De rechtbank Noord-Holland verklaart het beroep van Stichting De Faunabescherming tegen de goedkeuring van het Faunabeheerplan Wildsoorten 2023‑2029 ongegrond.

image_pdfimage_print

De hoofdpunten van deze zaak gaat over de vraag of gedeputeerde staten van Noord-Holland (GS) het Faunabeheerplan Wildsoorten 2023‑2029, dat uitsluitend ziet op de jacht op wilde eend, fazant, houtduif, haas en konijn, rechtmatig hebben goedgekeurd. De Faunabescherming betoogt dat de staat van instandhouding van deze vijf wildsoorten ongunstig is en dat onvoldoende is aangetoond dat er in de jachtperiode sprake is van door deze soorten veroorzaakte schade, zodat GS de goedkeuring had moeten weigeren.

Juridisch kader

Het besluit tot goedkeuring is genomen onder de (toen nog geldende) Wet natuurbescherming (Wnb) en de Omgevingsverordening NH2020; via overgangsrecht van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet blijft dit oude recht van toepassing totdat het besluit onherroepelijk is. De rechtbank stelt voorop dat een goedgekeurd faunabeheerplan vereist is om de jacht te kunnen uitoefenen, maar dat de minister van LNV (thans: minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) op grond van artikel 3.22 Wnb bepaalt óf en in hoeverre de jacht wordt geopend en de jacht niet opent voor soorten waarvan de staat van instandhouding in het geding is.

Oordeel over de beroepsgrond

De rechtbank verwerpt het standpunt van De Faunabescherming dat GS bij de goedkeuring van een faunabeheerplan nogmaals zelfstandig moet toetsen of de staat van instandhouding van de wildsoorten gunstig is en of voldoende schade in de jachtperiode is aangetoond. Volgens de rechtbank volgt uit artikel 3.20, derde lid, Wnb en overige bepalingen niet dat GS op die gronden de goedkeuring moet onthouden; de toets op de staat van instandhouding ligt bij de minister wanneer deze besluit de jacht al dan niet te openen, en niet bij GS in de fase van goedkeuring van het faunabeheerplan. Ook uit de aangehaalde jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU en de Vogelrichtlijn (artikel 7 en 9) volgt volgens de rechtbank geen verplichting voor GS om bij de goedkeuring de jacht op deze gronden te blokkeren. De rechtbank benadrukt dat de jachthouder, niet GS, norm adressaat is van artikel 3.20, derde lid, Wnb en verantwoordelijk is voor het handhaven van een redelijke wildstand en het voorkomen van schade binnen zijn jachtveld.

Gevolgen: faunabeheerplan blijft in stand

Omdat de aangevoerde ongunstige staat van instandhouding en het gestelde ontbreken van voldoende schade geen weigeringsgrond vormen voor de goedkeuring, concludeert de rechtbank dat het faunabeheerplan voldoet aan de inhoudelijke eisen van de Wnb en de Omgevingsverordening NH2020. Het beroep van De Faunabescherming wordt daarom ongegrond verklaard en de goedkeuring van het Faunabeheerplan Wildsoorten 2023‑2029 blijft in stand.

Kort gezegd

De provincies hoeven bij de goedkeuring van een faunabeheerplan voor de jacht níet zelf opnieuw te toetsen of de staat van instandhouding gunstig is of of er genoeg schade is aangetoond; dat ligt bij de minister bij het openen van de jacht.

Rol provincies bij goedkeuring

– De rechtbank zegt expliciet dat uit artikel 3.20 Wnb (en andere Wnb‑bepalingen) niet volgt dat GS bij de goedkeuring nogmaals de staat van instandhouding van de wildsoorten moeten beoordelen. – Ook mogen GS de goedkeuring niet weigeren enkel omdat volgens een derde (zoals FBP) onvoldoende is aangetoond dat er in de jachtperiode schade is door wildsoorten.

Rol minister versus GS

– De minister (nu LNV/LVVN) beslist op grond van artikel 3.22 Wnb óf de jacht op een soort wordt geopend en mag die jacht niet openen als de staat van instandhouding in het geding is; die toets voert de minister “telkens” uit.
– Het faunabeheerplan is vervolgens een voorwaarde om de jacht feitelijk te kunnen uitoefenen, maar goedkeuring daarvan is niet het moment om de gunstige/ongunstige staat van instandhouding nogmaals te beoordelen.

Praktisch gevolg voor provinciale faunabeheerplannen

– Bij plannen die (uitsluitend) zien op jacht: GS toetsen of het plan voldoet aan de wettelijke en verordeningseisen (inhoud, monitoring, gegevens over populaties, afschot, schade‑indicatie), maar niet of de populaties zó slecht zijn dat jacht nooit zou mogen of dat schade onvoldoende is aangetoond. – Bezwaar- en beroepsgronden die uitsluitend betogen dat de staat van instandhouding van wildsoorten ongunstig is of dat schade onvoldoende onderbouwd is, zijn volgens deze uitspraak in beginsel géén geldige reden om de provinciale goedkeuring van het faunabeheerplan te vernietigen.

Betekenis in de praktijk

– Voor provincies biedt de uitspraak steun om faunabeheerplannen voor wildsoorten te blijven goedkeuren zolang de plannen inhoudelijk aan de (oude) Wnb en provinciale verordening voldoen. – De discussie over “mag er überhaupt jacht zijn gezien de staat van instandhouding” verschuift hiermee duidelijk naar het niveau van de ministeriële besluitvorming over het openen of sluiten van de jacht, niet naar de provinciale goedkeuringsfase.

Bronnen

Uitspraak_zaaknummer l-JAA 24 / 1113 NATUUR Rechtbank Noord-Holland van 26 februari 2026