DEN HAAG (ANP) – Het kabinet wil de regels voor het bestrijden van invasieve uitheemse diersoorten vereenvoudigen. Minister Jaimi van Essen (Natuur, D66) heeft nieuwe regelgeving gepubliceerd die op 1 januari in werking moet treden. Door deze wijziging kunnen bepaalde dieren die niet van nature in Nederland voorkomen, onder de geldende wettelijke voorwaarden worden afgeschoten zonder dat daarvoor vooraf een aparte opdracht van de provincie nodig is.
Op de lijst staan 23 zogenoemde invasieve exoten. Dit zijn dieren die oorspronkelijk uit andere delen van de wereld komen en zich in Nederland hebben gevestigd. Voorbeelden zijn de nijlgans, de wasbeer en de grijze eekhoorn. Deze soorten kunnen zich snel verspreiden en vormen volgens de overheid een bedreiging voor de Nederlandse natuur. Ze kunnen inheemse diersoorten verdringen, voedsel en leefgebied afnemen of ziekten overbrengen.

Een bekend voorbeeld is de grijze eekhoorn, die oorspronkelijk uit Noord-Amerika komt. Deze soort concurreert met de inheemse rode eekhoorn om voedsel en leefgebied. Daarnaast kan de grijze eekhoorn ziekten overdragen waarvoor de rode eekhoorn kwetsbaar is. Ook de nijlgans, afkomstig uit Afrika, veroorzaakt problemen. Grote groepen ganzen kunnen weilanden kaalvreten, gewassen beschadigen en de bodem en het oppervlaktewater vervuilen met hun uitwerpselen.
Volgens het ministerie is de nieuwe regeling vooral bedoeld om administratieve procedures eenvoudiger te maken. Voorheen was in veel gevallen eerst een afzonderlijke opdracht van de provincie nodig voordat tot afschot kon worden overgegaan. Door deze stap te schrappen, kunnen natuurbeheerders en andere bevoegde personen sneller handelen wanneer dat nodig is.
De minister benadrukt dat de wijziging niet betekent dat er meer dieren mogen worden gedood. De bestaande regels voor jacht en faunabeheer blijven van kracht. Jagers en andere bevoegde uitvoerders moeten nog steeds registreren hoeveel dieren worden geschoten en verantwoorden waarom dat gebeurt. Ook behouden provincies de mogelijkheid om gerichte opdrachten te geven voor het beheer van specifieke diersoorten wanneer dat nodig is om de natuur of landbouw te beschermen.






