doet geldt de minimale jachtveldeis van 40 aaneengesloten hectares. Dit geldt bij zowel jacht, als bij beheer en schadebestrijding. De wetgever heeft dit gedaan om het gebruik van het geweer op een veilige manier mogelijk te maken. Daarnaast maakt de wetgever een strikte scheiding in jacht enerzijds en beheer en schadebestrijding anderzijds. Zo is een optelling van een deel jachthuur met een oppervlakte van minder dan 40 hectare met een ander deel met de toestemming voor beheer en schadebestrijding van minder dan 40 hectare geen bejaagbaar jachtveld. In bijzondere gevallen kan de provincie wel ontheffing verlenen. Dit geldt dan met name voor beheer en schadebestrijding waarbij het fysiek niet mogelijk is om aan de minimale jachtveldeis van 40 hectares te kunnen voldoen. Een veld welke kleiner is dan 40 hectares en is omgeven door snelwegen en of bebouwde kom is hiervan een voorbeeld. Het aanvragen van een ontheffing hiervoor kunt u doen bij de FBE van de bewuste provincie. Zie www.faunabeheereenheid.nl Voor het gebruik van andere middelen zoals fret en buidel, kastval en vangkooi geldt echter niet de minimale eis van 40 hectare en is dit ook mogelijk binnen de bebouwde kom. U zou daarom met de toestemming voor beheer en schadebestrijding van 1 hectares een kastval kunnen plaatsen en onderhouden om bijvoorbeeld een vos te vangen.
Ja. De 40 ha-regeling voor het doden met geweer geldt ook voor de niet-wildsoorten. In artikel 3.26, lid 1, onderdeel b van de Wet natuurbescherming staat dat het verboden is dieren te doden met een geweer, in een veld dat niet voldoet aan de gestelde eisen (o.a. 40 ha). In bijzondere gevallen kan de provincie wel ontheffing verlenen.
Als voorbeeld: Een persoon is in het bezit van zowel een jachtakte als een verlof tot voorhanden hebben van (vuur)wapens WM4. Nu wil hij zijn kleinkaliber kogelgeweer laten bijschrijven op zijn jachtakte en zijn verlof WM4 laten vervallen. Om zijn schietvaardigheid als jager op peil te houden, wil hij met zijn kleinkaliber kogelgeweer gaan oefenen op de schietbaan. Is dit toegestaan of moet hij naast zijn jachtakte ook nog zijn WM4-vergunning aanhouden? Artikel 44 van de Regeling Wapens en Munitie geeft mogelijkheden voor het vervoer naar en van de schietbaan van wapens die op de jachtakte staan vermeld. De vrijstelling voor het vervoer van de woning naar de schietbaan geldt voor wapens en munitie die de jager gerechtigd is voorhanden te hebben. Hij hoeft dus geen WM4-verlof aan te houden. In artikel 3.26 lid 1 sub d onderdeel 5 Wet natuurbescherming staat tevens dat een geweer gebruikt mag worden voor het schieten van kleiduiven.
Het is toegestaan om te jagen met levende lokeenden/duiven, mits ze niet zijn verminkt. Is een lokvogel kortwieken ook verminken? Een lokvogel kortwieken (het wegknippen van de grote en kleine slagpennen aan één van de vleugels) is geen verminken, dus is een gekortwiekte lokvogel toegestaan. Leewieken (het laatste vleugellid waaraan de grote slagpennen groeien van één vleugel wegnemen) daarentegen is wel verminken en dus niet toegestaan. Artikel 3.21, lid 1, onderdeel Wet natuurbescherming
Als je het jachtrecht van deze beek heeft gehuurd, vormt deze beek uiteraard geen scheiding in het jachtveld. De oppervlakte van deze beek mag worden meegerekend bij de totale oppervlakteberekening van uw jachtveld. Een water echter breder dan 10 meter, waarvan het jachtrecht niet is gehuurd, vormt wel een scheiding in het jachtveld. Artikel 3.12 Besluit natuurbescherming
Het jachtrecht is geen afzonderlijk zakelijk recht, maar een aan de eigendom gekoppeld recht. Het kan in principe dus niet afgescheiden worden van de eigendom van de grond. Wat echter wel kan is dat verkopende partij in koopcontract laat opnemen dat de kopende partij verplicht is om aan de verkopende partij een jachthuurovereenkomst(en) aan te bieden. Op grond van deze jachthuurovereenkomst kan verkopende partij dan jagen. Afhankelijk van hoe een notaris een en ander heeft opgenomen in een koopcontract kan door middel van een kettingbeding ook aan rechtsopvolgers van de kopende partij deze verplichting tot het aanbieden van een jachthuurovereenkomst(en) overgaan. Van belang is derhalve na te gaan wat er exact in het koopcontract staat ten aanzien van de jacht. Hieronder volgt een aantal bepalingen die bezien in hun samenhang als “kettingbeding” kunnen worden gehanteerd en bij gehele of gedeeltelijke vervreemding van onroerend goed kan worden gebruikt. Deze bepalingen vormen een handreiking; bijna altijd dient maatwerk door de notaris geleverd te worden: – Verkoper bedingt hierbij van de koper dat de koper zich jegens verkoper verplicht om na afloop van iedere periode waarvoor voormeld jachtrecht is gehuurd, een overeenkomst van verhuur en huur ter zake van het jachtrecht op het verkochte te sluiten, voor de wettelijk vastgestelde periode met de wildbeheereenheid van het gebied, waarin het verkochte is gelegen. – Koper erkent bij deze dat hij bekend is met het belang dat verkoper hecht aan voortzetting van het door verkoper uitgeoefende jachtrecht voor een zo lang mogelijke periode en verklaart hierbij er mee akkoord te gaan het bedoelde jachtrecht voor een zo lang mogelijke periode in overeenstem­ming met de wens van de verkoper te zullen verhuren. – Voorts verplicht de koper zich hierbij jegens de verkoper om na afloop van de lopende huurover­eenkomst en zo vervolgens na afloop van elke volgende huurovereenkomst bindend advies te vragen aan de WBE het jachtrecht dient te worden verhuurd en tegen welke prijs, zulks op verbeurte van een boete groot vijfentwintigduizend Euro, (€ 25.000,-) per jaar dat deze verplich­ting niet wordt nageleefd. – Koper verplicht zich verder opvolgende kopers aan de boven geformuleerde bedingen te zullen houden, eveneens bij niet naleving op verbeurte van een boete groot vijfentwintigduizend Euro (€ 25.000,-).
In artikel 3.15 lid 2 van de Wet natuurbescherming (Wnb) wordt vrijstelling verleend van bijvoorbeeld het verbod op het doden, voor de bestrijding door grondgebruikers van schadeveroorzakende vogels en dieren die in het Besluit Natuur art 3.1 zijn aangewezen, omdat ze in het gehele land schade veroorzaken. Het betreft hier de landelijke vrijstellingslijst, te weten Zwarte kraai, Kauw, Canadese gans, Vos, Houtduif en konijn. Provinciale Staten kunnen bij verordening eveneens soorten aanwijzen waarvoor een provinciale vrijstelling geldt binnen de provincie, eveneens gericht tot grondgebruikers. Artikel 3.15 lid 7 Wnb stelt vervolgens: “De grondgebruiker kan bij schriftelijke en gedagtekende toestemming de hem ingevolge het tweede tot en met vijfde lid toegestane handelingen door een wildbeheereenheid of anderen doen uitoefenen.” De Raad van State heeft in dit verband de lezing bevestigd dat de grondgebruiker een schriftelijke toestemming kan verlenen maar dat deze bepaling niet zo gelezen moet worden dat elke jachtaktehouder fysiek over deze toestemming dient te beschikken (klik hier voor de uitspraak, in het bijzonder rechtsoverweging 2.4.1). Nu er geen wijziging op dit punt is beoogd door de wetgever geldt het volgende: Indien de grondgebruiker de jachthouder middels ons standaardcontract een schriftelijke toestemming geeft, waar ook in staat dat de toestemming doorgegeven mag worden, dan is aan het vereiste van artikel 3.15 lid 7 Wnb voldaan. De houder van deze toestemming mag deze doorgeven. Indien hij bij de activiteit aanwezig is blijkt enkel uit zijn aanwezigheid al dat hij deze toestemming doorgeeft. Is hij niet zelf aanwezig dan doet hij er verstandig aan om aan uitvoerders deze toestemming schriftelijk door te geven.
Een hoogzit is in principe niet vergunningsplichtig als deze mobiel is en tenminste eens per jaar verplaatst wordt. In de overige gevallen dient u navraag te doen bij de gemeente waar de hoogzit geplaatst gaat worden of hiervoor een bouwvergunning nodig is.
Een jachthuurovereenkomst kan niet eenzijdig worden ingetrokken. Dit kan wel indien alle verhuurder(s) en huurder(s) hiermee akkoord gaan. Wanneer een van de partijen toch de overeenkomst wil beëindigen en de ander niet, dan is dit alleen mogelijk via de rechter, wat uiteraard geld kost. In het geval dat de verhuurder het contract wil beëindigen zal de rechter de huurder waarschijnlijk een financiële compensatie toekennen vanwege het gemiste jachtgenot. Wanneer een huurder in gebreke blijft met de betaling van de jachthuur dan dient de verhuurder de huurder een aangetekend schrijven te sturen waarin wordt gesteld dat de huurder de tegenprestatie binnen een redelijke termijn dient te voldoen (bijvoorbeeld binnen 3 weken). Doet de huurder dit niet dan kan de verhuurder de jachthuurovereenkomst als beëindigd beschouwen. De verhuurder zou dan het jachtrecht opnieuw kunnen verhuren aan iemand anders.
Ja, de buren zijn aansprakelijk te stellen voor de schade. De buren kiezen er immers bewust voor om geen gebruik te maken van de preventieve maatregelen die mogelijk zijn om de schade te voorkomen en te beperken. Hierdoor kunnen ze met succes aansprakelijk worden gesteld voor de gevolgen van die keuze. Artikel 6: 162 Burgerlijk Wetboek
Ja, het is wettelijk toegestaan om een lid van de WBE een toestemming te geven op een blok dat kleiner is dan 40 ha, daar de Wbe de jachthouder is en het een groot jachtveld vormt. De Wbe geeft hiervoor aan haar leden een toestemming buitengezelschap op basis van art 3.20 lid 4 Wn. Wel moet het totale veld van de WBE groter zijn dan het aantal toestemmingen maal 40 ha. Artikel 3.20, lid 4 onder b. Wet natuurbescherming en 3.12 lid 2 Besluit natuurbescherming
Om een jachtakte te kunnen aanvragen, moet je kunnen aantonen dat je in de gelegenheid bent om met een geweer te mogen jagen in een jachtveld waarvan men zelf jachthouder is of toestemminghouder is om buiten gezelschap jachthouder te mogen jagen (art 3.20 lid 4) of waar men in gezelschap van de jachthouder mag jagen (art 3.20 lid 1). De Wet natuurbescherming maakt immers onderscheid tussen jagen (op de 5 wildsoorten) en het doden/vangen van dieren in het kader van beheer en schadebestrijding op basis van de landelijke of provinciale vrijstellingen, ontheffingen of bijzondere opdrachten ( exoten). Je kunt dus niet op basis van ontheffing, vrijstelling of bijzondere opdracht geen jachtakte aanvragen. Artikel 3.28 lid 2 onderdeel c Wet natuurbescherming.
Een jachthouder hoeft geen jachtakte te hebben. In principe is iedere eigenaar van een stuk grond jachthouder als dit niet verhuurd is voor de jacht, ongeacht de grootte. Het is echter niet mogelijk om te jagen in gezelschap van een jachthouder zonder een jachtakte, alleen een Wildbeheereenheid met inbreng van jachtrechten is als rechtspersoon gerechtigd om een toestemming hiervoor te verlenen op basis van art 3.20 Wn.
Sinds 1977 na een uitspraak van de Minister van Landbouw, dat vernieuwing van een jachthuurovereenkomst binnen 2 jaar voor de afloop van de oude jachthuurovereenkomst opnieuw afgesloten kan worden, dit is nog steeds van toepassing als een redelijke termijn. De nieuwe jachthuurovereenkomst kan echter pas ingaan na afloop van de oude jachthuurovereenkomst.
In art 3Wet Natuurbescherming.23 Wn is bepaald wie de jachtrechten heeft en wie dan van deze jachtrechten gebruik mag maken. Binnen een Wildbeheereenheid zijn dat in principe dus degene die de jachtrechten hebben of inbrengen, binnen een Wildbeheereenheid, het is dus niet aan de Wildbeheereenheid om te bepalen wie waar jaagt. Wel kunnen de jachtrechten verdeeld worden, echter alleen in overleg met de jachthouders, die de jachtrechten bezitten binnen de Wildbeheereenheid. Gerechtigd tot het uitoefenen van de jacht in een veld zijn, elkaar uitsluitend: a. De eigenaar van de grond b. De erfpachter of vruchtgebruiker van de grond, tenzij de eigenaar zich bij het vestigen van het erfpachtrecht of het recht op vruchtgebruik het jachtrecht heeft voorbehouden en tenzij het jachtrecht ten tijde van het vestigen van het erfpachtrecht of het recht op vruchtgebruik al was verhuurd; c. de pachter van de grond, tenzij de verpachter bij het aangaan van de pachtovereenkomst niet tot het uitoefenen van de jacht gerechtigd was of zich het recht tot de uitoefening van de jacht heeft voorbehouden en tenzij ten tijde van het aangaan van de pachtovereenkomst het jachtrecht al was verhuurd, dan wel d. degene die het jachtrecht bij schriftelijke en gedagtekende overeenkomst voor een periode van ten minste zes jaar en ten hoogste twaalf jaar heeft gehuurd van de ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst tot de uitoefening van de jacht gerechtigde: 1°. eigenaar, erfpachter, vruchtgebruiker of pachter van de grond, met toestemming van de grondgebruiker ingeval de verhuurder niet tevens grondgebruiker is, of 2°. huurder van het jachtrecht, met toestemming van de eigenaar, erfpachter, vruchtgebruiker of pachter die het jachtrecht aan deze huurder heeft verhuurd en mits het jachtrecht in zijn geheel wordt weder verhuurd. In de huurovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, kan niet worden afgeweken van artikel 226, eerste, tweede en derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Zij bevat geen beding van optie of verlenging. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden geregeld in welke gevallen het is toegestaan dat de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, korter is dan zes jaar.
Een Jachthuurovereenkomst is een overeenkomst tussen 2 partijen volgens het BW art 251 en verder bepaald art 3.23 lid 2 Wn dat koop geen huur verbreekt van een bestaande jachthuurovereenkomst. Deze kan dus alleen gewijzigd worden als beide partijen het hier mee eens zijn, dus de tegenprestatie die altijd verlangt wordt in een jachtuurovereenkomst blijven dan ook van kracht.
a. Een jachthouder met een jachtakte of Wildbeheereenheid zijnde jachthouder kan, aan andere jachtaktehouders een toestemming (art 3.20 lid 1 Wn) verlenen om de jacht met het geweer in zijn gezelschap uit te oefenen. Met deze gastverklaring toont een aanvrager van een jachtakte genoegzaam aan dat hij in de gelegenheid is om te jagen. Deze aanvrager voldoet daarmee aan een van de eisen voor de verlening van de jachtakte die zijn genoemd in artikel 3.28, lid 2 onderdeel c van de Wet natuurbescherming. Deze toestemming kan schriftelijk worden gegeven, bijvoorbeeld volgens het model dat de NOJG daarvoor heeft opgesteld. Ook de “Toestemming buiten gezelschap Jachthouder” (art 3.20 lid 4) is mogelijk mits het jachtveld v.w.b. de grootte voldoet aan de vereiste 40 ha regeling.Wie zo’n toestemming als bedoeld in artikel 3.20 lid 4 onder b. heeft, mag volgens artikel 3.3 lid 3 onderdeel a Besluit natuurbescherming vervolgens ook zelf weer aan derden toestemming verlenen om in zijn gezelschap te jagen, mits toegestaan door de jachthouder. De formulieren voor het uitgeven van deze toestemming vindt u op onze site: Formulieren aanvraag jachtakte Wnb
In het Besluit natuurbescherming (art 3.6 lid 7) staat dat er niet gejaagd mag worden indien de grond bedekt is door sneeuw, dit geldt dan voor de wildsoorten die sporen in de sneeuw achterlaten, dus niet voor de landelijk en provinciaal vrijgestelde diersoorten. Art 3.7 Besluit natuurbescherming geeft echter ook aan dat dit niet geldt voor houtduif en wilde eend, maar dat de jacht (drijfjacht) op haas, konijn en fazant als wijze van jacht dan wel is toegestaan, dus voor de voet jagen mag dan niet. In art 3.6 lid 9 Besluit natuurbescherming staat dat wild ( wilde eend) zoals is bedoeld in 3.20 2e lid, voor zover deze zich bevinden in de nabijheid van wakken of bijten in het ijs verboden is.
Ja, deze wijze van jagen is niet verboden bij of krachtens de Wet natuurbescherming indien er sneeuw ligt. Fretteren met buidels, is immers een heel andere wijze van jagen, dan voor de voet welke vorm van jagen dat dan wel verboden is. (Artikel 3.7 lid 3 Besluit natuurbescherming)
Indien je in het jachtveld bent dan mag je niet vanuit of op een auto ook al staat deze stil, dit geldt ook niet bij schade bestrijding. Voor niet wildsoorten is dit wel toegestaan, tenzij de ontheffing van de provincie of de machtiging van de Faunabeheereenheid dit uitsluit. (Artikel 3.21 lid 5 Wet natuurbescherming en artikel 3.16 lid 1 Besluit natuurbescherming)
Ja, de politie is als toezichthouderaangewezen in de Wet natuurbescherming en kan ingevolge artikel 5.17 lid 1. Algemene Wet bestuursrecht inzage vorderen van uw jachtakte. (Artikel 4.7 Algemene Wet bestuursrecht)
Dit is toegestaan, het Besluit natuurbescherming art 3.6 lid 12, je dient dan wel met bejagen ervan tenminste 200 meter er vandaan blijven bij het bejagen van de eenden. (Besluit natuurbescherming art 3.6 lid 12)
Ja, dat mag in het kader van schadebestrijding, zij zijn geen wildsoort, waar het Besluit natuurbescherming art 3.6 lid 12 niet op van toepassing is.
Voor de wildsoorten houtduif en konijn is er een geopend jachtseizoen en schoontijd. De houtduif en konijn zijn echter ook het gehele jaar landelijk vrijgesteld, bij belangrijke schade of te verwachten schade aan de landbouw door de minister van LNV. Dit betekent dat deze wild-soorten, zonder verdere vergunningen etc. het hele jaar mogen worden gedood indien er binnen het werkgebied van de WBE schade is of dreigt in het huidige of het komende jaar. Indien echter gebruik wordt gemaakt van een geweer is een jachtakte vereist evenals een schriftelijke toestemming van de grondgebruiker ( art 3.5 lid 7). Tevens is de 40 ha-regeling van toepassing. (Artikel 3.5 Regeling natuurbescherming en artikel 3.15 en 3.16 Wet natuurbescherming en artikel 3.1 en 3.12 Besluit natuurbescherming)
De Wet natuurbescherming maakt een heel duidelijke scheiding tussen jacht en beheer/schadebestrijding Het jachtrecht geldt voor het te jagen op de 5 wildsoorten, de toestemming van de grondgebruiker heeft de jager nodig voor het beheren en schadebestrijden van alle overige diersoorten, waarvoor een ontheffing, vrijstelling of bijzondere opdracht geldt(exoten). (Artikel 3.15 lid 7 Wet natuurbescherming)
Bij het overlijden van een jagende jachthouder is de vraag of hiermee het jachtrecht eindigt, indien er in de jachthuurovereenkomst hierover niets is opgenomen gaat het jachtrecht automatisch over naar de erven. Zij kunnen dan het jachtrecht wederverhuren voor de lopende tijd of met goedvinden van beide partijen (erven en de verhuurders) de jachthuurovereenkomst ontbinden. Dit geldt echter niet als de jachtrechten zijn wederverhuurt aan bijvoorbeeld een Wildbeheereenheid met inbreng van jachtrechten. Dan zeker wel met de erven overlegt worden wie er dan van de jachtrechten binnen de Wbe gebruik mag maken, bijvoorbeeld andere combinanten van de jachthouder.
Vaak zijn het terreinbeherende organisaties die de gewone jacht op de 5 wildsoorten niet toestaan, maar dat zij wel meewerken om een jachtveld bejaagbaar te houden, maar dan wel hieraan hun voorwaarden verbinden. "Jacht op afroep” dan wordt de jacht op de 5 wildsoorten wel verhuurt, maar dan mag er pas op gejaagd worden indien de grondeigenaar (TBO) hier om vraagt of schriftelijk voor uitnodigt. Dit is een goede voorwaarde om een jachtveld bejaagbaar te houden of te maken. "De nulverhuur” is een wijze van verhuur die in de praktijk niet overal geaccepteerd te wordt door de politie. Het feit dat de jacht wel wordt gehuurd maar dat er in het geheel niet gejaagd mag worden, geeft discussie of dit wel gezien kan worden als een volwaardige jachthuurovereenkomst. Ons advies is om de voorwaarde “jacht op afroep” in de jachthuurovereenkomst op te nemen, indien de verhuurder van het jachtgenot zelf wil bepalen of en wanneer er gejaagd mag worden.
Een jachtveld die met het geweer worden bejaagd moeten minimaal een oppervlakte hebben van minimaal 40 ha. Ligt dit eiland in U jachtveld dan mag u er alle wild bejagen met het geweer. Voor een boot gelden andere voorwaarden zoals aangegeven in Artikel 3.6 lid 5 van het Besluit natuurbescherming welke het jagen verbiedt vanaf of vanuit een vaartuig. Artikel 3.7 lid 2 van het Besluit natuurbescherming geeft echter aan dat dit wel mag gebeuren vanuit een vaartuig, dat niet sneller dan vijf km/uur vaart, voor bijvoorbeeld de jacht op de wilde eend.
Dat mag alleen indien men wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit, ons advies is om altijd hieraan mee te werken aan het verzoek van controlerende ambtenaren, omdat het weigeren daarvan kan worden geïnterpreteerd als misbruik van de bevoegdheid wapens voorhanden te hebben. art. 5.17 lid 1, Algemene Wet bestuursrecht
In het Besluit natuurbescherming art 3.12 is bepaald welke diersoorten landelijk zijn vrijgesteld, dit zijn; konijn, houtduif, vos, Canadese gans, kraai en kauw, hetgeen inhoudt dat deze dieren het hele jaar mogen worden gedood, indien er binnen het werkgebied van de WBE op tenminste één perceel schade is of dreigt in het huidige of het komende jaar aan landbouw en/of fauna. Indien gebruik gemaakt wordt van een geweer is een jachtakte vereist evenals een schriftelijke toestemming van de grondgebruiker. Tevens is de 40 ha-regeling art 3.28 Wnb en art 3.12 besluit Wnb van toepassing, indien je gebruik maakt van een geweer.
Bij de tot jagen geoorloofde middelen komen we de kastval niet meer tegen. Het is echter wel een geoorloofd middel voor schadebestrijding van vos, kraai en kauw, die op de landelijke vrijstellingslijst zijn geplaatst vanaf 1 april 2004. In het art 3.9 Besluit natuurbescherming zijn nu alle middelen, methoden en installaties vermeld voor het vangen en doden van diersoorten. Hieronder ook de door u genoemde vangkooi, kastval.
De vos staat op de landelijke vrijstellingslijst, art 3.1 Besluit Wnb enmag dus bij schade of te verwachten schade aan de fauna bejaagd worden.. Het vangen en doden van vossen met behulp van aardhonden is toegestaan 1 september tot 1 maart. art 3.4 lid b Regeling natuurbescherming
Voor het gebruik van de kraaienvangkooi is een provinciale ontheffing art 3.17 Wnb vereist. Tevens is het vangen en doden van dieren toegestaan de in Regeling natuurbescherming artikel 3.3, eerste en tweede lid, aangewezen middelen, met uitzondering van fretten, kastvallen, vangkooien en buidels, niet gebruikt op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paasdag, de tweede pinksterdag, de eerste en tweede kerstdag, en de hemelvaartsdag. Er kan in de ontheffing van de provincie wel worden toegestaan dat de vangkooi ook op zondag mag worden opgesteld voor het vangen.
Indien u deze kraaien heeft geschoten of gekregen van een jager, mag u deze gebruiken om andere kraaien van de schadegevoelige objecten/percelen weg te houden.
Door het industrieterrein is er geen sprake van een jachtveld maar van een bebouwde kom in de zin van de Wet natuurbescherming en mag men geen gebruik maken van het geweer zonder een ontheffing van de provincie. Men mag wel gebruik maken van een ontheffing van een kraaienvangkooi dit met een ontheffing art 3.17 Wnb.
Gebruik luchtdrukwapen is nu verbonden aan een ontheffing ook in een gebouw. zie de toelichting op het Besluit natuurbescherming; Onder het begrip «geweer», zoals gebruikt in de wet en in de onderhavige artikelen, moeten ook luchtdrukgeweren worden begrepen. In bepaalde gevallen, zoals het doden van vogels binnen gebouwen, is het luchtdrukgeweer een geschikt middel. In die gevallen is – naast ontheffing van het verbod op het doden van vogels – ook ontheffing van het verbod op het gebruik van andere geweren dan hagel- en kogelgeweren en in voorkomend geval het verbod op het gebruik van het geweer binnen de bebouwde kom benodigd. Artikel 3.26, derde lid, van de wet biedt daarvoor een basis. Hetzelfde geldt voor verdovingsgeweren en gas- en verdrukgeweren. Het gebruik van het geweer is ook gebonden aan de bepalingen van de Wet wapens en munitie. Uit dien hoofde gelden er bijvoorbeeld ook regels over het dragen, vervoeren en opbergen van het wapen. De regels van de Wet wapens en munitie kunnen verschillen al naar gelang de categorie wapens waartoe het geweer behoort. Het hagelgeweer en het kogelgeweer zijn in de Wet wapens en munitie wapens van categorie III, het luchtdrukgeweer is een wapen van categorie IV.
U bent verplicht het faunabeheerplan uit te voeren, daarbij horen volgens ons ook de uitvoering van de trendtellingen ten behoeve van een planmatige en doelmatige aanpak van het faunabeheer hiermee wordt het faunabeheerplan onderbouwd door trendtellingen van de populaties van in het wild levende dieren in het gebied waarop het faunabeheerplan van toepassing is. Artikel 3.12 Wn
Ja, dat bent U als jachthouder. Artikel 3.14 lid 1 en geeft hierover het navolgende aan: Jachthouders met een jachtakte organiseren zich met anderen in een wildbeheereenheid, die de rechtsvorm van een vereniging heeft, ter uitvoering van het door de faunabeheereenheid vastgestelde faunabeheerplan en om te bevorderen dat een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, bestrijding van schadeveroorzakende dieren en jacht worden uitgevoerd in samenwerking met en ten diensten van grondgebruikers of terreinbeheerders.Art 3.12 lid 1 Het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht geschieden overeenkomstig het faunabeheerplan. Dit betekent dat alle vormen van jacht, beheer en schadebestrijding op basis van het faunabeheerplan door de jachthouders dienen te worden uit gevoerd. Artikel 3.14 lid 1 Art 3.12 lid 1
Print Friendly, PDF & Email

Reacties zijn gesloten.