RvS – Ontheffing wilde zwijnen provincie Utrecht blijft in stand

Uitspraak – Rechtbank/Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2026:2097, 15 april 2026-

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het college van gedeputeerde staten van Utrecht de ontheffing voor het doden van wilde zwijnen in de provincie Utrecht terecht heeft verleend. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de noodzaak voor die ontheffing onvoldoende was onderbouwd, maar de Afdeling vernietigt die uitspraak en verklaart het beroep van Stichting Animal Rights en Stichting Fauna4Life alsnog ongegrond.

Zaak en achtergrond

De zaak gaat over een ontheffing die is verleend aan de Faunabeheereenheid Utrecht om jaarrond wilde zwijnen te mogen doden, in het kader van een provinciaal nulstandbeleid. Dat beleid is gericht op het voorkomen dat wilde zwijnen zich in Utrecht blijvend vestigen, mede vanwege schade aan gewassen, verkeersveiligheid en risico’s rond dierziekten zoals Afrikaanse varkenspest.

Oordeel van de Afdeling

De Afdeling vindt dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er, zodra wilde zwijnen zich in Utrecht vestigen, een concrete dreiging bestaat van ernstige schade en van gevaar voor de verkeersveiligheid. Daarbij mocht het college volgens de Afdeling steunen op ervaringen en schadecijfers uit vergelijkbare gebieden in Gelderland, Limburg en Noord-Brabant.

Ook oordeelt de Afdeling dat het college overtuigend heeft toegelicht dat geen andere bevredigende oplossing bestaat om het beoogde doel van nulstand te bereiken. Maatregelen als afrastering of vangkooi worden door de Afdeling niet als voldoende effectief of passend gezien voor dit doel.

Juridisch kader

De Afdeling past het oude recht toe, dus de Wet natuurbescherming zoals die gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, omdat de aanvraag al in 2020 was ingediend. De relevante toets is of aan de voorwaarden voor een ontheffing is voldaan: geen andere bevredigende oplossing, noodzaak ter voorkoming van ernstige schade of uit oogpunt van openbare veiligheid, en geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding.

Uitkomst HOGER BEROEP

Het hoger beroep van het college is gegrond. De uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland wordt vernietigd en het beroep van de stichtingen tegen het besluit van 25 mei 2021 wordt ongegrond verklaard.