Uitspraak RvS over de ontheffing die het college van gedeputeerde staten van Utrecht heeft verleend aan de Faunabeheereenheid.
Uitspraak 202202196/1/A3 – 1 april 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 31 augustus 2020 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht aan de Faunabeheereenheid Utrecht ontheffing verleend voor het verjagen en doden van knobbelzwanen en voor het onklaar maken van hun eieren.Aanleiding voor de ontheffing is dat in de provincie Utrecht regelmatig schade aan landbouwgewassen ontstaat, die wordt toegeschreven aan begrazing door knobbelzwanen. De Faunabeheereenheid heeft daarom verzocht om toestemming om deze diersoort te mogen verjagen en doden met het geweer en om legselreductiemaatregelen toe te passen. Het college heeft die ontheffing verleend voor de duur van het Faunabeheerplan 2019–2025.
Volgens het college is het doden van knobbelzwanen noodzakelijk om belangrijke schade aan gewassen te voorkomen. De rechtbank Midden‑Nederland oordeelde echter dat de onderbouwing van de ontheffing voor het verjagen en doden van knobbelzwanen onvoldoende was. Daarnaast stelde de rechtbank vast dat een ontheffing voor legselreductie niet mag worden verleend met het doel schade aan grasland te voorkomen. In zoverre kon de ontheffing dus niet in stand blijven. Tegen dat deel van de uitspraak is het college niet in hoger beroep gegaan.
In hoger beroep is daarom alleen nog aan de orde of het college bevoegd was om een ontheffing te verlenen voor het doden en verjagen van knobbelzwanen.
De ontheffing vormt onderdeel van het faunabeheer in de provincie Utrecht en is verleend met het argument dat knobbelzwanen aanzienlijke schade veroorzaken aan landbouwgewassen. De organisaties Stichting Animal Rights en Stichting Fauna4Life hebben zich hiertegen verzet en eerder beroep ingesteld bij de rechtbank Midden‑Nederland.
De rechtbank oordeelde dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van ‘belangrijke schade’ zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming. Volgens de rechtbank kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer die schade daadwerkelijk van wezenlijke omvang is.
Het college bestrijdt dit oordeel en stelt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte is afgeweken van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Volgens die lijn mag bij de beoordeling of sprake is van belangrijke schade worden uitgegaan van een drempelbedrag van € 250 per geval, per jaar, per bedrijf. Dat bedrag, zo voert het college aan, kan niet als gering worden beschouwd en voldoet daarom aan de eis van ‘belangrijke schade’.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 19 mei 2025 ter zitting behandeld.