“Evaluatie Functioneren Landelijke Ganzenfoerageergebieden” (BIJ12, juli 2026).
Het effect van ganzenfoerageergebieden verschilt sterk per provincie. Het succes hangt af van meerdere factoren, zoals de grootte en ligging van het gebied, het gedrag van ganzen en de uitvoering van beheer. Dat blijkt uit een evaluatie die in opdracht van BIJ12 is uitgevoerd door Sovon Vogelonderzoek Nederland en Altenburg & Wymenga.
Doel van het onderzoek
Het onderzoek beoordeelt of ganzenfoerageergebieden effectief zijn in het:
bieden van rust- en voedselgebieden voor overwinterende ganzen;
beperken van landbouwschade buiten deze gebieden;
concentreren van ganzen op aangewezen locaties.
Belangrijkste conclusies
1. Het succes verschilt sterk per provincie
De resultaten lopen sterk uiteen:
Friesland, Gelderland en Zeeland behalen de beste resultaten.
In andere provincies functioneren de foerageergebieden minder goed doordat ze vaak klein zijn, versnipperd liggen of minder aantrekkelijk zijn voor ganzen.
2. Slechts ongeveer 20% van de ganzen gebruikt de foerageergebieden
Landelijk verblijft slechts ongeveer één op de vijf ganzen in een aangewezen foerageergebied. Veel ganzen blijven buiten deze gebieden foerageren, ondanks verjaging.
3. Grootte en ligging zijn bepalend
Foerageergebieden werken vooral goed wanneer zij:
groot genoeg zijn;
dicht bij slaapplaatsen liggen;
liggen op locaties waar ganzen van nature al verblijven;
voldoende voedsel bieden. Kleine of geïsoleerde gebieden trekken aanzienlijk minder ganzen aan.
4. Verjaging buiten de gebieden is vaak onvoldoende
Het beleid gaat ervan uit dat ganzen buiten de foerageergebieden worden verjaagd zodat zij naar de rustgebieden trekken. In de praktijk gebeurt dit:
niet overal even intensief;
niet goed gecoördineerd;
waardoor het verschil tussen “rust binnen” en “onrust buiten” vaak te klein is.
5. Ganzen leren de gebieden nauwelijks beter benutten
De verwachting was dat ganzen na verloop van tijd zouden leren waar veilige foerageergebieden liggen. Uit de evaluatie blijkt dat dit leereffect in de meeste provincies nauwelijks zichtbaar is. Het gebruik van de gebieden is in de loop der jaren vrijwel niet toegenomen.
6. Grauwe ganzen vormen een bijzondere uitdaging
De grauwe gans verspreidt zich gemakkelijker over het landschap dan andere soorten. Daardoor verblijft deze soort relatief weinig in foerageergebieden, terwijl zij juist verantwoordelijk is voor een groot deel van de landbouwschade.
7. Schade concentreert zich wel in de foerageergebieden
Meer dan de helft van de geregistreerde schade aan voorjaarsgras ontstaat binnen de foerageergebieden, terwijl deze gebieden gemiddeld slechts ongeveer 7% van het geschikte ganzengebied beslaan. Mogelijk komt dit mede doordat agrariërs binnen deze gebieden vaker een schadevergoeding aanvragen.
Aanbevelingen uit de evaluatie
De onderzoekers adviseren onder meer:
foerageergebieden groter en logischer te begrenzen;
gebieden te kiezen waar ganzen van nature al graag verblijven;
de samenhang tussen rustgebieden en verjaging buiten de gebieden te verbeteren;
rekening te houden met verschillen tussen ganzensoorten;
het beleid per provincie aan te passen aan de lokale situatie in plaats van één landelijke aanpak te hanteren.
Kernboodschap
De evaluatie laat zien dat ganzenfoerageergebieden wel kunnen werken, maar alleen onder de juiste omstandigheden. Succes hangt vooral af van de ligging, omvang en inrichting van de gebieden, én van een consequente uitvoering van het beheer buiten die gebieden. Er is daarom geen uniforme landelijke oplossing; maatwerk per provincie is noodzakelijk.
Hierbij volgt een korte omschrijving op hoofdpunten het duurzame beheer en de populatietelling van reeën in Zuid-Holland voor de periode 2026-2032. U kunt dit concept Faunabeheerplan ree downloaden en uw commentaar en opmerkingen indienen bij de Faunabeheereenheid Zuid-Holland d.m.v. het reactieformulier.
Beheer en populatietrends
Reeënpopulaties in Zuid-Holland zijn sinds 2012 verdrievoudigd, met 2.113 in 2019 en 30.262 in 2025.
Groei komt door kolonisatie en groei van gevestigde populaties, wat uitdagingen oplevert voor dierenwelzijn, verkeer en schadepreventie.
ALGEMEEN
Leefgebieden en verspreiding
Reeën leven in diverse landschappen zoals bos, duin, uiterwaarden en cultuurlandschap, vooral waar dekking en voedsel afwisselen.
Populaties zijn sterk plaatstrouw en verplaatsen zich meestal korte afstanden; in optimale gebieden variëren dichtheden van 0-20 dieren per 100 hectare.
Ecologie en gedrag
Reeën zijn herbivoren die vooral in schemering en nacht actief zijn, met territoriaal gedrag dat afhankelijk is van omgeving en seizoen.
Ze gebruiken geurmarkeringen voor communicatie en vermijden vaak open of drukke gebieden, vooral bij verstoring.
Voortplanting en populatieontwikkeling
Bronst vindt plaats in juli en augustus; kalveren worden in mei-juni geboren, met een overlevingskans van ongeveer 0,4 tot 1,2 kalf per geit.
Populatiegroei wordt beperkt door voedselbeschikbaarheid, ziekte, predatie en menselijke invloeden.
Ziekten, parasieten en natuurlijke vijanden
Reeën kunnen lijden aan ecto- en endoparasieten, vooral bij hoge dichtheden en slechte conditie.
Predatie is vooral relevant voor kalveren; volwassen reeën ondervinden beperkte predatiedruk.
Menselijke invloed en beheer
Menselijke activiteiten zoals verkeer en landbouw beïnvloeden gedrag en ruimtegebruik; verstoringen leiden tot vlucht en stress.
Beheermaatregelen omvatten afschot, habitatbeheer en het gebruik van middelen zoals geweren en honden, onder strikte regelgeving.
GROEI EN VERSPREIDING REEËN IN NEDERLAND EN ZUID-HOLLAND
De reeënpopulatie in Nederland is sinds 1930 sterk toegenomen van circa 20.000 naar meer dan 100.000 dieren.
In Zuid-Holland breidt de populatie zich uit, ook in stedelijke gebieden, met een toenemende trend en goede uitwisseling tussen gebieden.
Monitoring en populatieschatting
Voorjaarstellingen worden gebruikt om de populatie te volgen, met een schatting dat 35-50% van de dieren buiten beeld blijft.
Alternatieve methoden zoals jaarrondwaarnemingen en detectietechnieken worden toegepast, maar voorjaarstellingen blijven leidend.
Dichtheid, draagkracht en populatiebeheer
Maximale ecologische dichtheid ligt tussen 15 en 25 reeën per 100 hectare; in Zuid-Holland is dit lager.
Beheer richt zich op het afstemmen van populatiedichtheid op draagkracht, vooral in de nawinter, om voedseltekorten en sterfte te voorkomen.
Effecten van hoge populatiedichtheid
Toenemende dichtheid leidt tot voedselconcurrentie, verminderde conditie en verhoogde sterfte onder reeën.
Hoge dichtheden verhogen risico op dierenleed, schade aan gewassen, en conflicten met menselijke activiteiten.
Verkeersveiligheid en aanrijdingen
Jaarlijks circa 10.000 reeën slachtoffer van verkeer, met een ondergrens van 5-8% van de voorjaarsstand.
Aanrijdingen pieken in mei-juni en in schemer, vooral langs wegen met beperkte zichtlijnen en nabij bos.
Schade aan gewassen en natuurlijke vegetatie
Hoge populatiedichtheid veroorzaakt vraat op flora, met gevolgen voor bosverjonging en biodiversiteit.
Landbouwschade door vraat aan gewassen en jonge bomen neemt toe bij hogere dichtheden.
BEHEERMAATREGELEN EN EFFECTIVITEIT
Populatiebeheer via afschot is het meest effectief om aantallen te reguleren en schade te beperken.
Lokale afschot is vaak snel aangevuld door dieren uit omliggende gebieden, waardoor gebiedsdekkend beheer noodzakelijk is.
Preventieve en mitigatie maatregelen
Rasters en faunapassages verminderen aanrijdingen, maar rasters kunnen leefgebieden versnipperen.
Detectiesystemen en weginrichting verbeteren, maar hebben beperkte en kostbare effectiviteit.
Duurzaam beheer en maatschappelijke belangen
Beheer richt zich op het in balans houden van populatie, leefgebied en maatschappelijke belangen.
Populatiebeheer via afschot wordt afgestemd op draagkracht, met aandacht voor leeftijds- en geslachtsverhouding.
Toekomstige aanpak en regelgeving
Beheer wordt aangepast op basis van monitoring, met focus op het voorkomen van dierenleed en verkeersincidenten.
Het afschotquotum wordt jaarlijks vastgesteld, met aandacht voor het behoud van genetische variatie en leefgebied.
Beperkingen en samenhang van maatregelen
Effecten van maatregelen zoals rasters en detectiesystemen zijn beperkt en kunnen neveneffecten hebben.
Populatiebeheer blijft de kernoplossing, ondersteund door gerichte preventieve maatregelen en monitoring.
Telling en organisatie van reeënbeheer
Tellingen worden uitgevoerd door regionale WBE’s met vaste routes en in samenwerking met vrijwilligers.
Resultaten worden geregistreerd en geëvalueerd in regiobijeenkomsten, met aandacht voor praktische uitvoering en monitoring.
Populatie- en draagkrachtbepaling
Maximale draagkracht wordt geschat via regressieanalyse en teltellingen; maatschappelijke draagkracht is 70% van maximale draagkracht.
Ongezien deel van de populatie wordt geschat op 20-40%, beïnvloed door landschap en telmethoden.
BEHEEROMVANG EN POPULATIEONTWIKKELING
Beheer wordt gebaseerd op voorjaarsstanden, reproductie, valwild en ongeziene dieren, met jaarlijkse evaluatie.
Doel is het in stand houden van een gezonde populatie binnen maatschappelijke draagkracht, met adaptieve bijstelling van afschot.
Monitoring en evaluatieproces
Jaarlijkse tellingen, valwildregistraties en schadegegevens worden verzameld en besproken in regiobijeenkomsten.
Effectiviteit van maatregelen wordt beoordeeld en beheer wordt bijgesteld op basis van trends en knelpunten.
Wet- en regelgeving en verantwoordelijkheden
WBE’s krijgen toestemming van de FBE voor beheer en afschot, en moeten rapportages via DORA indienen.
Uitvoerders moeten ervaring hebben, wildmerken gebruiken en afschot nauwkeurig registreren.
Beheermaatregelen en afschotverdeling
Afschot wordt verdeeld met reewildmerken en volgens regionale afspraken.
Valwild wordt snel afgehandeld in samenwerking met politie en wegbeheerders, binnen 48 uur geregistreerd.
Knelpunten en preventieve maatregelen
Locaties met verkeersrisico’s en schade worden in kaart gebracht en preventieve maatregelen worden ontwikkeld.
Knelpunten worden jaarlijks geëvalueerd en aangepakt om dierenwelzijn en verkeersveiligheid te verbeteren.
Provincie Fryslân staat afschot Canadese gans toe om snelle groei en landbouwschade te beperken
Friese jagers mogen opnieuw Canadese ganzen bestrijden. De provincie Fryslân heeft de Faunabeheereenheid Fryslân (FBE) een vergunning verleend voor het afschieten van ganzen en het behandelen van nesten. Het doel is de sterk groeiende populatie onder controle te houden en verdere schade aan landbouwgewassen te voorkomen.
De Canadese gans is een uitheemse soort die oorspronkelijk als volièrevogel naar Nederland kwam en zich sinds de jaren zeventig blijvend heeft gevestigd. De vogel is gemakkelijk te herkennen aan de zwarte kop en lange zwarte hals met een opvallende witte kinband.
Sterke groei na vervallen landelijke vrijstelling
Hoewel de Canadese gans qua aantallen en schade nog achterblijft bij de vier meest voorkomende ganzensoorten – de grauwe gans, kolgans, brandgans en rotgans – is de populatie de afgelopen jaren sterk toegenomen.
Volgens ganzencoördinator Marjolein Samplonius van FBE Fryslân is de belangrijkste oorzaak het vervallen van de landelijke vrijstelling in 2023. Na een uitspraak van de Raad van State mocht de soort niet langer zonder provinciale vergunning worden bestreden, omdat het ministerie de noodzaak van een landelijke vrijstelling onvoldoende had onderbouwd.
“Als we nu niet ingrijpen, zal de populatie exponentieel blijven groeien. Dat willen we voorkomen,” aldus Samplonius.
Landbouwschade fors gestegen
Sinds het wegvallen van de vrijstelling is ook de schade aan landbouwgewassen in Fryslân sterk toegenomen. Waar de Canadese gans voorheen gemiddeld ongeveer **€10.000** aan vraatschade per jaar veroorzaakte, liep dat in 2025 op tot bijna **€74.000**.
Daarnaast is de soort, net als de grauwe gans, uitgegroeid tot een **standgans**. Dat betekent dat de vogels het hele jaar in Nederland blijven en ook tijdens de zomermaanden schade kunnen veroorzaken.
Vergunning voor afschot en nestbeheer
Om de populatie te beheren vroeg FBE Fryslân begin februari een provinciale vergunning aan. Die werd eind juni door Gedeputeerde Staten verleend.
De vergunning maakt het mogelijk Canadese ganzen af te schieten:
— in **februari**, wanneer de vogels paartjes vormen; — en van **maart tot en met eind september**.
Daarnaast is tot **eind mei** nestbeheer toegestaan. Daarbij mogen eieren worden geprikt, geschud of behandeld met olie, zodat ze niet uitkomen.
Geen afschotquotum, wel schadedoel
De vergunning bevat geen maximumaantal ganzen dat mag worden gedood. Wel is vastgelegd dat het beheer moet bijdragen aan het terugdringen van landbouwschade. De provincie wil de zomerschade eerst stabiliseren en deze vanaf 2029 terugbrengen tot maximaal €500.000 per jaar.
Ter vergelijking: de totale zomerschade door ganzen in Fryslân bedroeg vorig jaar bijna €3 miljoen, waarbij de grauwe gans veruit de grootste veroorzaker is. De Canadese gans levert momenteel een kleiner, maar snel groeiend aandeel in die schade.
Nationale Faunadag vrijdag 18 september te Arnhem
Op vrijdag 18 september 2026 vindt in Arnhem de Nationale Faunadag plaats. Een kennisevenement voor jagers, faunabeheerders, WBE-bestuurders en andere betrokkenen bij wild- en natuurbeheer. Wij willen u vragen de bijgevoegde flyer door te sturen naar uw WBE-leden. De Nationale Faunadag biedt deelnemers de mogelijkheid om actuele kennis op te doen, ervaringen uit te wisselen en zelf een programma samen te stellen met drie sessies die aansluiten bij hun eigen praktijk en interesses.
De dag richt zich op onderwerpen die direct spelen in het veld, zoals ontwikkelingen rond soortenbeheer, natuurbeheer, schadevraagstukken, monitoring en nieuwe technieken. Naast de inhoudelijke sessies is er een productenmarkt met demonstraties en praktijkvoorbeelden en volop gelegenheid om collega’s uit het werkveld te ontmoeten. De dag wordt afgesloten met een netwerkborrel. Wij hopen dat u deze uitnodiging met uw leden wilt delen. De Nationale Faunadag is een waardevolle dag voor iedereen die betrokken is bij de uitvoering en organisatie van wildbeheer in Nederland. Alvast hartelijk dank voor uw medewerking.
Met vriendelijke groet,
Daan Loo Opleidingscoördinator Fauna
23 exoten zoals de Wasbeer, Nijlgans en grijze Eekhoorn mogen na 1 januari 2026 landelijk bestreden worden zonder opdracht provincie
DEN HAAG (ANP) – Het kabinet wil de regels voor het bestrijden van invasieve uitheemse diersoorten vereenvoudigen. Minister Jaimi van Essen (Natuur, D66) heeft nieuwe regelgeving gepubliceerd die op 1 januari in werking moet treden. Door deze wijziging kunnen bepaalde dieren die niet van nature in Nederland voorkomen, onder de geldende wettelijke voorwaarden worden afgeschoten zonder dat daarvoor vooraf een aparte opdracht van de provincie nodig is.
Op de lijst staan 23 zogenoemde invasieve exoten. Dit zijn dieren die oorspronkelijk uit andere delen van de wereld komen en zich in Nederland hebben gevestigd. Voorbeelden zijn de nijlgans, de wasbeer en de grijze eekhoorn. Deze soorten kunnen zich snel verspreiden en vormen volgens de overheid een bedreiging voor de Nederlandse natuur. Ze kunnen inheemse diersoorten verdringen, voedsel en leefgebied afnemen of ziekten overbrengen.
Een bekend voorbeeld is de grijze eekhoorn, die oorspronkelijk uit Noord-Amerika komt. Deze soort concurreert met de inheemse rode eekhoorn om voedsel en leefgebied. Daarnaast kan de grijze eekhoorn ziekten overdragen waarvoor de rode eekhoorn kwetsbaar is. Ook de nijlgans, afkomstig uit Afrika, veroorzaakt problemen. Grote groepen ganzen kunnen weilanden kaalvreten, gewassen beschadigen en de bodem en het oppervlaktewater vervuilen met hun uitwerpselen.
Volgens het ministerie is de nieuwe regeling vooral bedoeld om administratieve procedures eenvoudiger te maken. Voorheen was in veel gevallen eerst een afzonderlijke opdracht van de provincie nodig voordat tot afschot kon worden overgegaan. Door deze stap te schrappen, kunnen natuurbeheerders en andere bevoegde personen sneller handelen wanneer dat nodig is.
De minister benadrukt dat de wijziging niet betekent dat er meer dieren mogen worden gedood. De bestaande regels voor jacht en faunabeheer blijven van kracht. Jagers en andere bevoegde uitvoerders moeten nog steeds registreren hoeveel dieren worden geschoten en verantwoorden waarom dat gebeurt. Ook behouden provincies de mogelijkheid om gerichte opdrachten te geven voor het beheer van specifieke diersoorten wanneer dat nodig is om de natuur of landbouw te beschermen.
Geen straf voor jager na doodslaan van aangeschoten haas in Markelo
Een aangeschoten haas werd eind 2022 tijdens een jacht in Markelo met acht stokslagen gedood. Volgens de provincie Overijssel was dat geen goede manier om het dier snel uit zijn lijden te verlossen, maar er was volgens de wet geen reden om de jager daarvoor te straffen. De Raad van State heeft nu bevestigd dat de provincie daarin gelijk had.
Het incident werd gefilmd door een omstander. Dierenrechtenorganisatie Animal Rights vond dat de regels waren overtreden. Tijdens de jacht mag namelijk alleen met een geweer op hazen worden gejaagd, niet met een stok of ander slagwapen.
De provincie maakte echter een onderscheid tussen de jacht zelf en het doden van een gewond dier na de jacht. Volgens de provincie was de jacht voorbij op het moment dat de haas was neergeschoten. Daarna sloeg een helper van de jager de haas dood om het dier niet langer te laten lijden. Omdat dit volgens de provincie niet meer onder de jacht viel, was er geen overtreding van de jachtregels.
Animal Rights was het daar niet mee eens. De organisatie stelde dat jagen niet alleen betekent een dier raken, maar ook het daadwerkelijk doden. Daarom vond zij dat het doodslaan van de haas nog steeds onderdeel was van de jacht. Nadat de rechtbank dit argument had afgewezen, ging Animal Rights in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat volgens de bestaande wet- en regelgeving het doden van een al aangeschoten dier niet meer onder de jacht valt. Ook vond de Raad dat de helper niet hoefde te wachten tot de jager zelf de haas met een tweede schot kon doden. Volgens de Raad zou dat te lang hebben geduurd, waardoor het dier onnodig langer had geleden.
Animal Rights betwistte dat. Volgens de organisatie stond de jager op hooguit vijftig meter afstand en had hij het dier zelf snel kunnen afmaken met zijn geweer. Toch volgde de Raad van State die redenering niet, waardoor de jager niet wordt vervolgd.
Hoe verliep het weide- en akkervogel seizoen 2026 bij jou?
Uitspraak Rechtbank Den Haag 9 juli 2026 – damherten Hoeksche Waard
Gegevens uitspraak
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
9 juli 2026
Datum publicatie
9 juli 2026
Zaaknummer
SGR 24/8413
Rechtsgebied
Omgevingsrecht / natuurbeschermingsrecht
Soort procedure
Eerste aanleg, meervoudige kamer
Uitkomst
Beroep gegrond; het besluit van het college is vernietigd.
Waar ging de zaak over?
De zaak draaide om een opdracht van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland om de populatie damherten in de Hoeksche Waard terug te brengen tot nul exemplaren. Die opdracht was gegeven aan de Faunabeheereenheid Zuid-Holland en had een looptijd van vijf jaar. Het college vond afschot noodzakelijk vanwege verkeersveiligheid, schade aan landbouwgewassen en omdat de populatie volgens het college uit verwilderde dieren zou bestaan. Stichting Animal Rights en Stichting Fauna4Life waren het daar niet mee eens. Zij stelden beroep in tegen het besluit. Volgens hen had het college onvoldoende aangetoond dat alle damherten verwilderd waren en ook onvoldoende onderbouwd dat het volledig doden van de populatie noodzakelijk was.
Achtergrond van het besluit
Het college had al eerder, in 2020, geprobeerd om de damhertenpopulatie in de Hoeksche Waard tot nul terug te brengen. Dat eerdere besluit werd door de rechtbank in 2021 vernietigd, omdat onvoldoende was gemotiveerd waarom de gehele populatie moest worden gedood. Daarna nam het college in 2024 opnieuw een besluit met dezelfde strekking: de populatie moest alsnog naar nul.
Voor het nieuwe besluit baseerde het college zich vooral op een beheeradvies over het damwild in de Hoeksche Waard. Daarin werd ingegaan op de herkomst van de dieren, de verwachte groei van de populatie en mogelijke beheermaatregelen. Volgens het college stamde de populatie af van drie damherten die rond het jaar 2000 uit een hertenkamp in Numansdorp zouden zijn ontsnapt.
Juridisch kader
Het damhert is onder de Wet natuurbescherming een beschermde diersoort. In beginsel is het verboden om beschermde dieren opzettelijk te doden. Het college kan onder voorwaarden opdracht geven om een populatie te beperken, bijvoorbeeld ter voorkoming van ernstige schade aan gewassen of in het belang van de openbare veiligheid.
Een belangrijk onderscheid in deze zaak is dat bij verwilderde dieren minder zware toetsingsvereisten gelden dan bij wilde beschermde dieren. Als de damherten als verwilderd worden aangemerkt, hoeft het college bijvoorbeeld niet dezelfde toets uit te voeren naar alternatieven en de staat van instandhouding. Daarom was de vraag of de populatie uitsluitend uit verwilderde dieren bestaat juridisch zeer belangrijk.
Waren de stichtingen belanghebbenden?
De faunabeheereenheid stelde dat de stichtingen niet-ontvankelijk moesten worden verklaard, omdat zij geen feitelijke werkzaamheden zouden verrichten die specifiek zagen op het beperken van schade door damherten of het bevorderen van verkeersveiligheid in de Hoeksche Waard.
De rechtbank ging daar niet in mee. Voor belangenorganisaties is bepalend of zij volgens hun statuten en feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks betrokken algemeen of collectief belang behartigen. De rechtbank vond dat Stichting Animal Rights en Stichting Fauna4Life voldoende feitelijke activiteiten verrichten, zoals lobby, publicaties en bijeenkomsten. Zij werden daarom als belanghebbenden aangemerkt en hun beroep werd inhoudelijk behandeld.
Oordeel over de vraag of de damherten verwilderd zijn
De rechtbank oordeelde dat het college onvoldoende had onderbouwd dat de damhertenpopulatie in de Hoeksche Waard uitsluitend uit verwilderde dieren bestaat. Het college verwees vooral naar de stelling dat drie damherten rond 2000 uit een hertenkamp in Numansdorp waren ontsnapt. Maar zelfs als dat klopt, volgt daaruit volgens de rechtbank niet automatisch dat de huidige populatie alleen nog uit nakomelingen van die ontsnapte dieren bestaat.
De rechtbank wees erop dat uit gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna blijkt dat damherten ook buiten de bekende kernleefgebieden zijn waargenomen, onder meer in gebieden dichter bij de Hoeksche Waard. Het college kon niet uitsluiten dat wilde damherten van elders zich met de populatie in de Hoeksche Waard hadden vermengd.
Daarbij vond de rechtbank het tegenstrijdig dat het beheeradvies enerzijds vermeldt dat toekomstige uitwisseling met damherten van elders goed mogelijk is, terwijl het college anderzijds stelde dat zulke uitwisseling in het verleden zeer onaannemelijk was vanwege barrières zoals snelwegen en waterwegen. Het college had niet inzichtelijk gemaakt waarom die barrières in de toekomst wel, maar in het verleden niet zouden kunnen zijn gepasseerd. Omdat genetisch onderzoek volgens het beheeradvies de enige zekere manier is om de herkomst vast te stellen en zo’n onderzoek niet was verricht, was de onderbouwing onvoldoende.
Oordeel over schade aan gewassen
Het college stelde dat de damherten ernstige schade veroorzaken aan landbouwgewassen en dat de schade zal toenemen als de populatie blijft groeien. De rechtbank erkende dat er op basis van enkele taxaties uit 2021, 2022 en 2024 sprake was van een concrete dreiging van ernstige schade. Die taxaties waren volgens BIJ12-protocollen opgesteld en de schadebedragen lagen duidelijk boven de drempel die in de rechtspraak relevant wordt geacht.
Maar daarmee was nog niet aangetoond dat de volledige populatie moest worden gedood. De rechtbank benadrukte dat het bij de wettelijke grondslag gaat om het voorkomen van ernstige schade, niet om het voorkomen van elke schade. Het college had niet duidelijk gemaakt waarom het handhaven van een kleinere populatie, bijvoorbeeld 40 dieren, al tot ernstige schade zou leiden.
De rechtbank vond daarom dat het college niet deugdelijk had gemotiveerd waarom het noodzakelijk was om de populatie tot nul terug te brengen. Dat een populatie van 40 dieren mogelijk op lange termijn niet levensvatbaar zou zijn vanwege inteelt, overtuigde de rechtbank niet, mede omdat uitwisseling met damherten van elders niet kon worden uitgesloten.
Oordeel over verkeersveiligheid
Ook het beroep op verkeersveiligheid slaagde niet als motivering voor het volledig verwijderen van de populatie. Het college wees op aanrijdingen met damherten en stelde dat een grotere populatie de kans op ongevallen vergroot. De rechtbank vond echter dat de cijfers dit standpunt onvoldoende ondersteunden.
In de periode 2016 tot en met 2022 waren slechts enkele aanrijdingen geregistreerd. Bovendien bleek uit het verweerschrift dat tussen 1 april 2025 en 31 maart 2026 geen enkele aanrijding met damherten was geregistreerd. De rechtbank onderschreef het eerdere oordeel van de voorzieningenrechter dat het college niet deugdelijk had gemotiveerd waarom verkeersveiligheid vereiste dat de gehele populatie moest verdwijnen.
Waren er andere bevredigende oplossingen?
De rechtbank beoordeelde ook of er andere bevredigende oplossingen waren dan afschot. Voor het voorkomen van ernstige schade aan gewassen vond de rechtbank dat het college voldoende aannemelijk had gemaakt dat alternatieven, zoals het plaatsen van rasters, niet geschikt en proportioneel waren. In de Hoeksche Waard is sprake van veel wisselteelt en een agrarisch landschap waarin volledige of gerichte afrastering praktisch lastig en ingrijpend is.
Op dit punt kregen eiseressen dus geen gelijk. De rechtbank vond dat het college voldoende had onderbouwd dat het doden van een deel van de populatie als maatregel tegen gewasschade niet zonder meer kon worden vervangen door minder ingrijpende alternatieven. Omdat de verkeersveiligheidsgrond al onvoldoende was onderbouwd, hoefde de rechtbank niet uitgebreid te beoordelen of daarvoor alternatieven bestonden.
Eindconclusie van de rechtbank
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond. Het college had onvoldoende zorgvuldig onderzoek gedaan en het besluit onvoldoende gemotiveerd. Vooral twee punten waren doorslaggevend: het college had niet bewezen dat de populatie uitsluitend uit verwilderde dieren bestaat, en het had niet overtuigend gemotiveerd waarom de populatie tot nul moest worden teruggebracht in plaats van tot een lager niveau.
Daarom vernietigde de rechtbank het besluit van 1 oktober 2024. Het college moet het betaalde griffierecht van € 371,- aan eiseressen vergoeden en wordt veroordeeld tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten. De voorlopige voorziening die eerder toestond dat de populatie voorlopig tot 40 dieren mocht worden teruggebracht, vervalt met deze uitspraak.
Praktische betekenis van de uitspraak
De uitspraak betekent niet dat beheer van de damhertenpopulatie in de Hoeksche Waard onmogelijk is. De rechtbank erkent dat er een concrete dreiging van ernstige schade aan gewassen kan bestaan en dat gedeeltelijk ingrijpen mogelijk verdedigbaar kan zijn. Maar de rechtbank maakt duidelijk dat een besluit om de hele populatie tot nul terug te brengen zeer zorgvuldig moet worden onderbouwd.
Voor een nieuw besluit zal het college beter moeten motiveren wat de juridische status en herkomst van de populatie is, waarom een bepaald populatieniveau noodzakelijk is, en waarom minder vergaande maatregelen onvoldoende zijn. Met name als het college opnieuw wil uitgaan van verwilderde dieren of volledige verwijdering van de populatie, zal het steviger ecologisch en juridisch bewijs moeten leveren.
Kort samengevat
Het beroep van Stichting Animal Rights en Stichting Fauna4Life is gegrond.
Het besluit om de damhertenpopulatie in de Hoeksche Waard tot nul terug te brengen is vernietigd.
Het college heeft onvoldoende aangetoond dat alle damherten verwilderde dieren zijn.
Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom volledige verwijdering nodig is om ernstige gewasschade te voorkomen.
Ook verkeersveiligheid rechtvaardigt volgens de rechtbank niet zonder meer het doden van de hele populatie.
De rechtbank accepteert wel dat er een concrete dreiging van ernstige schade aan gewassen kan bestaan en dat alternatieven zoals rasters onvoldoende kunnen zijn.
Voor een nieuw besluit is betere ecologische en juridische onderbouwing nodig.
Telers Noord-Holland starten pilot tegen toenemende houtduivenschade
Vijf vollegrondsgroentetelers in West-Friesland zijn gestart met een pilot om de schade door houtduiven terug te dringen. Professionele jagers verjagen de vogels twee keer per dag en passen waar nodig ondersteunend afschot toe. De proef volgt op een beleidswijziging van de provincie Noord-Holland, die sinds maart geen vergoeding meer verstrekt voor houtduivenschade.
De provincie verwacht dat ondernemers de schade actief kunnen voorkomen. Tegelijkertijd moet de pilot gevalideerde gegevens opleveren die als basis kunnen dienen voor toekomstig beleid.
Vollegrondsgroenteteler Roel Bakker uit Wervershoof Noord-Hollandziet de schade al jaren toenemen.
“Dat is misschien wel het verraderlijke van dit probleem. Elk jaar wordt het iets erger en als ondernemer groei je daar ongemerkt in mee. Achteraf denk je: hoe hebben we het zover kunnen laten komen?”
Pleister op een veel grotere wond
Op zijn huisperceel laat Bakker zien wat houtduiven kunnen aanrichten. Op de plek waar enkele weken eerder een stuk afdekdoek was weggewaaid, is het gewas vrijwel volledig verdwenen.
Bij een recent ingeplant perceel plaatst hij glinsterende molentjes, een van de middelen die volgens de regels verplicht zijn voordat ondersteunend afschot mag worden ingezet.
“Die molentjes doen eigenlijk niets, maar ze zijn wel een vereiste.”
Pilotcoördinator Raymond Zutt wijst naar een nabijgelegen bomenrij.
“Daar zitten de houtduiven veilig. Zodra ze voedsel zoeken, vliegen ze zo het perceel op.”
Volgens Bakker is dat precies het probleem. Jarenlang probeerden telers de schade te beperken met doeken, linten, knalapparaten en andere werende maatregelen.
“Dat kost veel geld en arbeid, maar het biedt onvoldoende bescherming. Op een gegeven moment lag bijna alles onder doek. Ganzen lopen eroverheen, duiven kruipen eronder en ondertussen krijgen we problemen met onkruid, schimmels en insecten. Het is geen oplossing, hooguit een pleister op een veel grotere wond.”
Miljoenenprobleem
Het besluit van de provincie om de schadevergoeding af te schaffen zorgde voor veel onrust in de sector. In 2025 werd in Noord-Holland nog ruim 9 miljoen euro aan schade vergoed. De vijf deelnemers aan de pilot ontvingen daarvan gezamenlijk ruim 1 miljoen euro.
Volgens Bakker draait het niet in de eerste plaats om de vergoeding.
“Wij willen gewoon een goed gewas telen, oogsten en leveren aan onze afnemers. Daarom ben ik blij dat we nu eindelijk iets kunnen doen.”
Zutt, voormalig jager, bestuurder binnen de wildbeheereenheid en projectmanager, vormt de schakel tussen telers, jagers, provincie en andere betrokken partijen.
“Dit is een gevoelig onderwerp. Telers zien hun gewassen verdwijnen, terwijl ook overheden, natuurorganisaties en omwonenden meekijken. Daarom is het belangrijk dat we met elkaar in gesprek blijven.”
Professionele aanpak
Het pilotgebied is verdeeld in een noordelijk en een zuidelijk deel. Twee professionele jagers rijden dagelijks een vaste route langs de deelnemende percelen.
Volgens Zutt vraagt de omvang van het probleem om een andere aanpak dan in het verleden.
“Lokale jagers doen ontzettend hun best, maar houtduiven zijn er iedere dag. Verjaag je ze ’s morgens, dan zijn ze ’s middags vaak alweer terug.”
Bakker vult aan:
“Schadebestrijding rust nu grotendeels op vrijwilligers die dit naast hun werk doen. Zo’n miljoenenprobleem kun je niet alleen bij hen neerleggen.”
Zutt begrijpt dat de inzet van professionele schadebestrijders soms gevoelig ligt.
“Sommige jagers zien ineens professionals actief worden in gebieden waar zij al jaren komen. Tegelijkertijd ziet vrijwel iedereen dat de schade zo groot is geworden dat extra inzet nodig is. Uiteindelijk hebben we hetzelfde doel: de schade terugbrengen zonder de natuur uit balans te brengen.”
Eerste resultaten voorzichtig positief
Hoewel de pilot nog loopt, zijn de eerste signalen volgens Zutt bemoedigend.
Percelen waar regelmatig afschot plaatsvindt lijken minder aantrekkelijk te worden voor houtduiven.
“Op veel plekken zijn de vogels gewend geraakt aan linten, molentjes en knalapparaten. Afschot heeft een afschrikkend effect. Als ze ergens gevaar ervaren, blijven ze langer weg.”
Data als basis voor nieuw beleid
De pilot draait niet alleen om schadebeperking, maar ook om het verzamelen van betrouwbare gegevens.
Volgens Zutt wordt in landelijke discussies vaak verwezen naar cijfers die wijzen op een afnemende houtduivenpopulatie, terwijl telers in West-Friesland juist een sterke toename ervaren.
“Veel tellingen vinden plaats voordat er voldoende voedsel op de akkers beschikbaar is. Dan verblijven de duiven vooral in bosgebieden en worden ze nauwelijks geteld. In de praktijk ervaren telers hier juist dat de aantallen fors zijn toegenomen.”
Bakker hoopt dat de sector lessen trekt uit het verleden.
“We hebben het te lang laten oplopen. Dat moeten we erkennen. Maar boos blijven helpt niet. We moeten laten zien wat werkt. Als deze pilot dat kan aantonen, hebben we eindelijk een basis om verder te komen.”
Pilot moet bouwstenen leveren voor nieuw beleid
De pilot loopt tot en met juli en wordt gefinancierd door de provincie Noord-Holland en de deelnemende telers.
Tijdens de proef worden onder meer schadecijfers, waarnemingen van houtduiven, de inzet van jagers en de resultaten van verschillende maatregelen vastgelegd. Die gegevens moeten duidelijk maken welke aanpak daadwerkelijk effectief is.
Een belangrijke voorwaarde is dat telers schade blijven melden bij BIJ12, ook al staat daar momenteel geen vergoeding meer tegenover.
Volgens Zutt is juist die registratie essentieel.
“In het verleden werd veel schade wel ervaren, maar niet gemeld. Terwijl beleid uiteindelijk wordt gebaseerd op cijfers en feiten. Zonder data verandert er niets.”
Taxateurs van BIJ12 nemen de schade tijdens de pilot kosteloos op. Die objectieve gegevens moeten inzicht geven in de omvang van het probleem én het effect van de gekozen aanpak. Als de resultaten positief zijn, kan gecoördineerde schadebestrijding in de toekomst mogelijk op grotere schaal worden ingezet.