De Afdeling verklaart het hoger beroep van Stichting Dierenrecht ongegrond en laat de Friese opdracht uit 2005 om verwilderde katten te bejagen in stand.
Kern van de zaak
– In 2005 gaf Fryslân op basis van de Flora- en faunawet een opdracht af om verwilderde katten te bejagen ter voorkoming van faunaschade; die opdracht geldt nu via overgangsrecht onder de Wet natuurbescherming als opdracht ex artikel 3.18 Wnb.
– Stichting Dierenrecht vroeg in 2022 om intrekking van die opdracht, met een beroep op nieuw faunabeleid (Nota Faunabeleid Fryslân 2021), de ontwikkeling en inzet van TNR‑C, en veranderde maatschappelijke opvattingen over het doden van dieren.
Standpunt provincie en rechtbank
- Het college weigerde intrekking, met het argument dat de opdracht onherroepelijk is en er geen relevante gewijzigde omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onder d, Wnb.
- De rechtbank Noord‑Nederland oordeelde dat:
- de Nota Faunabeleid geen materiële beleidswijziging vormt ten aanzien van het bejagen van verwilderde katten, mede omdat een motie om met bestrijding te stoppen in 2021 is verworpen;
- algemene verwijzingen naar veranderende maatschappelijke opvattingen en beleid in andere provincies onvoldoende zijn om een relevante beleids- of omgevingswijziging aan te tonen;
- de onduidelijkheid over exacte faunaschade niet nieuw is ten opzichte van 2005;
- TNR‑C al bestond ten tijde van het besluit uit 2005 en nu slechts aanvullend wordt toegepast, zodat ook dit geen relevante nieuwe omstandigheid is;
- niet is aangetoond dat het in stand laten van de opdracht evident onredelijk is of in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Hoger beroep Stichting Dierenrecht
In hoger beroep herhaalt de stichting vooral dat:
- de Nota wel degelijk een materiële beleidswijziging zou zijn;
- TNR‑C nu een volwaardig alternatief zou vormen dat in 2005 nog niet in deze vorm bestond en pas sinds 2021 in Fryslân wordt toegepast;
- maatschappelijke opvattingen over het doden van dieren zijn gewijzigd, onderbouwd met een petitie, moties in de Tweede Kamer, het stoppen met bejaging in andere provincies en onderzoek van de Raad voor Dieraangelegenheden.
Oordeel van de Afdeling
- De Afdeling stelt vast dat de hoger‑beroepsgronden vrijwel een herhaling zijn van het beroep en sluit zich aan bij de inhoudelijke beoordeling van de rechtbank.
- Daargelaten of artikel 5.4, eerste lid, onder d, Wnb formeel van toepassing is, is er volgens de Afdeling geen sprake van gewijzigde omstandigheden die nopen tot intrekking of heroverweging van de opdracht uit 2005.
- Ook met de aanvullende stukken in hoger beroep is niet aannemelijk gemaakt dat bij het college sprake is van een zodanig gewijzigde maatschappelijke opvatting over het verjagen van verwilderde katten dat dit tot intrekking zou moeten leiden.
- Het hoger beroep is daarom ongegrond; de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, met verbetering van de motivering, en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Bron:
https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@157238/202405371-1-a3/






