Rapport CBS – Naar landelijke en provinciale trends voor haas en konijn, 2013-2023

Dit rapport laat zien hoe tellingen van haas en konijn uit twee meetnetten — de KNJV Wildvoorjaarstellingen en het DAZ-meetnet — kunnen worden gecombineerd tot betrouwbare provinciale en landelijke trends, mits er genoeg data is en correct wordt gecorrigeerd voor verschillen in oppervlak, telmethode en representativiteit.[1]

Kern van het onderzoek

Het CBS bouwt voort op eerder onderzoek uit 2024 en concludeert opnieuw dat de KNJV-tellingen in de basis bruikbaar zijn voor trendanalyse, maar alleen als volgens protocol wordt geteld en de datakwaliteit goed genoeg is.[1]
De hoofdvraag in dit rapport is niet óf de meetnetten bruikbaar zijn, maar **hoe** je ze op een verantwoorde manier samenvoegt tot één trend.[1]

Methode in drie stappen

Het rapport test drie combinatiemethoden: eerst simpel optellen alsof het één groot meetnet is, daarna corrigeren voor verschil in bemonsterd oppervlak, en tenslotte ook het meetnet zelf meenemen als co-variabele om structurele verschillen tussen de meetnetten te corrigeren.[1]
Die laatste stap is volgens het rapport het meest geschikt wanneer de geografische spreiding van de meetnetten verschilt of wanneer de ene bron meer gericht telt dan de andere.[1]

Bevindingen per provincie

In Gelderland komen de KNJV- en DAZ-trends voor zowel haas als konijn grotendeels overeen, omdat beide meetnetten daar redelijk goed en breed verspreid zijn.[1]
In Zuid-Holland is dat anders: daar verschillen de trends voor haas meer, vooral door verschillen in geografische dekking, terwijl de konijnentrend tussen beide meetnetten juist beter overeenkomt.[1]
De verschillen in aantallen per hectare zijn ook duidelijk: KNJV telt gemiddeld meer dieren per hectare dan DAZ, waarschijnlijk door een gerichter telprotocol en andere telopzet.[1]

Landelijke conclusie

Voor Nederland kan op basis van 9 van de 12 provincies een indicatieve landelijke trend worden gemaakt; voor Groningen, Utrecht en Flevoland zijn er te weinig KNJV-plots met protocolmatige tellingen om een gezamenlijke trend te berekenen.[1]
De belangrijke conclusie is dat de twee meetnetten elkaar niet per se tegenspreken, maar juist ruimtelijk kunnen aanvullen, waardoor een gecombineerde trend sterker en representatiever kan worden dan een losse bron alleen.[1]

Praktische betekenis

Het rapport suggereert dat een gezamenlijke trend het best wordt berekend met gewogen aantallen per hectare én met het meetnet als co-variabele, vooral in provincies waar de teldekking ongelijk is.[1]
De methode is volgens CBS bruikbaar voor een wetenschappelijk gedragen tel- en beoordelingssystematiek voor haas en konijn, maar kan in de toekomst nog worden verfijnd als er betere statistische methoden beschikbaar komen.[1]

Bron:

[1] Naar-trends-voor-haas-en-konijn.pdf




RvS – Ontheffing wilde zwijnen provincie Utrecht blijft in stand

Uitspraak – Rechtbank/Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2026:2097, 15 april 2026-

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het college van gedeputeerde staten van Utrecht de ontheffing voor het doden van wilde zwijnen in de provincie Utrecht terecht heeft verleend. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de noodzaak voor die ontheffing onvoldoende was onderbouwd, maar de Afdeling vernietigt die uitspraak en verklaart het beroep van Stichting Animal Rights en Stichting Fauna4Life alsnog ongegrond.

Zaak en achtergrond

De zaak gaat over een ontheffing die is verleend aan de Faunabeheereenheid Utrecht om jaarrond wilde zwijnen te mogen doden, in het kader van een provinciaal nulstandbeleid. Dat beleid is gericht op het voorkomen dat wilde zwijnen zich in Utrecht blijvend vestigen, mede vanwege schade aan gewassen, verkeersveiligheid en risico’s rond dierziekten zoals Afrikaanse varkenspest.

Oordeel van de Afdeling

De Afdeling vindt dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er, zodra wilde zwijnen zich in Utrecht vestigen, een concrete dreiging bestaat van ernstige schade en van gevaar voor de verkeersveiligheid. Daarbij mocht het college volgens de Afdeling steunen op ervaringen en schadecijfers uit vergelijkbare gebieden in Gelderland, Limburg en Noord-Brabant.

Ook oordeelt de Afdeling dat het college overtuigend heeft toegelicht dat geen andere bevredigende oplossing bestaat om het beoogde doel van nulstand te bereiken. Maatregelen als afrastering of vangkooi worden door de Afdeling niet als voldoende effectief of passend gezien voor dit doel.

Juridisch kader

De Afdeling past het oude recht toe, dus de Wet natuurbescherming zoals die gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, omdat de aanvraag al in 2020 was ingediend. De relevante toets is of aan de voorwaarden voor een ontheffing is voldaan: geen andere bevredigende oplossing, noodzaak ter voorkoming van ernstige schade of uit oogpunt van openbare veiligheid, en geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding.

Uitkomst HOGER BEROEP

Het hoger beroep van het college is gegrond. De uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland wordt vernietigd en het beroep van de stichtingen tegen het besluit van 25 mei 2021 wordt ongegrond verklaard.




Heidi Looy vertelt over natuurbeheer in het Reeuwijkse plassengebied Zuid-Holland

Het bijbehorende onderwerp draait om het behoud en herstel van de natuurlijke status van oeverland en water in de Reeuwijkse Plassen, iets wat ook terugkomt in de beschrijving van Stichting Natuurbeheer Reeuwijkse Plassen. In de transcriptie zegt Looy bovendien dat ze mensen mee de plas op neemt om uit te leggen wat er gebeurt en waarom, zodat natuurbeheer vanuit een ander perspectief zichtbaar wordt




Nieuwe besmetting Afrikaanse varkenspest in AVP vrij Saksen

Op 31 maart 2026 is in de deelstaat Saksen opnieuw een geval van Afrikaanse varkenspest (AVP) vastgesteld bij een dood wild zwijn. De besmetting werd aangetroffen in het Königshain gebergte, in het district Görlitz. Saksen gold sinds begin februari als AVP vrij.
Het betrof een mannelijk wild zwijn van naar schatting jonger dan twee jaar. Het nationale referentielaboratorium voor dierziekten van het Friedrich Loeffler Instituut (FLI) heeft de besmetting bevestigd.

Saksen opnieuw getroffen na opheffen beperkingen

Begin februari had Saksen de laatste AVP maatregelen voor wilde zwijnen opgeheven. Dit gebeurde precies een jaar na het vorige geval en na goedkeuring door de Europese Commissie. De nieuwe vondst betekent dat de deelstaat opnieuw te maken krijgt met AVP, ondanks de eerdere succesvolle bestrijding.

Directe noodmaatregelen van kracht

Na de vondst zijn onmiddellijk maatregelen genomen. Het Staatscentrum voor Dierziektenbestrijding heeft zijn werkzaamheden hervat en is gestart met een intensief onderzoek naar mogelijke verdere besmettingen.
Teams met speurhonden en drones zoeken in de omgeving naar dode wilde zwijnen. Het verwijderen van bestaande hekken binnen een straal van tien kilometer rond de vindplaats is per direct stopgezet. Daarnaast wordt onderzocht of nieuwe afrasteringen nodig zijn en binnen welke zone die geplaatst moeten worden.

We beginnen niet opnieuw vanaf nul’

Minister van Sociale Zaken Petra Köpping noemt de hernieuwde uitbraak een zware klap, maar benadrukt dat Saksen goed is voorbereid. Volgens haar beschikt de deelstaat over jarenlange ervaring in de bestrijding van AVP.
De samenwerking tussen veterinaire autoriteiten, jagers en boeren verloopt volgens Köpping goed. Die nauwe afstemming moet er opnieuw voor zorgen dat verdere verspreiding van het virus wordt voorkomen.

Zorgen bij varkenshouders

Duitse varkenshoudersorganisaties spreken van een bittere tegenvaller voor de sector in de regio. De nieuwe besmetting onderstreept volgens hen dat AVP onder wilde zwijnen onvoorspelbaar blijft, zelfs na succesvolle bestrijding.
Tegelijk benadrukken zij het belang van blijvende waakzaamheid en voortdurende inspanningen om de schade voor veehouders door AVP maatregelen zo beperkt mogelijk te houden.




Provincie Drenthe verleent vergunning voor gericht beheer reeën

Gepubliceerd op 31 maart 2026

Vergunning voor gerichte beheersmaatregelen

De provincie Drenthe heeft een omgevingsvergunning verleend aan de Faunabeheereenheid Drenthe (FBE) voor het gericht beheren van reeën. Deze maatregel is noodzakelijk omdat het aantal aanrijdingen met reeën in Drenthe al jaren te hoog ligt. Jaarlijks worden er gemiddeld bijna 900 aanrijdingen geregistreerd.

Al jaren zet de provincie in op niet-dodelijke maatregelen zoals het plaatsen van rasters, het aanleggen van wildpassages, het verlagen van snelheden, het plaatsen van waarschuwingsborden en het aanpassen van bermbeheer. Deze middelen blijven belangrijk, maar op drukke wegen blijken ze niet voldoende om het aantal ongevallen verder terug te dringen.

“We moeten ingrijpen om het aantal aanrijdingen met reeën te verlagen. Dat is belangrijk voor de verkeersveiligheid in onze provincie. Alle andere maatregelen zijn al ingezet. Beheer vindt alleen plaats waar dat echt nodig is en de reeënpopulatie blijft gezond.”
De provincie geeft ook toestemming om ernstig zieke of gewonde reeën snel en zorgvuldig uit hun lijden te verlossen.

Beheer door Faunabeheereenheid Drenthe

Het beheer wordt uitgevoerd door de wildbeheereenheden van Faunabeheereenheid Drenthe (FBE) volgens het door de provincie goedgekeurde Faunabeheerplan Ree Drenthe 2026-2031. De wildbeheereenheden stellen jaarlijks werkplannen op waarin staat hoeveel en waar er mag worden beheerd. De FBE monitort de uitvoering door de wildbeheereenheden en rapporteert jaarlijks aan de provincie.
De reeënpopulatie in Drenthe is groot en gezond met ongeveer 10.000 reeën. Door strakke monitoring en een jaarlijkse evaluatie bewaakt de provincie dat de gunstige staat van instandhouding behouden blijft.

Nieuwe vergunning en faunabeheerplan

De eerdere vergunning van de FBE was sinds begin 2025 niet meer geldig, omdat de rechtbank oordeelde dat de provincie onvoldoende had onderbouwd waarom afschot noodzakelijk was en waarom alternatieven niet genoeg zouden helpen. Hierdoor lag het beheer stil en was een nieuwe vergunning nodig.
De nieuwe vergunning wordt binnenkort als bekendmaking gepubliceerd door de provincie op overheid.nl. Het Faunabeheerplan Ree wordt samen met de vergunning door de FBE gepubliceerd op haar website (verwijst naar een andere website).




Opname van de wolf in de Landelijke Jagdgesetz in Duitsland: een mijlpaal voor soortbescherming en populatiebeheer

De Bundesrat heeft in Duitsland de OPNAME VAN DE WOLF IN DE LANDELIJKE JACHTWET GOEDGEKEURD.
Deze goedkeuring is het resultaat van jarenlange samenwerking binnen diverse gremia en maakt nu de bescherming van grazende dieren mogelijk. Voor het eerst worden soortbescherming, het welzijn van begrazingsdieren en maatschappelijke acceptatie met elkaar verzoend.

De jachtgemeenschap in Duitsland mag zich verheugen: hun op kennis gebaseerde suggesties zijn opgenomen in het landelijk Jagdgesetz. Dit onderstreept dat jagers als experts op het gebied van wilde dieren worden erkend door de politiek.

Ongeveer een jaar geleden werd de beschermingsstatus van de wolf verlaagd van “strikt beschermd” naar “beschermd” in het internationale Bernverdrag. Het Europees Parlement volgde in mei 2025 en de EU-Raad sloot zich hier in juni bij aan. In december besloot de federale overheid uiteindelijk de wolf op te nemen in het landelijk Jagdgesetz.

Hiermee is een belangrijk project uit het coalitieakkoord succesvol uitgevoerd.

In de toekomst krijgen de Bundesstaten de mogelijkheid om populatiebeheer in te voeren waar de beschermingsstatus van de wolvenpopulatie dat toestaat of waar bescherming van grazende dieren vereist is. Wanneer wolven beschermende maatregelen weten te omzeilen en vee doden, zijn gerichte verwijderingen toegestaan.

De wet biedt tevens ruimte voor het verwijderen van hybriden tussen wolven en honden om de populatie te beschermen. Na vijf jaar zal de Federale regering moeten rapporteren aan de Bundestag over opgedane ervaringen en mogelijke aanpassingsbehoeften.




Uitspraak RvS over de ontheffing die het college van gedeputeerde staten van Utrecht heeft verleend aan de Faunabeheereenheid.

Uitspraak 202202196/1/A3 – 1 april 2026

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 augustus 2020 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht aan de Faunabeheereenheid Utrecht ontheffing verleend voor het verjagen en doden van knobbelzwanen en voor het onklaar maken van hun eieren.Aanleiding voor de ontheffing is dat in de provincie Utrecht regelmatig schade aan landbouwgewassen ontstaat, die wordt toegeschreven aan begrazing door knobbelzwanen. De Faunabeheereenheid heeft daarom verzocht om toestemming om deze diersoort te mogen verjagen en doden met het geweer en om legselreductiemaatregelen toe te passen. Het college heeft die ontheffing verleend voor de duur van het Faunabeheerplan 2019–2025.

Volgens het college is het doden van knobbelzwanen noodzakelijk om belangrijke schade aan gewassen te voorkomen. De rechtbank Midden‑Nederland oordeelde echter dat de onderbouwing van de ontheffing voor het verjagen en doden van knobbelzwanen onvoldoende was. Daarnaast stelde de rechtbank vast dat een ontheffing voor legselreductie niet mag worden verleend met het doel schade aan grasland te voorkomen. In zoverre kon de ontheffing dus niet in stand blijven. Tegen dat deel van de uitspraak is het college niet in hoger beroep gegaan.

In hoger beroep is daarom alleen nog aan de orde of het college bevoegd was om een ontheffing te verlenen voor het doden en verjagen van knobbelzwanen.

De ontheffing vormt onderdeel van het faunabeheer in de provincie Utrecht en is verleend met het argument dat knobbelzwanen aanzienlijke schade veroorzaken aan landbouwgewassen. De organisaties Stichting Animal Rights en Stichting Fauna4Life hebben zich hiertegen verzet en eerder beroep ingesteld bij de rechtbank Midden‑Nederland.

De rechtbank oordeelde dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van ‘belangrijke schade’ zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming. Volgens de rechtbank kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer die schade daadwerkelijk van wezenlijke omvang is.

Het college bestrijdt dit oordeel en stelt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte is afgeweken van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Volgens die lijn mag bij de beoordeling of sprake is van belangrijke schade worden uitgegaan van een drempelbedrag van € 250 per geval, per jaar, per bedrijf. Dat bedrag, zo voert het college aan, kan niet als gering worden beschouwd en voldoet daarom aan de eis van ‘belangrijke schade’.

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 19 mei 2025 ter zitting behandeld.




Landelijk bestuur bezoekt Groningen




Waarschuwing NOJG – “Overgang  naar zomertijd gevaarlijk voor mens en dier”

De overgang van donker naar licht kan leiden tot meer aanrijdingen met dieren zoals reeën, wilde zwijnen, vossen en andere wilde dieren. Deze dieren zijn niet gewend aan de verandering in onze rijtijden en kunnen daardoor onverwachts de weg oversteken.

Ongevallen met wilde dieren kunnen in het ergste geval fataal zijn en jaarlijks veel schade aan eigendommen veroorzaken.

Bovendien zijn chauffeurs potentieel onoplettend, velen veroorzaken slaap in het “verdwenen” uur van de slaap. Zelfs een licht verlaagde reactiesnelheid verlengt echter de reactiesnelheid aanzienlijk.

Om ongelukken te voorkomen, is het verstandig om je snelheid aan te passen, meer afstand te houden en alert te zijn op mogelijke risico’s. Denk eraan dat een botsing met een dier niet alleen rampzalig is voor het dier, maar ook levensgevaarlijk kan zijn voor jou als automobilist.

Wees voorzichtig en probeer uitwijken te vermijden, aangezien dit vaak leidt tot ernstige ongelukken. Laten we samen zorgen voor de veiligheid van zowel de dieren als onszelf op de weg.

De NOJG beveelt aan, vooral voorzichtig en vooruit-waarnemend gericht te rijden.

  • Waar bos is, is ook wild: vooral ’s avonds en in de vroege ochtenduren op landwegen met veel vegetatie langs de kant van de weg: om voet van het gas te zijn en altijd klaar te zijn voor het remmen.
  • Een ree en zeker een hert komt zelden alleen: als je dieren langs de weg ontdekt, moet je verwachten daar er ook andere dieren van een sprong of roedel onderweg zijn.
  • Bovendien moet men zich niet in valse veiligheid wanen door bijvoorbeeld het gedrag van herten. Zelfs als het dier zogenaamd de auto heeft opgemerkt, is het geen garantie dat hij niet voor de auto springt.
  • Toeteren en uitschakelen van het groot licht kan het dier verjagen, terwijl hierbij juist risicovolle ontwijkende manoeuvres moeten worden vermeden.

Uit representatieve onderzoek over de winter- en zomertijd, blijkt o.a. dat inmiddels een meerderheid van de inwoners in Nederland de klok liever niet meer verzet. Iets wat voor het natuurleven en de aanrijdingen met wilde dieren, een goede zaak zou zijn

Zie de onderstaande YouTube film over wild ongelukken in Duitsland als voorbeeld;




Jagen op verwilderde katten is in Fryslân blijft toegestaan

De Afdeling verklaart het hoger beroep van Stichting Dierenrecht ongegrond en laat de Friese opdracht uit 2005 om verwilderde katten te bejagen in stand.

Kern van de zaak

– In 2005 gaf Fryslân op basis van de Flora- en faunawet een opdracht af om verwilderde katten te bejagen ter voorkoming van faunaschade; die opdracht geldt nu via overgangsrecht onder de Wet natuurbescherming als opdracht ex artikel 3.18 Wnb.
– Stichting Dierenrecht vroeg in 2022 om intrekking van die opdracht, met een beroep op nieuw faunabeleid (Nota Faunabeleid Fryslân 2021), de ontwikkeling en inzet van TNR‑C, en veranderde maatschappelijke opvattingen over het doden van dieren.

Standpunt provincie en rechtbank

  • Het college weigerde intrekking, met het argument dat de opdracht onherroepelijk is en er geen relevante gewijzigde omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onder d, Wnb.
  • De rechtbank Noord‑Nederland oordeelde dat:

    • de Nota Faunabeleid geen materiële beleidswijziging vormt ten aanzien van het bejagen van verwilderde katten, mede omdat een motie om met bestrijding te stoppen in 2021 is verworpen;
    • algemene verwijzingen naar veranderende maatschappelijke opvattingen en beleid in andere provincies onvoldoende zijn om een relevante beleids- of omgevingswijziging aan te tonen;
    • de onduidelijkheid over exacte faunaschade niet nieuw is ten opzichte van 2005;

  • TNR‑C al bestond ten tijde van het besluit uit 2005 en nu slechts aanvullend wordt toegepast, zodat ook dit geen relevante nieuwe omstandigheid is;

    • niet is aangetoond dat het in stand laten van de opdracht evident onredelijk is of in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Hoger beroep Stichting Dierenrecht

In hoger beroep herhaalt de stichting vooral dat:

  • de Nota wel degelijk een materiële beleidswijziging zou zijn;

    • TNR‑C nu een volwaardig alternatief zou vormen dat in 2005 nog niet in deze vorm bestond en pas sinds 2021 in Fryslân wordt toegepast;
    • maatschappelijke opvattingen over het doden van dieren zijn gewijzigd, onderbouwd met een petitie, moties in de Tweede Kamer, het stoppen met bejaging in andere provincies en onderzoek van de Raad voor Dieraangelegenheden.

Oordeel van de Afdeling

  • De Afdeling stelt vast dat de hoger‑beroepsgronden vrijwel een herhaling zijn van het beroep en sluit zich aan bij de inhoudelijke beoordeling van de rechtbank.
  • Daargelaten of artikel 5.4, eerste lid, onder d, Wnb formeel van toepassing is, is er volgens de Afdeling geen sprake van gewijzigde omstandigheden die nopen tot intrekking of heroverweging van de opdracht uit 2005.
  • Ook met de aanvullende stukken in hoger beroep is niet aannemelijk gemaakt dat bij het college sprake is van een zodanig gewijzigde maatschappelijke opvatting over het verjagen van verwilderde katten dat dit tot intrekking zou moeten leiden.
  • Het hoger beroep is daarom ongegrond; de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, met verbetering van de motivering, en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Bron:

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@157238/202405371-1-a3/