Opname van de wolf in de Landelijke Jagdgesetz in Duitsland: een mijlpaal voor soortbescherming en populatiebeheer
De Bundesrat heeft in Duitsland de OPNAME VAN DE WOLF IN DE LANDELIJKE JACHTWET GOEDGEKEURD.
Deze goedkeuring is het resultaat van jarenlange samenwerking binnen diverse gremia en maakt nu de bescherming van grazende dieren mogelijk. Voor het eerst worden soortbescherming, het welzijn van begrazingsdieren en maatschappelijke acceptatie met elkaar verzoend.
De jachtgemeenschap in Duitsland mag zich verheugen: hun op kennis gebaseerde suggesties zijn opgenomen in het landelijk Jagdgesetz. Dit onderstreept dat jagers als experts op het gebied van wilde dieren worden erkend door de politiek.
Ongeveer een jaar geleden werd de beschermingsstatus van de wolf verlaagd van “strikt beschermd” naar “beschermd” in het internationale Bernverdrag. Het Europees Parlement volgde in mei 2025 en de EU-Raad sloot zich hier in juni bij aan. In december besloot de federale overheid uiteindelijk de wolf op te nemen in het landelijk Jagdgesetz.
Hiermee is een belangrijk project uit het coalitieakkoord succesvol uitgevoerd.
In de toekomst krijgen de Bundesstaten de mogelijkheid om populatiebeheer in te voeren waar de beschermingsstatus van de wolvenpopulatie dat toestaat of waar bescherming van grazende dieren vereist is. Wanneer wolven beschermende maatregelen weten te omzeilen en vee doden, zijn gerichte verwijderingen toegestaan.
De wet biedt tevens ruimte voor het verwijderen van hybriden tussen wolven en honden om de populatie te beschermen. Na vijf jaar zal de Federale regering moeten rapporteren aan de Bundestag over opgedane ervaringen en mogelijke aanpassingsbehoeften.
Uitspraak RvS over de ontheffing die het college van gedeputeerde staten van Utrecht heeft verleend aan de Faunabeheereenheid.
Uitspraak 202202196/1/A3 – 1 april 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 31 augustus 2020 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht aan de Faunabeheereenheid Utrecht ontheffing verleend voor het verjagen en doden van knobbelzwanen en voor het onklaar maken van hun eieren.Aanleiding voor de ontheffing is dat in de provincie Utrecht regelmatig schade aan landbouwgewassen ontstaat, die wordt toegeschreven aan begrazing door knobbelzwanen. De Faunabeheereenheid heeft daarom verzocht om toestemming om deze diersoort te mogen verjagen en doden met het geweer en om legselreductiemaatregelen toe te passen. Het college heeft die ontheffing verleend voor de duur van het Faunabeheerplan 2019–2025.
Volgens het college is het doden van knobbelzwanen noodzakelijk om belangrijke schade aan gewassen te voorkomen. De rechtbank Midden‑Nederland oordeelde echter dat de onderbouwing van de ontheffing voor het verjagen en doden van knobbelzwanen onvoldoende was. Daarnaast stelde de rechtbank vast dat een ontheffing voor legselreductie niet mag worden verleend met het doel schade aan grasland te voorkomen. In zoverre kon de ontheffing dus niet in stand blijven. Tegen dat deel van de uitspraak is het college niet in hoger beroep gegaan.
In hoger beroep is daarom alleen nog aan de orde of het college bevoegd was om een ontheffing te verlenen voor het doden en verjagen van knobbelzwanen.
De ontheffing vormt onderdeel van het faunabeheer in de provincie Utrecht en is verleend met het argument dat knobbelzwanen aanzienlijke schade veroorzaken aan landbouwgewassen. De organisaties Stichting Animal Rights en Stichting Fauna4Life hebben zich hiertegen verzet en eerder beroep ingesteld bij de rechtbank Midden‑Nederland.
De rechtbank oordeelde dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van ‘belangrijke schade’ zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming. Volgens de rechtbank kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer die schade daadwerkelijk van wezenlijke omvang is.
Het college bestrijdt dit oordeel en stelt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte is afgeweken van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Volgens die lijn mag bij de beoordeling of sprake is van belangrijke schade worden uitgegaan van een drempelbedrag van € 250 per geval, per jaar, per bedrijf. Dat bedrag, zo voert het college aan, kan niet als gering worden beschouwd en voldoet daarom aan de eis van ‘belangrijke schade’.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 19 mei 2025 ter zitting behandeld.
Waarschuwing NOJG – “Overgang naar zomertijd gevaarlijk voor mens en dier”
In de nacht van 28 tot 29 maart 2026 worden de horloges omgezet naar de zomertijd, dan is het belangrijk om extra alert te zijn op de weg, vooral in de schemering wanneer wilde dieren actiever zijn.
De overgang van donker naar licht kan leiden tot meer aanrijdingen met dieren zoals reeën, wilde zwijnen, vossen en andere wilde dieren. Deze dieren zijn niet gewend aan de verandering in onze rijtijden en kunnen daardoor onverwachts de weg oversteken.
Ongevallen met wilde dieren kunnen in het ergste geval fataal zijn en jaarlijks veel schade aan eigendommen veroorzaken.
Bovendien zijn chauffeurs potentieel onoplettend, velen veroorzaken slaap in het “verdwenen” uur van de slaap. Zelfs een licht verlaagde reactiesnelheid verlengt echter de reactiesnelheid aanzienlijk.
Om ongelukken te voorkomen, is het verstandig om je snelheid aan te passen, meer afstand te houden en alert te zijn op mogelijke risico’s. Denk eraan dat een botsing met een dier niet alleen rampzalig is voor het dier, maar ook levensgevaarlijk kan zijn voor jou als automobilist.
Wees voorzichtig en probeer uitwijken te vermijden, aangezien dit vaak leidt tot ernstige ongelukken. Laten we samen zorgen voor de veiligheid van zowel de dieren als onszelf op de weg.
De NOJG beveelt aan, vooral voorzichtig en vooruit-waarnemend gericht te rijden.
Waar bos is, is ook wild: vooral ’s avonds en in de vroege ochtenduren op landwegen met veel vegetatie langs de kant van de weg: om voet van het gas te zijn en altijd klaar te zijn voor het remmen.
Een ree en zeker een hert komt zelden alleen: als je dieren langs de weg ontdekt, moet je verwachten daar er ook andere dieren van een sprong of roedel onderweg zijn.
Bovendien moet men zich niet in valse veiligheid wanen door bijvoorbeeld het gedrag van herten. Zelfs als het dier zogenaamd de auto heeft opgemerkt, is het geen garantie dat hij niet voor de auto springt.
Toeteren en uitschakelen van het groot licht kan het dier verjagen, terwijl hierbij juist risicovolle ontwijkende manoeuvres moeten worden vermeden.
Uit representatieve onderzoek over de winter- en zomertijd, blijkt o.a. dat inmiddels een meerderheid van de inwoners in Nederland de klok liever niet meer verzet. Iets wat voor het natuurleven en de aanrijdingen met wilde dieren, een goede zaak zou zijn
Zie de onderstaande YouTube film over wild ongelukken in Duitsland als voorbeeld;
Jagen op verwilderde katten is in Fryslân blijft toegestaan
De Afdeling verklaart het hoger beroep van Stichting Dierenrecht ongegrond en laat de Friese opdracht uit 2005 om verwilderde katten te bejagen in stand.
Kern van de zaak
– In 2005 gaf Fryslân op basis van de Flora- en faunawet een opdracht af om verwilderde katten te bejagen ter voorkoming van faunaschade; die opdracht geldt nu via overgangsrecht onder de Wet natuurbescherming als opdracht ex artikel 3.18 Wnb. – Stichting Dierenrecht vroeg in 2022 om intrekking van die opdracht, met een beroep op nieuw faunabeleid (Nota Faunabeleid Fryslân 2021), de ontwikkeling en inzet van TNR‑C, en veranderde maatschappelijke opvattingen over het doden van dieren.
Standpunt provincie en rechtbank
Het college weigerde intrekking, met het argument dat de opdracht onherroepelijk is en er geen relevante gewijzigde omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onder d, Wnb.
De rechtbank Noord‑Nederland oordeelde dat:
de Nota Faunabeleid geen materiële beleidswijziging vormt ten aanzien van het bejagen van verwilderde katten, mede omdat een motie om met bestrijding te stoppen in 2021 is verworpen;
algemene verwijzingen naar veranderende maatschappelijke opvattingen en beleid in andere provincies onvoldoende zijn om een relevante beleids- of omgevingswijziging aan te tonen;
de onduidelijkheid over exacte faunaschade niet nieuw is ten opzichte van 2005;
TNR‑C al bestond ten tijde van het besluit uit 2005 en nu slechts aanvullend wordt toegepast, zodat ook dit geen relevante nieuwe omstandigheid is;
niet is aangetoond dat het in stand laten van de opdracht evident onredelijk is of in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Hoger beroep Stichting Dierenrecht
In hoger beroep herhaalt de stichting vooral dat:
de Nota wel degelijk een materiële beleidswijziging zou zijn;
TNR‑C nu een volwaardig alternatief zou vormen dat in 2005 nog niet in deze vorm bestond en pas sinds 2021 in Fryslân wordt toegepast;
maatschappelijke opvattingen over het doden van dieren zijn gewijzigd, onderbouwd met een petitie, moties in de Tweede Kamer, het stoppen met bejaging in andere provincies en onderzoek van de Raad voor Dieraangelegenheden.
Oordeel van de Afdeling
De Afdeling stelt vast dat de hoger‑beroepsgronden vrijwel een herhaling zijn van het beroep en sluit zich aan bij de inhoudelijke beoordeling van de rechtbank.
Daargelaten of artikel 5.4, eerste lid, onder d, Wnb formeel van toepassing is, is er volgens de Afdeling geen sprake van gewijzigde omstandigheden die nopen tot intrekking of heroverweging van de opdracht uit 2005.
Ook met de aanvullende stukken in hoger beroep is niet aannemelijk gemaakt dat bij het college sprake is van een zodanig gewijzigde maatschappelijke opvatting over het verjagen van verwilderde katten dat dit tot intrekking zou moeten leiden.
Het hoger beroep is daarom ongegrond; de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, met verbetering van de motivering, en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Nieuwe Duitse wet maakt weg vrij voor afschot van wolven
Het Duitse parlement heeft recentelijk een wet aangenomen die het toestaat om op wolven te jagen. Deze beslissing wordt positief ontvangen door landbouwers en jagers, terwijl dierenrechtenorganisaties hun zorgen uiten. Volgens hen zal het bejagen van de wolf het probleem met schade aan vee niet oplossen.
Met de goedkeuring van deze wet door de Bondsdag is het voor Duitse jagers weer toegestaan om wolven te schieten. Het parlement in Berlijn heeft dit besluit eerder deze maand genomen, waardoor de jacht op wolven wordt gelegaliseerd. Tot op heden was het, evenals in Nederland, verboden om op wolven te jagen. Uitsluitend in uitzonderlijke situaties, waarbij een wolf als ongewenst of gevaarlijk werd beschouwd, kon er ontheffing voor het afschot worden verleend. Met deze wetswijziging voorziet de Bondsdag echter in een structurele verandering.
Volgens de nieuwe regelgeving mogen jagers jaarlijks vanaf 1 juli tot en met 31 oktober op wolven jagen in regio’s met een relatief hoge wolvendichtheid. De Duitse deelstaten zullen beheersplannen moeten opstellen, op basis waarvan quota worden bepaald. Wolven die overlast veroorzaken mogen ook buiten het jachtseizoen worden gedood. De Duitse regering verwacht dat er jaarlijks tussen de 150 en 300 wolven zullen worden afgeschoten.
De minister van Landbouw, Alois Rainer, heeft zich positief uitgelaten over het besluit. Rainer benadrukt dat men moet beseffen dat de wolf geen huisdier is. Volgens hem betekent dierenbescherming tevens ook het beschermen van landbouwhuisdieren.
In de negentiende eeuw werd de wolf in Duitsland uitgeroeid.
Echter, eind jaren zeventig werd in de Conventie van Bern vastgelegd dat het roofdier streng moest worden beschermd. Sinds het begin van deze eeuw is de wolf, vanuit het oosten, weer teruggekeerd in Duitsland. Officiële cijfers uit eind 2024 geven aan dat er inmiddels minstens 1600 wolven in Duitsland leven.
De herintroductie van de wolf heeft echter ook geleid tot een toename van het aantal aanvallen op vee. In 2025 werden volgens Duitse autoriteiten circa 4300 boerderijdieren, voornamelijk schapen en geiten, gedood door ongeveer 1100 wolvenaanvallen.
De terugkeer van de wolf heeft in Duitsland geleid tot een intensief en gepolariseerd debat. Voor- en tegenstanders van het afschieten van wolven staan lijnrecht tegenover elkaar. Dierenrechtenactivisten suggereren dat jagers de populatie het liefst volledig zouden willen uitroeien, terwijl sommigen op het platteland de bescherming van de wolf afdoen als naïef idealisme van stedelingen. Er zijn zelfs gevallen bekend van bedreigingen aan het adres van natuurbeschermingsorganisaties.
De wetswijziging moet in Duitsland nog worden goedgekeurd door de Bondsraad, de Duitse senaat, maar de kans op afwijzing wordt gering geacht. Het voorstel wordt, naast de regeringspartijen CDU en SPD, ook gesteund door de AfD.
De rechtbank Noord-Holland verklaart het beroep van Stichting De Faunabescherming tegen de goedkeuring van het Faunabeheerplan Wildsoorten 2023‑2029 ongegrond.
De hoofdpunten van deze zaak gaat over de vraag of gedeputeerde staten van Noord-Holland (GS) het Faunabeheerplan Wildsoorten 2023‑2029, dat uitsluitend ziet op de jacht op wilde eend, fazant, houtduif, haas en konijn, rechtmatig hebben goedgekeurd. De Faunabescherming betoogt dat de staat van instandhouding van deze vijf wildsoorten ongunstig is en dat onvoldoende is aangetoond dat er in de jachtperiode sprake is van door deze soorten veroorzaakte schade, zodat GS de goedkeuring had moeten weigeren.
Juridisch kader
Het besluit tot goedkeuring is genomen onder de (toen nog geldende) Wet natuurbescherming (Wnb) en de Omgevingsverordening NH2020; via overgangsrecht van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet blijft dit oude recht van toepassing totdat het besluit onherroepelijk is. De rechtbank stelt voorop dat een goedgekeurd faunabeheerplan vereist is om de jacht te kunnen uitoefenen, maar dat de minister van LNV (thans: minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) op grond van artikel 3.22 Wnb bepaalt óf en in hoeverre de jacht wordt geopend en de jacht niet opent voor soorten waarvan de staat van instandhouding in het geding is.
Oordeel over de beroepsgrond
De rechtbank verwerpt het standpunt van De Faunabescherming dat GS bij de goedkeuring van een faunabeheerplan nogmaals zelfstandig moet toetsen of de staat van instandhouding van de wildsoorten gunstig is en of voldoende schade in de jachtperiode is aangetoond. Volgens de rechtbank volgt uit artikel 3.20, derde lid, Wnb en overige bepalingen niet dat GS op die gronden de goedkeuring moet onthouden; de toets op de staat van instandhouding ligt bij de minister wanneer deze besluit de jacht al dan niet te openen, en niet bij GS in de fase van goedkeuring van het faunabeheerplan. Ook uit de aangehaalde jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU en de Vogelrichtlijn (artikel 7 en 9) volgt volgens de rechtbank geen verplichting voor GS om bij de goedkeuring de jacht op deze gronden te blokkeren. De rechtbank benadrukt dat de jachthouder, niet GS, norm adressaat is van artikel 3.20, derde lid, Wnb en verantwoordelijk is voor het handhaven van een redelijke wildstand en het voorkomen van schade binnen zijn jachtveld.
Gevolgen: faunabeheerplan blijft in stand
Omdat de aangevoerde ongunstige staat van instandhouding en het gestelde ontbreken van voldoende schade geen weigeringsgrond vormen voor de goedkeuring, concludeert de rechtbank dat het faunabeheerplan voldoet aan de inhoudelijke eisen van de Wnb en de Omgevingsverordening NH2020. Het beroep van De Faunabescherming wordt daarom ongegrond verklaard en de goedkeuring van het Faunabeheerplan Wildsoorten 2023‑2029 blijft in stand.
Kort gezegd
De provincies hoeven bij de goedkeuring van een faunabeheerplan voor de jacht níet zelf opnieuw te toetsen of de staat van instandhouding gunstig is of of er genoeg schade is aangetoond; dat ligt bij de minister bij het openen van de jacht.
Rol provincies bij goedkeuring
– De rechtbank zegt expliciet dat uit artikel 3.20 Wnb (en andere Wnb‑bepalingen) niet volgt dat GS bij de goedkeuring nogmaals de staat van instandhouding van de wildsoorten moeten beoordelen.
– Ook mogen GS de goedkeuring niet weigeren enkel omdat volgens een derde (zoals FBP) onvoldoende is aangetoond dat er in de jachtperiode schade is door wildsoorten.
Rol minister versus GS
– De minister (nu LNV/LVVN) beslist op grond van artikel 3.22 Wnb óf de jacht op een soort wordt geopend en mag die jacht niet openen als de staat van instandhouding in het geding is; die toets voert de minister “telkens” uit. – Het faunabeheerplan is vervolgens een voorwaarde om de jacht feitelijk te kunnen uitoefenen, maar goedkeuring daarvan is niet het moment om de gunstige/ongunstige staat van instandhouding nogmaals te beoordelen.
Praktisch gevolg voor provinciale faunabeheerplannen
– Bij plannen die (uitsluitend) zien op jacht: GS toetsen of het plan voldoet aan de wettelijke en verordeningseisen (inhoud, monitoring, gegevens over populaties, afschot, schade‑indicatie), maar niet of de populaties zó slecht zijn dat jacht nooit zou mogen of dat schade onvoldoende is aangetoond.
– Bezwaar- en beroepsgronden die uitsluitend betogen dat de staat van instandhouding van wildsoorten ongunstig is of dat schade onvoldoende onderbouwd is, zijn volgens deze uitspraak in beginsel géén geldige reden om de provinciale goedkeuring van het faunabeheerplan te vernietigen.
Betekenis in de praktijk
– Voor provincies biedt de uitspraak steun om faunabeheerplannen voor wildsoorten te blijven goedkeuren zolang de plannen inhoudelijk aan de (oude) Wnb en provinciale verordening voldoen.
– De discussie over “mag er überhaupt jacht zijn gezien de staat van instandhouding” verschuift hiermee duidelijk naar het niveau van de ministeriële besluitvorming over het openen of sluiten van de jacht, niet naar de provinciale goedkeuringsfase.
Bronnen
Uitspraak_zaaknummer l-JAA 24 / 1113 NATUUR Rechtbank Noord-Holland van 26 februari 2026
Opleiding voor ‘Kundigen Person” vrijdag 20 maart 2026
Omdat ongetwijfeld ook leden van uw WBE in Duitsland jagen of dit van plan zijn, sturen we u deze email met het verzoek deze door te zenden aan uw leden.
Nog steeds blijkt dat Nederlandse/Belgische jagers bij het boeken van een jachttrip bij de Landes- of Bundesforst niet (kunnen) voldoen aan de vereiste status van ‘Kundigen Person’ en daardoor niet kunnen deelnemen aan aanzit- of drukjachten.
Jagdburo NimrodiA (www.nimrodia.nl) heeft daarom in samenwerking met het jachtforum weer een ‘Schulungslehrgang zur Kundigen Person’ georganiseerd. De animo voor eerdere cursussen bleek dusdanig groot dat deze al snel vol zaten. Op veler verzoek organiseren we daarom binnenkort nogmaals een cursus voor de ‘laatkomers’ en de ‘nieuwkomers’, want voor huidige of toekomstige cursisten van de Jachtopleiding is deze opleiding eveneens ten zeerste aan te bevelen. Binnen is binnen!
Deze Schulungslehrgang zal plaatsvinden op vrijdagavond 20 maart 2026. De cursus is conform de Duitse regelgeving. Een en ander zal ongeveer drie uur in beslag nemen. De cursus is Duitstalig, er wordt geen examen afgenomen.
Na afloop van de cursus ontvangen de deelnemers het door de Duitse autoriteiten afgegeven Zertifikat ‘Kundigen Person’ en het boekwerk ‘Wildbret-Hygiene, das Buch zur Wildbretverwertung’. Het Zertifikat is voor onbepaalde tijd en in de gehele BRD geldig.
De deelnamekosten bedragen € 138.- inclusief BTW en het studieboek.
Aanmelding voor deelname kan uitsluitend per e-mail en vermelding van:
NB: Aanmeldingen waarbij de volledige gegevens ontbreken worden niet in behandeling genomen. De gevraagde gegevens zijn nodig voor de uit te schrijven deelname-certificaten.
BIJ12 wijst op belang van preventieve maatregelen bij faunaschade
Agrarische ondernemingen die in aanmerking willen komen voor een tegemoetkoming in faunaschade dienen bijna altijd een of meer preventieve maatregelen te nemen. Daarop wijst de uitvoeringsorganisatie BIJ12. Of er maatregelen nodig zijn hangt af van het gewas en het dier dat de schade veroorzaakt. De voorwaarden kunnen per provincie verschillen.
Dan zijn bijna altijd een of meer preventieve maatregelen nodig. Dit hangt af van de categorie gewas en het dier dat de schade veroorzaakt. Twee belangrijke algemeen geldende aandachtspunten zijn: 1. Voor laagsalderende gewassen zoals blijvend grasland is verjaging door menselijke aanwezigheid of het nemen van minimaal één preventieve maatregel vereist. 2. Bij een aanvraag voor een tegemoetkoming toetsen we of u de juiste preventieve maatregelen heeft genomen om de faunaschade te voorkomen.
Voorkomen van faunaschade
Grondgebruikers zijn zelf verantwoordelijk voor het voorkomen of beperken van faunaschade aan hun gewassen door beschermde dieren. Voor een tegemoetkoming in de schade, zijn daarom bijna altijd preventieve maatregelen nodig. Bij uw aanvraag via MijnFaunazaken geeft u aan welke maatregelen genomen zijn. Wij toetsen of deze voldoen aan de beleidsregels van uw provincie. Voor elke schadeveroorzakende diersoort(groep) is er een Faunaschade PreventieKit (FPK). Omdat niet elke maatregel bij elke diersoort effectief is, verschillende de maatregelen per FPK. Om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming, moet u altijd maatregelen nemen uit de FPK van de betreffende diersoort(en).
Gewascategorieën
De benodigde preventieve maatregelen om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in faunaschade hangen niet alleen af van de schadeveroorzakende diersoort(en), maar ook van de gewascategorie. Hierbij geldt: hoe hoger de standaardopbrengst van het gewas, hoe meer preventieve maatregelen meestal nodig zijn.
Voor het nemen van de juiste preventieve maatregelen gelden per gewascategorie onderstaande eisen. Hierop zijn een aantal uitzonderingen per diersoort en provincie, waarvoor geen of minder preventieve maatregelen nodig zijn. Deze uitzonderingen staan hieronder ook vermeld.
Laagsalderende gewassen
Voor laagsalderende gewassen zonder kwetsbare periode zoals blijvend grasland, is verjaging door menselijke aanwezigheid of het nemen van minimaal één preventieve maatregel vereist. Dit geldt ook voor schade aan laagsalderende gewassen met kwetsbare periode, buiten deze kwetsbare periode.
Verjaging door menselijke aanwezigheid betekent dat de schadeveroorzakende diersoort minimaal twee keer per dag actief door menselijke aanwezigheid van het perceel wordt weggejaagd. Voor nachtactieve diersoorten zoals das en wild zwijn is verjaging door menselijke aanwezigheid niet vereist.
Laagsalderende gewassen met kwetsbare periode
Een aantal laagsalderende gewassen hebben een kwetsbare periode, zoals mais, granen, graszaad en nieuw ingezaaid grasland (tot zes maanden na inzaai). Voor granen loopt deze periode van het zaaimoment tot de fase van aarvorming en voor mais tot het vijfde bladstadium. Tijdens de kwetsbare periode vallen deze gewassen in de categorie middensalderend in plaats van laagsalderend. Om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming, zijn in deze periode twee maatregelen uit de betreffende FPK’s nodig. De reden hiervoor is dat preventieve maatregelen in deze kwetsbare periode veel schade kunnen voorkomen. Uitzondering: De provincie Zeeland vraagt voor laagsalderende gewassen met kwetsbare periode maar één preventieve maatregel.
Midden- en hoogsalderende gewassen
Bij midden- en hoogsalderende gewassen zijn minimaal twee preventieve maatregelen verplicht om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in faunaschade. Om schade door zoogdieren aan gewassen met een hoge standaardopbrengst te voorkomen, wordt een deugdelijk raster vereist.
Uitzonderingen per diersoort en provincie
Op dit moment zijn er geen preventieve maatregelen nodig voor schade aan laag- en middensalderende gewassen door wilde zwijnen, omdat de FPK voor deze gewassen geen redelijke preventieve maatregelen bevat. Let op: in de meeste situaties is bestrijding wel vereist. Voor schade door wilde zwijnen aan hoogsalderende gewassen geldt dat hiervoor wel preventieve maatregelen nodig zijn.
Ook voor schade door dassen aan laag- en middensalderende gewassen zijn geen preventieve maatregelen nodig, omdat er in FPK hiervoor geen redelijke maatregelen staan. Voor schade door dassen aan hoogsalderende gewassen geldt dat hiervoor wel preventieve maatregelen nodig zijn, met uitzondering van de provincies Limburg, Groningen en Friesland. In deze provincies zijn er voor hoogsalderende gewassen ook geen preventieve maatregelen nodig.
Voorzitter Hubertus Vereniging Vlaanderen ernstig mishandeld in jachtgebied te Balen
De voorzitter van de Hubertus Vereniging Vlaanderen (HVV), Rudi Van Decraen, is woensdagavond ernstig mishandeld in zijn jachtgebied in Balen. Het incident vond plaats nadat hij daar twee gemaskerde mannen had opgemerkt. Het slachtoffer liep zware verwondingen op en werd overgebracht naar het ziekenhuis in Mol.
Volgens de vereniging ontving Van Decraen omstreeks 21.00 uur een melding van een wildcamera die opgesteld staat bij zijn hoogzit. Deze camera wordt gebruikt voor het observeren van wild. Bij het bekijken van de beelden stelde hij vast dat twee donker geklede, gemaskerde personen met rugzakken zich in de onmiddellijke omgeving van de hoogzit bevonden.
Aangezien er zich de voorbije maanden meerdere gevallen van vandalisme aan jachtinfrastructuur hadden voorgedaan, vertrouwde Van Decraen de situatie niet. Hij besloot daarop ter plaatse te gaan om na te gaan wat er gaande was en om eventuele schade te voorkomen. Bij zijn aankomst liep de situatie volgens de vereniging volledig uit de hand. Van Decraen zou met geweld tegen de grond zijn gewerkt en vervolgens zwaar zijn mishandeld door de twee onbekende mannen.
Het slachtoffer liep daarbij ernstige verwondingen op. Zijn rechterschouder raakte ontwricht, hij liep drie breuken op en had meerdere hechtingen in het gelaat nodig. Van Decraen werd opgenomen in het ziekenhuis van Mol voor verdere verzorging.
Diepe verontwaardiging
De Hubertus Vereniging Vlaanderen reageert diep geschokt op de feiten. De organisatie benadrukt dat jacht volgens haar een legitieme vorm van natuurbeheer en natuurbehoud is en stelt nadrukkelijk dat geweld, ook bij meningsverschillen over jacht of natuurbeheer, onder geen enkel beding kan worden aanvaard.
Het parket is inmiddels een opsporingsonderzoek gestart. Namens Rudi Van Decraen en de Hubertus Vereniging Vlaanderen zal een klacht tegen onbekenden met burgerlijke partijstelling worden ingediend bij de bevoegde onderzoeksrechter.