VISIE document NOJG, inzake toestemming grondgebruiker en schadebestrijding met het geweer

Inleiding

Er is weer eens een discussie ontstaan in de jachtwereld en nu over de vraag of de schadebestrijder op basis van de grondgebruikerstoestemming een geweer mag gebruiken in een jachtveld dat aan de gestelde eisen voldoet.

De Jagersvereniging doet ook mee aan deze discussie (volgens de regieconsulent Limburg Jagersvereniging, wat echter door de Jagersvereniging ontkent wordt) en was volgens hem van mening, dat het gebruik van een geweer in een jachtveld alleen mag worden uitgevoerd door of met toestemming van de jachthouder omdat bij de eisen die worden gesteld aan een met geweer bejaagbaar jachtveld in de wet is opgenomen, dat dit alleen maar mag onder 2 voorwaarden. 

1) Minimaal 40 ha aaneengesloten en 

2) in de hoedanigheid van jachthouder. 

De NOJG en met haar vele andere partijen zijn daarentegen van oordeel, dat de geweerdrager, die opereert in opdracht van de grondgebruiker en een aaneengesloten schadebestrijdingsveld beschikt van minimaal 40 hectare, afgedekt door gebruikersverklaringen volledig bevoegd is met geweer schade te bestrijden, ook het ministerie van Landbouw heeft deze visie onderschreven op vragen van de Fbe Limburg.

Kern van de casus

De wetgever heeft in het kader van natuurbeheer en jacht voor wat betreft het territorium zoals ook al in onze oude welbekende jachtwet het geval was geregeld waaraan een jachtveld moet voldoen wil het een jachtveld zijn waaraan rechten kunnen worden ontleend. Dit betreft onder meer de 40 hectare regeling, zoals aangegeven in de Besluit Natuur3.3.3. Regels inzake het gebruik van het geweer Artikel 3.12 zoals ook in de Beneluxovereenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming, Brussel, 10-06-1970, artikel 3is overeengekomen.

Met het complexer worden van de regelgeving en vooral ook door de vele beschermingsmaatregelen bleek het nodig, dat er ook regels werden gesteld aan de schadebestrijding. Immers te grote populaties beschermde dieren brengen schade met zich mee, die redelijkerwijs niet ten laste van de grondgebruiker – lees boer – behoren te komen. De grondgebruiker schakelt voor de schadebestrijding de jager/schadebestrijder in.

De Jagersvereniging is sterk gericht op de jachtmogelijkheden – de 5 wildsoorten en indien mogelijk meer soorten dus – en vindt dat schadebestrijding (volgens de consulent Jagersvereniging Limburg) alleen met toestemming van de jachthouder kan plaatsvinden. Hiermee wordt de grondgebruiker, de partij, die de schade lijdt buiten spel geplaatst en is het geen zaak meer waar hij zelf regelend kan optreden. Hij draait wel voor de schade op.

De totale schadebestrijding, is nu bestuurlijk juridisch toebedeeld is aan de provincies door de Wet natuurbescherming. In het kader van het provinciale natuurbeleid spelen hierin de FBE ’s een pregnante rol. Uiteraard moet de provincie en ook de FBE zich wel houden aan het wettelijk kader.

KNJV versus NOJG

Wij zijn hierbij ook aangeland bij de kern van de NOJG. Destijds werd door boeren/grondgebruikers geconstateerd, dat zij puur afhankelijk waren van de jager, als het ging om schadebestrijding.

Hier heeft de wetgever nadrukkelijk op ingespeeld door de schadebestrijding initiatieven toe te wijzen aan de zeggingskracht van de grondgebruiker en niet aan de grondeigenaar/verpachter van de jachtrechten en/of de jachthouder.  

De jachtrechten zich beperken tot de 5 wildsoorten, terwijl  de schadebestrijdingsbehoefte toeneemt  – immers de schades van bijvoorbeeld ganzen en nemen alleen maar toe, maar wat te denken van het beheer van de reewild populatie, ter voorkoming van verkeersongelukken en de wilde zwijnen, wat allemaal onder de noemer van schadebestrijding valt. 

De KNJV onderkent dit en wil die soorten zoveel mogelijk onder de wildsoorten brengen, dus zonder grondgebruikerstoestemming, maar ook zonder schadevergoedingsregeling. Ook hier heeft de NOJG een andere mening. Eerst als de populatieomvang van de  beschermde, schadeveroorzakende soorten ganzen op orde is en er alleen beheersmatig verjaagd c.q. geschoten moet worden kan er dan pas aan de wildlijst gedacht worden.  

Men tracht nu een en ander via de WBE’s te regelen. Zo in de trant van “de jagers kunnen dit onderling regelen door afspraken te maken”.  Dit is een juridische dwaling, die echter wel tot gevolg heeft dat menig WBE bestuur(der) op het verkeerde been wordt gezet en de rechten uitlegt en toepast ten voordele van de jachthouder en WBE en vaak in het nadeel van onze leden.  

Het WBE bestuur en de WBE bestuurder hoort zich hierin onpartijdig op te stellen. Er zijn immers KJV leden, NOJG leden en niet georganiseerde leden. De WBE hoort zich sterk te maken voor de belangen van alle WBE leden en hierin op te komen voor de adequate uitvoering van de jacht en schadebestrijdingsactiviteiten ten behoeve van de grondgebruikers en de TBO’s zoals in art 3.14 Wn is aangegeven. De FBE bepaalt het uitvoeringsbeleid gebaseerd op het natuurbeleid van de provincie. Alle partijen hebben het wettelijk kader hierbij te respecteren. Hierbij is dan de juiste  wijze uitvoeren van het faunabeheerplan en de wettelijke verplichtingen zoals aangegeven in de Wet natuurbescherming het belangrijkste.

De Wet Natuurbescherming

De Flora- en Fauna wet kende het nietigheidsbeding voor de grondgebruiker (art 65 FF-wet) met als uitgangspunt,  dat de eigenaar en ook anderen geen beperkingen mocht opleggen als het gaat om schadebestrijding op door hem gebruikte gronden. De grondgebruiker heeft altijd de mogelijkheid gehad  en u ook nog om een jachtaktehouder, niet zijnde de jachtrechthouder in te schakelen voor het populatiebeheer en schadebestrijding.

Bijvoorbeeld; de grondgebruiker, die constateerde, dat de schadebestrijding en het voorkomen ervan, niet adequaat plaatsvond, bijvoorbeeld omdat de jachthouder ver van het door hem beheerde jachtveld woonde en daardoor niet in staat was snel en effectief tot verjaging en/of afschot te komen een schadebestrijder/jachtaktehouder in te schakelen.  

De Wet Natuurbescherming kent het uitgangspunt, dat alle regelgeving voor zover en voor zoveel mogelijk en wenselijk, zoals ook was opgenomen in de Flora-en Fauna wet (art 65 lid 4), gerespecteerd worden, maar heeft nagelaten dit met zoveel woorden te noemen in de wettekst.

Hierover is nu discussie ontstaan. Een direct gevolg is, dat de grondgebruiker in een nadelige positie wordt geplaatst. Hij zou daarmee afhankelijk worden van de jachthouder, die het schadebestrijding nalaten en maar naar eigen believen komt of zelfs niet weet wat schadebestrijding inhoudt.

Dat kan in het licht van de geschiedenis niet de bedoeling zijn van de wetgever, die juist de rechten van de grondgebruiker heeft willen beschermen. De grondgebruiker kan alleen aanspraak maken op schadevergoeding als via het FRS aangetoond kan worden dat er adequaat verjaagd en afgeschoten is.

Artikel 3.12 van het Besluit natuurbescherming bevat de eisen waar een jachtveld aan moet voldoen. Dit volgt uit artikel 3.26, eerste lid, onderdeel b, van de Wet natuurbescherming, waar dit artikel in het Besluit natuurbescherming op is gebaseerd.

Het eerste lid van artikel 3.12 Besluit Natuur bevat juist de eisen voor het gebruik van het geweer en de oppervlakte van een jachtveld, namelijk zoveel keer 40ha als er jachthouders actief zijn in het jachtveld. Dit om te voorkomen dat jachtvelden te klein worden om aan de eisen van de wet te voldoen inzake goed jachthouderschap. Dit zijn oppervlakte-eisen en die zeggen niets over wie er gerechtigd is om het geweer te gebruiken. Dat is namelijk geregeld als volgt geregeld voor schadebestrijding en populatiebeheer:

De vrijstelling voor schadebestrijding is verleend aan de grondgebruiker. In artikel 3.15, zevende lid, Wn is bepaald dat de grondgebruiker de handelingen ter uitvoering van de vrijstelling ook door anderen kan laten verrichten. Dit kan een andere jachtaktehouder betreffen als het om het gebruik van het jachtgeweer gaat, maar dat hoeft uiteraard niet noodzakelijkerwijs.

De ontheffing voor populatiebeheer/schadebestrijding wordt in beginsel verleend aan faunabeheereenheden, al voorziet de wet ook in de mogelijkheid om de ontheffing aan anderen te verlenen. Ingevolge het derde lid van artikel 3.17 kan de Fbe de handelingen ter uitvoering van de ontheffing door een wildbeheereenheid of anderen laten uitvoeren. Dit kan een jachtaktehouder betreffen (zoals bij Wbe’s mij doorgaans het geval lijkt), maar dat hoeft ook hier niet noodzakelijkerwijs.

Bij de uitvoering van de ontheffing(art 3.17 Wn)  en vrijstelling (art 3.16 Wn)of bijzondere opdracht (art 3.18 Wn) is evenwel ook van belang, dat naast het mogen handelen op grond van de ontheffing/vrijstelling of bijzondere opdracht, teven ook de toestemming om het mogen handelen op de betreffende grond. Ingevolge het eigendomsrecht , pacht is het aan de grondeigenaar/grondgebruiker om te bepalen wat er op zijn grond gebeurt en wie die mogen verrichten.

Dit is expliciet geregeld in of op grond van de Wnb,

In feite moet er dus voldaan zijn aan drie eisen:

  1. recht om het middel geweer te mogen gebruiken geldige jachtakte),
  2. het recht om te mogen handelen ter uitvoering van een ontheffing (= toestemming/machtiging van de Fbe) en de landelijke of provinciale vrijstellingen en bijzondere opdrachten is pt .3 hieronder
  3. het recht om op een bepaalde grond die handelingen te verrichten (= toestemming van de zakelijk gerechtigde grondgebruiker(art 3.17 lid 5 Wn)). In de praktijk loopt dat natuurlijk vaak samen (jachthouder = jachtaktehouder = lid van de wbe = zakelijk gerechtigde grond) ,maar dat hoeft echter niet, dit bepaald de gerechtigde grondgebruiker.

De specifiek voor de jacht geldende  regels blijven buiten beschouwing van deze discussie. 

Tot slot

De NOJG weet zich door de specialisten van het Ministerie van Landbouw gesteund in haar opvatting dat de schadebestrijding niet gekoppeld kan en mag worden aan “de jachthouder” en dat er ook geen bindende afspraken in WBE verband mogelijk zijn wegens strijd met de wettelijke uitgangspunten.

 

Opmerking, na nader inzicht blijkt: Voor  de provincie Zuid-Holland geldt voor het gebruik van een ontheffing, andere regels met betrekking tot de toestemming grondgebruiker, daar hoef je slechts de grondgebruiker in kennis te stellen, dat je op zijn grond(en) gebruikt maakt van de verleende ontheffing(en) als jachthouder, dit is in tegenspraak met wat overal in Nederland wordt gehanteerd.

Print Friendly, PDF & Email

Reacties zijn gesloten.