Waarschuwing: al 30 besmette wilde zwijnen aangetroffen in Limburg met Toxocara cati

Wij hebben uitgezocht wat deze besmetting met Toxocara cati inhoudt, welke risico’s eraan verbonden zijn en welke symptomen bij mensen kunnen optreden. Hieronder vinden jullie een samenvatting op basis van informatie van P.A.M. Overgaauw. Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS), Divisie Veterinaire Volksgezondheid (VPH), Faculteit diergeneeskunde, Universiteit Utrecht.
Correspondentie: p.a.m.overgaauw@uu.nl

Wat is Toxocara cati?

Toxocara cati is een spoelworm die vooral voorkomt bij katten, maar waarvan de eitjes ook in de omgeving terecht kunnen komen. Wanneer mensen deze infectieuze eitjes opnemen, kunnen de larven zich door het lichaam verspreiden en verschillende klachten veroorzaken. Deze aandoening wordt toxocariasis genoemd.

Preventie van besmetting van hond en kat

De European Scientific Counsel Companion Animal Parasites (ESCCAP) adviseert honden- en katteneigenaren hun dieren te laten te ontwormen aan de hand van de uitslag van fecesonderzoek en factoren die van invloed zijn op besmetting en verspreiding, zoals buiten komen, rauw vleesvoeding krijgen of prooidieren eten. Wanneer het besmettingsrisico van het individuele dier niet duidelijk is vast te stellen, wordt geadviseerd om dit minimaal 4 keer per jaar te doen.

Slechts een beperkt aantal eigenaren (24%) volgt dit advies op. Honden dragen voor 39% bij aan de omgevingsbesmetting en katten (huis- en zwerfkatten) voor 46%. Nijsse rekende uit dat dit percentage voor de hond bij 4 keer per jaar ontwormen daalt naar 28%, en bij stelselmatig opruimen van de ontlasting zelfs naar 4%. Dit laatste effect is vergelijkbaar met maandelijkse ontworming. Het opruimen van hondenontlasting wordt in Nederland door gemiddeld 35% tot 40% van de eigenaren gedaan.

Van katten, die geen gebruik maken van de kattenbak, is het opruimen van ontlasting niet zo eenvoudig. De kat zoekt een plek met los materiaal om de ontlasting te kunnen begraven. Meestal gebeurt dit in de (moes)tuin, bossages, de zandbak en kinderspeelplaatsen. Deze laatste hebben steeds vaker een ondergrond van los zand in plaats van rubber matten of kunstgras. Ongeveer de helft van de huiskatten gebruikt voornamelijk de kattenbak, de rest defeceert buiten (44%) of gebruikt beide mogelijkheden (8%).

Onderzoek in Japan met nachtcamera’s, gericht op 3 openbare zandbakken, wees uit dat hierin gedurende 5 maanden 961 katten- en 11 hondenfeces werden gedeponeerd en dat in dit 80% van de gevallen ‘s nachts gebeurt. Recent onderzoek in Nederland gaf aan dat in gemiddeld 20% van de onderzochte zandbakken en parken in Assen, Utrecht en Den Haag toxocara-eitjes werden gevonden. Van de 116 grondmonsters bleek 12,9% positief te zijn. Uit onderzoek in Polen bleek dat de besmetting van tuinen het grootst was met 6,4 eitjes per gram aarde, in vergelijking met andere plekken zoals parken, straten, strand en speelweiden.

Mogelijke gevolgen voor de mens

Bij een lichte besmetting ontstaan vaak geen klachten. Bij een grotere besmetting kunnen onder andere optreden:
vermoeidheid en een grieperig gevoel;

  • – koorts;
  • – buikpijn;
  • – hoesten of luchtwegklachten;
  • – vergroting van de lever;
  • – oogproblemen, in ernstige gevallen met vermindering van het gezichtsvermogen;
  • – zeldzaam: klachten aan het zenuwstelsel.

Kinderen lopen relatief meer risico, omdat zij vaker contact hebben met grond en sneller hun handen of voorwerpen in de mond stoppen

Besmettingsroutes

Besmetting kan plaatsvinden door het opnemen van eitjes uit een besmette omgeving, bijvoorbeeld via:

  • – grond of zand;
  • – ongewassen groenten en fruit;
  • – contact met besmette dieren of hun omgeving.

De eitjes van deze parasiet kunnen lange tijd in de omgeving overleven

Kinderen, voornamelijk in de leeftijd van 1 tot 3 jaar, blijken vaker geïnfecteerd te zijn met Toxocara en ernstigere klachten te ontwikkelen dan volwassenen. Hun immuniteit is zich nog aan het ontwikkelen en deze groep wordt in het algemeen als gevoeliger wordt beschouwd. Het is ook bekend dat kinderen vaker in contact komen met (besmette) grond en de vingers veelvuldiger in de mond steken. Ook gebruikelijke handhygiëne wordt niet altijd goed betracht.

De laatste jaren vindt het fenomeen ‘modderdag’ voor kleine kinderen vlak voor de zomer plaats. In 2017 hebben al ruim 70.000 kinderen hieraan deelgenomen. Volgens de organisator (Instituut voor Natuurbeschermingseducatie) “ontdekken kinderen zo wat modder is, hoe je er mee kunt spelen en wat de verbinding met de aarde voor hen betekent”. Dergelijke initiatieven geven in het kader van de hier genoemde infectierisico’s echter ernstig te denken en ’en zouden dit moeten afraden.

Dat toxocariasis bij kinderen regelmatig kan worden gediagnosticeerd wanneer het in de differentiële diagnose wordt opgenomen, blijkt uit een onderzoek in een Pools ziekenhuis. (25) Hier werd gedurende 6 jaar tijd bij 103 kinderen van gemiddeld 7 jaar de diagnose toxocariasis gesteld. Bij alle kinderen werd, volgens de auteurs ter preventie van het ontstaan van de oculaire vorm, een behandeling met anthelmintica ingesteld zonder corticosteroïden. Dit komt overigens niet overeen met de therapierichtlijn in Nederland (24); hier is het advies om niet alle patiënten standaard te behandelen maar om corticisteroïden per patiënt te overwegen.

Belangrijke voorzorgsmaatregelen

  • Was handen goed na buitenactiviteiten, tuinieren en contact met dieren.
  • Was groenten en fruit zorgvuldig.
  • Voorkom dat kinderen spelen in mogelijk besmette grond.
  • Draag handschoenen bij tuinwerkzaamheden.
  • Zorg dat honden en katten regelmatig gecontroleerd en zo nodig ontwormd worden.
  • Gezien de vastgestelde besmettingen bij wilde zwijnen in Limburg is het belangrijk om extra voorzichtig te zijn met wildbraad en vlees afkomstig van geschoten dieren.
  • Gebruik alleen vlees waarvan bekend is dat het veilig is verklaard.
  • De NVWA geeft een negatief consumptieadvies voor wilde zwijnen die positief getest zijn met Toxocara. Daaraan wordt aangevuld dat een (jacht)hond of ander dier ook door het eten van rauw vlees besmet met Toxocara ziek worden en de eitjes weer verder uitscheiden. Het advies is daarom niet opeten, niet door mens, niet door dier, en het kadaver afvoeren naar Rendac of, indien beschikbaar, via een Rendac bak op de gemeentewerf.
  • Omdat niet alle gemeentes in Limburg faciliteiten ingericht hebben om kadavers in te kunnen leveren, zal de FBE Limburg een brief opstellen naar de gemeentes om de situatie uit te leggen en ze te vragen om, al dan niet tijdelijk, iets in te richten voor de jagers om de kadavers naar te kunnen afvoeren, indien deze besmet zijn.

Wij hopen jullie hiermee voldoende te hebben geïnformeerd




Meer wasbeerhonden in Fryslân, maar ook meer afschot: provincie wil volledige populatie verwijderen

Opvallende ontmoeting bij Dokkumer Nieuwe Zijlen

Afgelopen maand trok een bijzondere waarneming veel aandacht. Fotograaf John Hoeksma stuitte in een weiland bij Dokkumer Nieuwe Zijlen op maar liefst acht jonge wasbeerhonden. De jonge dieren speelden ongestoord met elkaar en leken zich nauwelijks iets aan te trekken van zijn aanwezigheid.

“Ze waren gewoon aan het ravotten alsof ik er niet was,” vertelt Hoeksma. Omdat wasbeerhonden normaal gesproken erg schuw zijn en zich vooral in de schemering of ’s nachts laten zien, is zo’n grote groep jonge dieren overdag een uitzonderlijk gezicht.

Hoewel de dieren door hun pluizige uiterlijk een vriendelijke en onschuldige indruk maken, geldt de wasbeerhond officieel als een invasieve exoot. Dat betekent dat het een uitheemse diersoort is die zich in Europa heeft gevestigd en mogelijk schade kan veroorzaken aan de natuur.

Populatie groeit in Noord-Nederland

Volgens onderzoeker Harrie Bosma, die zich al jarenlang bezighoudt met de soort, groeit de populatie wasbeerhonden de laatste jaren duidelijk.”Vooral in de drie noordelijke provincies zien we dat de aantallen toenemen. Het zijn waterrijke gebieden met veel moeras en dichte begroeiing, precies het leefgebied waar wasbeerhonden zich thuis voelen.” De waarneming van acht jonge dieren is volgens Bosma goed te verklaren. In de zomer beginnen jonge wasbeerhonden zelfstandig te worden. Langzaam verlaten zij hun ouders en gaan op zoek naar een eigen leefgebied. “Ze nemen steeds meer afstand van hun ouders en kunnen uiteindelijk wel twintig tot dertig kilometer verderop terechtkomen.”

Jonge dieren lopen extra risico

Juist deze jonge dieren worden relatief vaak gezien. Dat heeft alles te maken met hun onervaren gedrag. “Ze moeten de omgeving nog leren kennen,” legt Bosma uit. “Daardoor zijn ze minder voorzichtig dan volwassen dieren.” Dat brengt ook gevaren met zich mee. Vooral in het verkeer vallen slachtoffers. Regelmatig worden jonge wasbeerhonden aangereden wanneer zij nieuwe leefgebieden proberen te bereiken.

Van Oost-Azië naar Nederland

De wasbeerhond is oorspronkelijk afkomstig uit Oost-Azië. In de vorige eeuw werd het dier naar Europa gehaald vanwege zijn pels, die populair was in de bontindustrie. Later werden duizenden exemplaren uitgezet in de voormalige Sovjet-Unie, waardoor zich geleidelijk grote populaties konden ontwikkelen. Vanuit Oost-Europa verspreidde de soort zich steeds verder westwaarts en bereikte uiteindelijk ook Nederland. Daarnaast werden sommige dieren jarenlang als huisdier gehouden. Dat is inmiddels verboden, omdat de wasbeerhond op de Europese lijst van invasieve exoten staat.

Ideaal leefgebied in Fryslân

Uit een uitgebreid onderzoek, dat eerder dit jaar in opdracht van de provincie Overijssel werd gepubliceerd, blijkt dat vooral moerasgebieden aantrekkelijk zijn voor wasbeerhonden. Dichte begroeiing biedt voldoende schuilplaatsen en er is volop voedsel beschikbaar.

Hun voedsel bestaat onder meer uit:

  • muizen;
  • amfibieën;
  • slakken;
  • insecten;
  • aas.

Volgens Bosma blijkt uit zenderonderzoek bovendien dat de dieren zelfs schapenmest eten. Binnen Fryslân zijn vooral het Lauwersmeergebied, de Friese meren en het zuidwestelijke deel van de provincie bijzonder geschikt als leefgebied.

Provincie zet in op volledige verwijdering

Omdat de wasbeerhond op de Europese Unielijst van invasieve exoten staat, zijn lidstaten verplicht maatregelen te nemen om verdere verspreiding tegen te gaan. De provincie Fryslân heeft daarom een ambitieus doel vastgesteld: de volledige populatie uit de provincie verwijderen. De uitvoering ligt bij de Faunabeheereenheid Fryslân (FBE). De organisatie beschikt de afgelopen jaren over steeds meer mogelijkheden om de dieren op te sporen en te bestrijden. Zo mag tegenwoordig ook ’s nachts worden gejaagd en kunnen extra vangmiddelen worden ingezet.

Sterke stijging van het afschot

De intensivering van de bestrijding is duidelijk zichtbaar in de cijfers.

In Fryslân werden geschoten:

  • 2023: 16 wasbeerhonden;
  • 2024: 52 wasbeerhonden;
  • 2025: 122 wasbeerhonden.

Een groot deel van de dieren werd gevonden in Midden-Ooststellingwerf. Volgens de Faunabeheereenheid betekent dit echter niet dat de dieren eenvoudig zijn op te sporen. Integendeel. Voor het afschieten van de 122 wasbeerhonden waren vorig jaar ongeveer 1.150 afzonderlijke jachtacties nodig. De FBE stelt dat zowel de intensiteit als de effectiviteit van het beheer de afgelopen jaren sterk is toegenomen.

Schade nog nauwelijks aangetoond

Ondanks de actieve bestrijding is nog niet duidelijk welke schade de wasbeerhond daadwerkelijk veroorzaakt. Het Overijsselse onderzoek concludeert dat er op dit moment geen aantoonbare effecten op ecosysteemniveau zijn vastgesteld. Wel bestaan zorgen over grondbroedende vogels, met name weidevogels. Net als de vos en de steenmarter zou ook de wasbeerhond eieren en kuikens kunnen opeten. In Wolvega werden in 2023 relatief veel nesten door wasbeerhonden gepredeerd. Sindsdien zijn echter nauwelijks nieuwe gevallen vastgesteld.

Twijfels over de effectiviteit

Hoewel steeds meer dieren worden geschoten, neemt de populatie vooralsnog toe. Onderzoeker Harrie Bosma verwacht daarom niet dat de soort nog volledig uit Fryslân zal verdwijnen. “Je houdt ze niet tegen.”

Ook de onderzoekers die het Overijsselse rapport opstelden plaatsen vraagtekens bij de huidige aanpak. Volgens hen leidt intensieve bestrijding hooguit tot een vertraging van de verspreiding. Een daadwerkelijke afname van de populatie lijkt daarmee onwaarschijnlijk.

FBE blijft inzetten op bestrijding

De Faunabeheereenheid deelt die conclusie niet volledig. De organisatie erkent dat er waarschijnlijk veel meer wasbeerhonden in Fryslân leven dan momenteel worden opgespoord, maar ziet dat niet als reden om te stoppen. Volgens de FBE blijft intensieve bestrijding noodzakelijk om verdere uitbreiding zoveel mogelijk af te remmen en de doelen van het provinciale beleid na te streven.

Daarmee lijkt de discussie voorlopig nog niet beslecht. Terwijl de wasbeerhond zich steeds verder verspreidt in het Friese landschap, groeit tegelijkertijd de inzet om de populatie onder controle te krijgen. Of volledige verwijdering ooit haalbaar is, blijft echter onderwerp van debat onder onderzoekers en beheerders.

bron: Omroep Fryslân, 28/07/2026




“Evaluatie Functioneren Landelijke Ganzenfoerageergebieden” (BIJ12, juli 2026).

Het effect van ganzenfoerageergebieden verschilt sterk per provincie. Het succes hangt af van meerdere factoren, zoals de grootte en ligging van het gebied, het gedrag van ganzen en de uitvoering van beheer. Dat blijkt uit een evaluatie die in opdracht van BIJ12 is uitgevoerd door Sovon Vogelonderzoek Nederland en Altenburg & Wymenga.

Doel van het onderzoek

Het onderzoek beoordeelt of ganzenfoerageergebieden effectief zijn in het:

  • bieden van rust- en voedselgebieden voor overwinterende ganzen;
  • beperken van landbouwschade buiten deze gebieden;
  • concentreren van ganzen op aangewezen locaties.

Belangrijkste conclusies

1. Het succes verschilt sterk per provincie

De resultaten lopen sterk uiteen:

  • Friesland, Gelderland en Zeeland behalen de beste resultaten.
  • In andere provincies functioneren de foerageergebieden minder goed doordat ze vaak klein zijn, versnipperd liggen of minder aantrekkelijk zijn voor ganzen.
2. Slechts ongeveer 20% van de ganzen gebruikt de foerageergebieden

Landelijk verblijft slechts ongeveer één op de vijf ganzen in een aangewezen foerageergebied. Veel ganzen blijven buiten deze gebieden foerageren, ondanks verjaging.

3. Grootte en ligging zijn bepalend

Foerageergebieden werken vooral goed wanneer zij:

  • groot genoeg zijn;
  • dicht bij slaapplaatsen liggen;
  • liggen op locaties waar ganzen van nature al verblijven;
  • voldoende voedsel bieden. Kleine of geïsoleerde gebieden trekken aanzienlijk minder ganzen aan.
4. Verjaging buiten de gebieden is vaak onvoldoende

Het beleid gaat ervan uit dat ganzen buiten de foerageergebieden worden verjaagd zodat zij naar de rustgebieden trekken. In de praktijk gebeurt dit:

  • niet overal even intensief;
  • niet goed gecoördineerd;
  • waardoor het verschil tussen “rust binnen” en “onrust buiten” vaak te klein is.
Ganzen
5. Ganzen leren de gebieden nauwelijks beter benutten

De verwachting was dat ganzen na verloop van tijd zouden leren waar veilige foerageergebieden liggen. Uit de evaluatie blijkt dat dit leereffect in de meeste provincies nauwelijks zichtbaar is. Het gebruik van de gebieden is in de loop der jaren vrijwel niet toegenomen.

6. Grauwe ganzen vormen een bijzondere uitdaging

De grauwe gans verspreidt zich gemakkelijker over het landschap dan andere soorten. Daardoor verblijft deze soort relatief weinig in foerageergebieden, terwijl zij juist verantwoordelijk is voor een groot deel van de landbouwschade.

7. Schade concentreert zich wel in de foerageergebieden

Meer dan de helft van de geregistreerde schade aan voorjaarsgras ontstaat binnen de foerageergebieden, terwijl deze gebieden gemiddeld slechts ongeveer 7% van het geschikte ganzengebied beslaan. Mogelijk komt dit mede doordat agrariërs binnen deze gebieden vaker een schadevergoeding aanvragen.

Aanbevelingen uit de evaluatie

De onderzoekers adviseren onder meer:

  • foerageergebieden groter en logischer te begrenzen;
  • gebieden te kiezen waar ganzen van nature al graag verblijven;
  • de samenhang tussen rustgebieden en verjaging buiten de gebieden te verbeteren;
  • rekening te houden met verschillen tussen ganzensoorten;
  • het beleid per provincie aan te passen aan de lokale situatie in plaats van één landelijke aanpak te hanteren.

Kernboodschap

De evaluatie laat zien dat ganzenfoerageergebieden wel kunnen werken, maar alleen onder de juiste omstandigheden. Succes hangt vooral af van de ligging, omvang en inrichting van de gebieden, én van een consequente uitvoering van het beheer buiten die gebieden. Er is daarom geen uniforme landelijke oplossing; maatwerk per provincie is noodzakelijk.




CONCEPT FAUNABEHEERPLAN REE 2026 -2032 REE FAUNABEHEEREENHEID ZUID-HOLLAND

  • Reeënpopulaties in Zuid-Holland zijn sinds 2012 verdrievoudigd, met 2.113 in 2019 en 30.262 in 2025.
  • Groei komt door kolonisatie en groei van gevestigde populaties, wat uitdagingen oplevert voor dierenwelzijn, verkeer en schadepreventie.

ALGEMEEN

Leefgebieden en verspreiding

  • Reeën leven in diverse landschappen zoals bos, duin, uiterwaarden en cultuurlandschap, vooral waar dekking en voedsel afwisselen.
  • Populaties zijn sterk plaatstrouw en verplaatsen zich meestal korte afstanden; in optimale gebieden variëren dichtheden van 0-20 dieren per 100 hectare.

Ecologie en gedrag

  • Reeën zijn herbivoren die vooral in schemering en nacht actief zijn, met territoriaal gedrag dat afhankelijk is van omgeving en seizoen.
  • Ze gebruiken geurmarkeringen voor communicatie en vermijden vaak open of drukke gebieden, vooral bij verstoring.

Voortplanting en populatieontwikkeling

  • Bronst vindt plaats in juli en augustus; kalveren worden in mei-juni geboren, met een overlevingskans van ongeveer 0,4 tot 1,2 kalf per geit.
  • Populatiegroei wordt beperkt door voedselbeschikbaarheid, ziekte, predatie en menselijke invloeden.

Ziekten, parasieten en natuurlijke vijanden

  • Reeën kunnen lijden aan ecto- en endoparasieten, vooral bij hoge dichtheden en slechte conditie.
  • Predatie is vooral relevant voor kalveren; volwassen reeën ondervinden beperkte predatiedruk.

Menselijke invloed en beheer

  • Menselijke activiteiten zoals verkeer en landbouw beïnvloeden gedrag en ruimtegebruik; verstoringen leiden tot vlucht en stress.
  • Beheermaatregelen omvatten afschot, habitatbeheer en het gebruik van middelen zoals geweren en honden, onder strikte regelgeving.

  • De reeënpopulatie in Nederland is sinds 1930 sterk toegenomen van circa 20.000 naar meer dan 100.000 dieren.
  • In Zuid-Holland breidt de populatie zich uit, ook in stedelijke gebieden, met een toenemende trend en goede uitwisseling tussen gebieden.

Monitoring en populatieschatting

  • Voorjaarstellingen worden gebruikt om de populatie te volgen, met een schatting dat 35-50% van de dieren buiten beeld blijft.
  • Alternatieve methoden zoals jaarrondwaarnemingen en detectietechnieken worden toegepast, maar voorjaarstellingen blijven leidend.

Dichtheid, draagkracht en populatiebeheer

  • Maximale ecologische dichtheid ligt tussen 15 en 25 reeën per 100 hectare; in Zuid-Holland is dit lager.
  • Beheer richt zich op het afstemmen van populatiedichtheid op draagkracht, vooral in de nawinter, om voedseltekorten en sterfte te voorkomen.

Effecten van hoge populatiedichtheid

  • Toenemende dichtheid leidt tot voedselconcurrentie, verminderde conditie en verhoogde sterfte onder reeën.
  • Hoge dichtheden verhogen risico op dierenleed, schade aan gewassen, en conflicten met menselijke activiteiten.

Verkeersveiligheid en aanrijdingen

  • Jaarlijks circa 10.000 reeën slachtoffer van verkeer, met een ondergrens van 5-8% van de voorjaarsstand.
  • Aanrijdingen pieken in mei-juni en in schemer, vooral langs wegen met beperkte zichtlijnen en nabij bos.

Schade aan gewassen en natuurlijke vegetatie

  • Hoge populatiedichtheid veroorzaakt vraat op flora, met gevolgen voor bosverjonging en biodiversiteit.
  • Landbouwschade door vraat aan gewassen en jonge bomen neemt toe bij hogere dichtheden.

  • Populatiebeheer via afschot is het meest effectief om aantallen te reguleren en schade te beperken.
  • Lokale afschot is vaak snel aangevuld door dieren uit omliggende gebieden, waardoor gebiedsdekkend beheer noodzakelijk is.

Preventieve en mitigatie maatregelen

  • Rasters en faunapassages verminderen aanrijdingen, maar rasters kunnen leefgebieden versnipperen.
  • Detectiesystemen en weginrichting verbeteren, maar hebben beperkte en kostbare effectiviteit.

Duurzaam beheer en maatschappelijke belangen

  • Beheer richt zich op het in balans houden van populatie, leefgebied en maatschappelijke belangen.
  • Populatiebeheer via afschot wordt afgestemd op draagkracht, met aandacht voor leeftijds- en geslachtsverhouding.

Toekomstige aanpak en regelgeving

  • Beheer wordt aangepast op basis van monitoring, met focus op het voorkomen van dierenleed en verkeersincidenten.
  • Het afschotquotum wordt jaarlijks vastgesteld, met aandacht voor het behoud van genetische variatie en leefgebied.

Beperkingen en samenhang van maatregelen

  • Effecten van maatregelen zoals rasters en detectiesystemen zijn beperkt en kunnen neveneffecten hebben.
  • Populatiebeheer blijft de kernoplossing, ondersteund door gerichte preventieve maatregelen en monitoring.

Telling en organisatie van reeënbeheer

  • Tellingen worden uitgevoerd door regionale WBE’s met vaste routes en in samenwerking met vrijwilligers.
  • Resultaten worden geregistreerd en geëvalueerd in regiobijeenkomsten, met aandacht voor praktische uitvoering en monitoring.

Populatie- en draagkrachtbepaling

  • Maximale draagkracht wordt geschat via regressieanalyse en teltellingen; maatschappelijke draagkracht is 70% van maximale draagkracht.
  • Ongezien deel van de populatie wordt geschat op 20-40%, beïnvloed door landschap en telmethoden.

  • Beheer wordt gebaseerd op voorjaarsstanden, reproductie, valwild en ongeziene dieren, met jaarlijkse evaluatie.
  • Doel is het in stand houden van een gezonde populatie binnen maatschappelijke draagkracht, met adaptieve bijstelling van afschot.

Monitoring en evaluatieproces

  • Jaarlijkse tellingen, valwildregistraties en schadegegevens worden verzameld en besproken in regiobijeenkomsten.
  • Effectiviteit van maatregelen wordt beoordeeld en beheer wordt bijgesteld op basis van trends en knelpunten.

Wet- en regelgeving en verantwoordelijkheden

  • WBE’s krijgen toestemming van de FBE voor beheer en afschot, en moeten rapportages via DORA indienen.
  • Uitvoerders moeten ervaring hebben, wildmerken gebruiken en afschot nauwkeurig registreren.

Beheermaatregelen en afschotverdeling

  • Afschot wordt verdeeld met reewildmerken en volgens regionale afspraken.
  • Valwild wordt snel afgehandeld in samenwerking met politie en wegbeheerders, binnen 48 uur geregistreerd.

Knelpunten en preventieve maatregelen

  • Locaties met verkeersrisico’s en schade worden in kaart gebracht en preventieve maatregelen worden ontwikkeld.
  • Knelpunten worden jaarlijks geëvalueerd en aangepakt om dierenwelzijn en verkeersveiligheid te verbeteren.

Download: concept Faunabeheerplan ree FBE zuid-holland

Download: Reactieformulier Faunabeheerplan REE FBE Zuid-Holland




Provincie Fryslân staat afschot Canadese gans toe om snelle groei en landbouwschade te beperken

Friese jagers mogen opnieuw Canadese ganzen bestrijden. De provincie Fryslân heeft de Faunabeheereenheid Fryslân (FBE) een vergunning verleend voor het afschieten van ganzen en het behandelen van nesten. Het doel is de sterk groeiende populatie onder controle te houden en verdere schade aan landbouwgewassen te voorkomen.

De Canadese gans is een uitheemse soort die oorspronkelijk als volièrevogel naar Nederland kwam en zich sinds de jaren zeventig blijvend heeft gevestigd. De vogel is gemakkelijk te herkennen aan de zwarte kop en lange zwarte hals met een opvallende witte kinband.

Sterke groei na vervallen landelijke vrijstelling

Hoewel de Canadese gans qua aantallen en schade nog achterblijft bij de vier meest voorkomende ganzensoorten – de grauwe gans, kolgans, brandgans en rotgans – is de populatie de afgelopen jaren sterk toegenomen.

Volgens ganzencoördinator Marjolein Samplonius van FBE Fryslân is de belangrijkste oorzaak het vervallen van de landelijke vrijstelling in 2023. Na een uitspraak van de Raad van State mocht de soort niet langer zonder provinciale vergunning worden bestreden, omdat het ministerie de noodzaak van een landelijke vrijstelling onvoldoende had onderbouwd.

“Als we nu niet ingrijpen, zal de populatie exponentieel blijven groeien. Dat willen we voorkomen,” aldus Samplonius.

Landbouwschade fors gestegen

Sinds het wegvallen van de vrijstelling is ook de schade aan landbouwgewassen in Fryslân sterk toegenomen. Waar de Canadese gans voorheen gemiddeld ongeveer **€10.000** aan vraatschade per jaar veroorzaakte, liep dat in 2025 op tot bijna **€74.000**.

Daarnaast is de soort, net als de grauwe gans, uitgegroeid tot een **standgans**. Dat betekent dat de vogels het hele jaar in Nederland blijven en ook tijdens de zomermaanden schade kunnen veroorzaken.

Vergunning voor afschot en nestbeheer

Om de populatie te beheren vroeg FBE Fryslân begin februari een provinciale vergunning aan. Die werd eind juni door Gedeputeerde Staten verleend.

De vergunning maakt het mogelijk Canadese ganzen af te schieten:

— in **februari**, wanneer de vogels paartjes vormen;
— en van **maart tot en met eind september**.

Daarnaast is tot **eind mei** nestbeheer toegestaan. Daarbij mogen eieren worden geprikt, geschud of behandeld met olie, zodat ze niet uitkomen.

Geen afschotquotum, wel schadedoel

De vergunning bevat geen maximumaantal ganzen dat mag worden gedood. Wel is vastgelegd dat het beheer moet bijdragen aan het terugdringen van landbouwschade. De provincie wil de zomerschade eerst stabiliseren en deze vanaf 2029 terugbrengen tot maximaal €500.000 per jaar.

Ter vergelijking: de totale zomerschade door ganzen in Fryslân bedroeg vorig jaar bijna €3 miljoen, waarbij de grauwe gans veruit de grootste veroorzaker is. De Canadese gans levert momenteel een kleiner, maar snel groeiend aandeel in die schade.




Nationale Faunadag vrijdag 18 september te Arnhem

Op vrijdag 18 september 2026 vindt in Arnhem de Nationale Faunadag plaats. Een kennisevenement voor jagers, faunabeheerders, WBE-bestuurders en andere betrokkenen bij wild- en natuurbeheer. Wij willen u vragen de bijgevoegde flyer door te sturen naar uw WBE-leden. De Nationale Faunadag biedt deelnemers de mogelijkheid om actuele kennis op te doen, ervaringen uit te wisselen en zelf een programma samen te stellen met drie sessies die aansluiten bij hun eigen praktijk en interesses.

De dag richt zich op onderwerpen die direct spelen in het veld, zoals ontwikkelingen rond soortenbeheer, natuurbeheer, schadevraagstukken, monitoring en nieuwe technieken. Naast de inhoudelijke sessies is er een productenmarkt met demonstraties en praktijkvoorbeelden en volop gelegenheid om collega’s uit het werkveld te ontmoeten. De dag wordt afgesloten met een netwerkborrel. Wij hopen dat u deze uitnodiging met uw leden wilt delen. De Nationale Faunadag is een waardevolle dag voor iedereen die betrokken is bij de uitvoering en organisatie van wildbeheer in Nederland. Alvast hartelijk dank voor uw medewerking.  

Met vriendelijke groet, 

Daan Loo Opleidingscoördinator Fauna




23 exoten zoals de Wasbeer, Nijlgans en grijze Eekhoorn mogen na 1 januari 2026 landelijk bestreden worden zonder opdracht provincie

Op de lijst staan 23 zogenoemde invasieve exoten. Dit zijn dieren die oorspronkelijk uit andere delen van de wereld komen en zich in Nederland hebben gevestigd. Voorbeelden zijn de nijlgans, de wasbeer en de grijze eekhoorn. Deze soorten kunnen zich snel verspreiden en vormen volgens de overheid een bedreiging voor de Nederlandse natuur. Ze kunnen inheemse diersoorten verdringen, voedsel en leefgebied afnemen of ziekten overbrengen.

Een bekend voorbeeld is de grijze eekhoorn, die oorspronkelijk uit Noord-Amerika komt. Deze soort concurreert met de inheemse rode eekhoorn om voedsel en leefgebied. Daarnaast kan de grijze eekhoorn ziekten overdragen waarvoor de rode eekhoorn kwetsbaar is. Ook de nijlgans, afkomstig uit Afrika, veroorzaakt problemen. Grote groepen ganzen kunnen weilanden kaalvreten, gewassen beschadigen en de bodem en het oppervlaktewater vervuilen met hun uitwerpselen.

Volgens het ministerie is de nieuwe regeling vooral bedoeld om administratieve procedures eenvoudiger te maken. Voorheen was in veel gevallen eerst een afzonderlijke opdracht van de provincie nodig voordat tot afschot kon worden overgegaan. Door deze stap te schrappen, kunnen natuurbeheerders en andere bevoegde personen sneller handelen wanneer dat nodig is.

De minister benadrukt dat de wijziging niet betekent dat er meer dieren mogen worden gedood. De bestaande regels voor jacht en faunabeheer blijven van kracht. Jagers en andere bevoegde uitvoerders moeten nog steeds registreren hoeveel dieren worden geschoten en verantwoorden waarom dat gebeurt. Ook behouden provincies de mogelijkheid om gerichte opdrachten te geven voor het beheer van specifieke diersoorten wanneer dat nodig is om de natuur of landbouw te beschermen.




Geen straf voor jager na doodslaan van aangeschoten haas in Markelo

Een aangeschoten haas werd eind 2022 tijdens een jacht in Markelo met acht stokslagen gedood. Volgens de provincie Overijssel was dat geen goede manier om het dier snel uit zijn lijden te verlossen, maar er was volgens de wet geen reden om de jager daarvoor te straffen. De Raad van State heeft nu bevestigd dat de provincie daarin gelijk had.

Het incident werd gefilmd door een omstander. Dierenrechtenorganisatie Animal Rights vond dat de regels waren overtreden. Tijdens de jacht mag namelijk alleen met een geweer op hazen worden gejaagd, niet met een stok of ander slagwapen.

De provincie maakte echter een onderscheid tussen de jacht zelf en het doden van een gewond dier na de jacht. Volgens de provincie was de jacht voorbij op het moment dat de haas was neergeschoten. Daarna sloeg een helper van de jager de haas dood om het dier niet langer te laten lijden. Omdat dit volgens de provincie niet meer onder de jacht viel, was er geen overtreding van de jachtregels.

Animal Rights was het daar niet mee eens. De organisatie stelde dat jagen niet alleen betekent een dier raken, maar ook het daadwerkelijk doden. Daarom vond zij dat het doodslaan van de haas nog steeds onderdeel was van de jacht. Nadat de rechtbank dit argument had afgewezen, ging Animal Rights in hoger beroep bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat volgens de bestaande wet- en regelgeving het doden van een al aangeschoten dier niet meer onder de jacht valt. Ook vond de Raad dat de helper niet hoefde te wachten tot de jager zelf de haas met een tweede schot kon doden. Volgens de Raad zou dat te lang hebben geduurd, waardoor het dier onnodig langer had geleden.

Animal Rights betwistte dat. Volgens de organisatie stond de jager op hooguit vijftig meter afstand en had hij het dier zelf snel kunnen afmaken met zijn geweer. Toch volgde de Raad van State die redenering niet, waardoor de jager niet wordt vervolgd.




Hoe verliep het weide- en akkervogel seizoen 2026 bij jou?




Uitspraak Rechtbank Den Haag 9 juli 2026 – damherten Hoeksche Waard

Gegevens uitspraak

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 9 juli 2026
Datum publicatie 9 juli 2026
Zaaknummer SGR 24/8413
Rechtsgebied Omgevingsrecht / natuurbeschermingsrecht
Soort procedure Eerste aanleg, meervoudige kamer
Uitkomst Beroep gegrond; het besluit van het college is vernietigd.

Waar ging de zaak over?

Achtergrond van het besluit

Het college had al eerder, in 2020, geprobeerd om de damhertenpopulatie in de Hoeksche Waard tot nul terug te brengen. Dat eerdere besluit werd door de rechtbank in 2021 vernietigd, omdat onvoldoende was gemotiveerd waarom de gehele populatie moest worden gedood. Daarna nam het college in 2024 opnieuw een besluit met dezelfde strekking: de populatie moest alsnog naar nul.

Voor het nieuwe besluit baseerde het college zich vooral op een beheeradvies over het damwild in de Hoeksche Waard. Daarin werd ingegaan op de herkomst van de dieren, de verwachte groei van de populatie en mogelijke beheermaatregelen. Volgens het college stamde de populatie af van drie damherten die rond het jaar 2000 uit een hertenkamp in Numansdorp zouden zijn ontsnapt.

Juridisch kader

Het damhert is onder de Wet natuurbescherming een beschermde diersoort. In beginsel is het verboden om beschermde dieren opzettelijk te doden. Het college kan onder voorwaarden opdracht geven om een populatie te beperken, bijvoorbeeld ter voorkoming van ernstige schade aan gewassen of in het belang van de openbare veiligheid.

Een belangrijk onderscheid in deze zaak is dat bij verwilderde dieren minder zware toetsingsvereisten gelden dan bij wilde beschermde dieren. Als de damherten als verwilderd worden aangemerkt, hoeft het college bijvoorbeeld niet dezelfde toets uit te voeren naar alternatieven en de staat van instandhouding. Daarom was de vraag of de populatie uitsluitend uit verwilderde dieren bestaat juridisch zeer belangrijk.

Waren de stichtingen belanghebbenden?

De faunabeheereenheid stelde dat de stichtingen niet-ontvankelijk moesten worden verklaard, omdat zij geen feitelijke werkzaamheden zouden verrichten die specifiek zagen op het beperken van schade door damherten of het bevorderen van verkeersveiligheid in de Hoeksche Waard.

De rechtbank ging daar niet in mee. Voor belangenorganisaties is bepalend of zij volgens hun statuten en feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks betrokken algemeen of collectief belang behartigen. De rechtbank vond dat Stichting Animal Rights en Stichting Fauna4Life voldoende feitelijke activiteiten verrichten, zoals lobby, publicaties en bijeenkomsten. Zij werden daarom als belanghebbenden aangemerkt en hun beroep werd inhoudelijk behandeld.

Oordeel over de vraag of de damherten verwilderd zijn

De rechtbank oordeelde dat het college onvoldoende had onderbouwd dat de damhertenpopulatie in de Hoeksche Waard uitsluitend uit verwilderde dieren bestaat. Het college verwees vooral naar de stelling dat drie damherten rond 2000 uit een hertenkamp in Numansdorp waren ontsnapt. Maar zelfs als dat klopt, volgt daaruit volgens de rechtbank niet automatisch dat de huidige populatie alleen nog uit nakomelingen van die ontsnapte dieren bestaat.

Damherten

De rechtbank wees erop dat uit gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna blijkt dat damherten ook buiten de bekende kernleefgebieden zijn waargenomen, onder meer in gebieden dichter bij de Hoeksche Waard. Het college kon niet uitsluiten dat wilde damherten van elders zich met de populatie in de Hoeksche Waard hadden vermengd.

Daarbij vond de rechtbank het tegenstrijdig dat het beheeradvies enerzijds vermeldt dat toekomstige uitwisseling met damherten van elders goed mogelijk is, terwijl het college anderzijds stelde dat zulke uitwisseling in het verleden zeer onaannemelijk was vanwege barrières zoals snelwegen en waterwegen. Het college had niet inzichtelijk gemaakt waarom die barrières in de toekomst wel, maar in het verleden niet zouden kunnen zijn gepasseerd. Omdat genetisch onderzoek volgens het beheeradvies de enige zekere manier is om de herkomst vast te stellen en zo’n onderzoek niet was verricht, was de onderbouwing onvoldoende.

Oordeel over schade aan gewassen

Het college stelde dat de damherten ernstige schade veroorzaken aan landbouwgewassen en dat de schade zal toenemen als de populatie blijft groeien. De rechtbank erkende dat er op basis van enkele taxaties uit 2021, 2022 en 2024 sprake was van een concrete dreiging van ernstige schade. Die taxaties waren volgens BIJ12-protocollen opgesteld en de schadebedragen lagen duidelijk boven de drempel die in de rechtspraak relevant wordt geacht.

Maar daarmee was nog niet aangetoond dat de volledige populatie moest worden gedood. De rechtbank benadrukte dat het bij de wettelijke grondslag gaat om het voorkomen van ernstige schade, niet om het voorkomen van elke schade. Het college had niet duidelijk gemaakt waarom het handhaven van een kleinere populatie, bijvoorbeeld 40 dieren, al tot ernstige schade zou leiden.

De rechtbank vond daarom dat het college niet deugdelijk had gemotiveerd waarom het noodzakelijk was om de populatie tot nul terug te brengen. Dat een populatie van 40 dieren mogelijk op lange termijn niet levensvatbaar zou zijn vanwege inteelt, overtuigde de rechtbank niet, mede omdat uitwisseling met damherten van elders niet kon worden uitgesloten.

Oordeel over verkeersveiligheid

Ook het beroep op verkeersveiligheid slaagde niet als motivering voor het volledig verwijderen van de populatie. Het college wees op aanrijdingen met damherten en stelde dat een grotere populatie de kans op ongevallen vergroot. De rechtbank vond echter dat de cijfers dit standpunt onvoldoende ondersteunden.

In de periode 2016 tot en met 2022 waren slechts enkele aanrijdingen geregistreerd. Bovendien bleek uit het verweerschrift dat tussen 1 april 2025 en 31 maart 2026 geen enkele aanrijding met damherten was geregistreerd. De rechtbank onderschreef het eerdere oordeel van de voorzieningenrechter dat het college niet deugdelijk had gemotiveerd waarom verkeersveiligheid vereiste dat de gehele populatie moest verdwijnen.

Waren er andere bevredigende oplossingen?

De rechtbank beoordeelde ook of er andere bevredigende oplossingen waren dan afschot. Voor het voorkomen van ernstige schade aan gewassen vond de rechtbank dat het college voldoende aannemelijk had gemaakt dat alternatieven, zoals het plaatsen van rasters, niet geschikt en proportioneel waren. In de Hoeksche Waard is sprake van veel wisselteelt en een agrarisch landschap waarin volledige of gerichte afrastering praktisch lastig en ingrijpend is.

Op dit punt kregen eiseressen dus geen gelijk. De rechtbank vond dat het college voldoende had onderbouwd dat het doden van een deel van de populatie als maatregel tegen gewasschade niet zonder meer kon worden vervangen door minder ingrijpende alternatieven. Omdat de verkeersveiligheidsgrond al onvoldoende was onderbouwd, hoefde de rechtbank niet uitgebreid te beoordelen of daarvoor alternatieven bestonden.

Eindconclusie van de rechtbank

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond. Het college had onvoldoende zorgvuldig onderzoek gedaan en het besluit onvoldoende gemotiveerd. Vooral twee punten waren doorslaggevend: het college had niet bewezen dat de populatie uitsluitend uit verwilderde dieren bestaat, en het had niet overtuigend gemotiveerd waarom de populatie tot nul moest worden teruggebracht in plaats van tot een lager niveau.

Daarom vernietigde de rechtbank het besluit van 1 oktober 2024. Het college moet het betaalde griffierecht van € 371,- aan eiseressen vergoeden en wordt veroordeeld tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten. De voorlopige voorziening die eerder toestond dat de populatie voorlopig tot 40 dieren mocht worden teruggebracht, vervalt met deze uitspraak.

Praktische betekenis van de uitspraak

De uitspraak betekent niet dat beheer van de damhertenpopulatie in de Hoeksche Waard onmogelijk is. De rechtbank erkent dat er een concrete dreiging van ernstige schade aan gewassen kan bestaan en dat gedeeltelijk ingrijpen mogelijk verdedigbaar kan zijn. Maar de rechtbank maakt duidelijk dat een besluit om de hele populatie tot nul terug te brengen zeer zorgvuldig moet worden onderbouwd.

Voor een nieuw besluit zal het college beter moeten motiveren wat de juridische status en herkomst van de populatie is, waarom een bepaald populatieniveau noodzakelijk is, en waarom minder vergaande maatregelen onvoldoende zijn. Met name als het college opnieuw wil uitgaan van verwilderde dieren of volledige verwijdering van de populatie, zal het steviger ecologisch en juridisch bewijs moeten leveren.

Kort samengevat

  • Het beroep van Stichting Animal Rights en Stichting Fauna4Life is gegrond.
  • Het besluit om de damhertenpopulatie in de Hoeksche Waard tot nul terug te brengen is vernietigd.
  • Het college heeft onvoldoende aangetoond dat alle damherten verwilderde dieren zijn.
  • Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom volledige verwijdering nodig is om ernstige gewasschade te voorkomen.
  • Ook verkeersveiligheid rechtvaardigt volgens de rechtbank niet zonder meer het doden van de hele populatie.
  • De rechtbank accepteert wel dat er een concrete dreiging van ernstige schade aan gewassen kan bestaan en dat alternatieven zoals rasters onvoldoende kunnen zijn.
  • Voor een nieuw besluit is betere ecologische en juridische onderbouwing nodig.