Wat betekent de uitspraak van 26 februari 2026 van het Europese Hof voor het faunabeheer in Nederland?

image_pdfimage_print

Dat uitgangspunt kan ruimte bieden voor een meer evenwichtige benadering van faunabeheer. In Nederland wordt de discussie over beheer en schadebestrijding echter nog vaak gevoerd vanuit het uitgangspunt dat iedere mogelijke verslechtering of verstoring moet worden uitgesloten. De uitspraak van het Hof lijkt voor dat uitgangspunt minder ruimte te laten.

Van één dier naar de populatie

Een belangrijk onderdeel van de uitspraak is dat de bescherming van vogels niet uitsluitend moet worden beoordeeld aan de hand van afzonderlijke exemplaren. Het Hof benadrukt dat het verbod op verstoring betrekking heeft op verstoringen die van wezenlijke invloed zijn op het niveau van de populaties.

Dat onderscheid is van grote betekenis voor het Nederlandse faunabeheer. In de praktijk kan een besluit over beheer of een activiteit soms worden bepaald door de aanwezigheid van één of enkele vogels. Wanneer daardoor bijvoorbeeld werkzaamheden, evenementen of beheermaatregelen worden stilgelegd, kan dat leiden tot disproportionele gevolgen.

De uitspraak geeft aanleiding om opnieuw te bekijken of dergelijke besluiten voldoende rekening houden met de omvang en ontwikkeling van de betreffende populatie. Een individueel dier kan bescherming verdienen, maar dat betekent niet automatisch dat iedere menselijke activiteit in de omgeving moet worden uitgesloten.

Meer ruimte voor beheer en schadebestrijding?

Voor het faunabeheer is vooral van belang dat het Europese Hof ruimte ziet om bij de beoordeling ook rekening te houden met maatregelen die elders de habitat van een soort verbeteren.

Dat kan relevant zijn bij soorten waarvan de populatie zich over meerdere gebieden verspreidt. Wanneer een soort op de ene locatie minder voorkomt, hoeft dat niet zonder meer te betekenen dat iedere activiteit die daar invloed op heeft verboden moet worden. Van belang is ook wat er op populatieniveau gebeurt en welke maatregelen elders worden genomen.

Voor Nederland betekent dit dat het huidige systeem van faunabeheer mogelijk opnieuw tegen het licht moet worden gehouden. Daarbij gaat het onder meer om:

  • beheer van populaties die lokaal voor overlast of schade zorgen;
  • bescherming van landbouwgewassen en veehouderij;
  • beperking van schade aan natuurgebieden;
  • beheer van soorten die lokaal sterk in aantal zijn toegenomen;
  • maatregelen tegen verstoring en schade;
  • en de beoordeling van activiteiten in en rond Natura 2000-gebieden.

Een natuurbeleid dat uitsluitend kijkt naar het voorkomen van iedere mogelijke lokale verstoring kan immers tot een andere uitkomst leiden dan beleid dat het functioneren van populaties en ecosystemen als geheel beoordeelt.

Ook economische en maatschappelijke belangen tellen mee

De Europese vogelrichtlijn heeft niet alleen een ecologische doelstelling. In de uitleg van het Hof wordt ook gewezen op economische en recreatieve eisen.

Dat is relevant voor Nederland, waar faunabeheer direct raakt aan landbouw, natuurbeheer, infrastructuur, recreatie en de leefomgeving van burgers. Het uitgangspunt zou daarom niet moeten zijn dat economische activiteiten automatisch ondergeschikt zijn zodra een beschermde soort aanwezig is.

De vraag zou moeten zijn of een activiteit daadwerkelijk een wezenlijke negatieve invloed heeft op de instandhouding van de betreffende populatie en, zo ja, of die invloed met gerichte maatregelen kan worden voorkomen of beperkt.

Dat vraagt om een meer proportionele beoordeling.

Gevolgen voor provincies en faunabeheereenheden

De uitspraak kan ook gevolgen hebben voor de juridische onderbouwing van provinciale faunabeheerplannen en ontheffingen.

Bij besluiten over populatiebeheer zou nadrukkelijker kunnen worden gekeken naar de totale populatie, de ontwikkeling daarvan en de effecten van beheer op langere termijn. Een lokale aanwezigheid van een soort hoeft dan niet automatisch bepalend te zijn voor het gehele beheerbesluit.

Voor faunabeheereenheden en terreinbeheerders kan dit betekenen dat zij hun onderbouwing meer moeten richten op populatieniveau en op de daadwerkelijke ecologische effecten van een maatregel. Tegelijkertijd blijft een zorgvuldige wetenschappelijke onderbouwing noodzakelijk: de uitspraak betekent niet dat iedere vorm van beheer zonder meer is toegestaan.

Geen vrijbrief voor onbeperkt afschot

De uitspraak moet daarom ook niet worden gelezen als een vrijbrief voor onbeperkt ingrijpen in vogelpopulaties of andere beschermde fauna.

De Europese beschermingsregels blijven bestaan. Het verschil zit vooral in de manier waarop de effecten moeten worden beoordeeld. Niet ieder risico is automatisch een verboden risico en niet iedere verstoring van een individueel dier heeft noodzakelijkerwijs gevolgen voor de populatie.

Voor het Nederlandse faunabeheer ligt hier een belangrijke opdracht: onderscheid maken tussen maatregelen die daadwerkelijk noodzakelijk zijn om populaties en ecosystemen te beschermen en maatregelen die vooral voortkomen uit een streven om ieder denkbaar risico uit te sluiten.

Tijd voor herziening van het Nederlandse beleid

De uitspraak van het Europese Hof geeft Nederland aanleiding om het huidige faunabeleid opnieuw te beoordelen.

Daarbij zouden bestaande beleidsregels, vergunningverlening en juridische adviezen moeten worden getoetst aan de nieuwe Europese uitleg. Het heeft weinig zin om nationaal vast te houden aan strengere uitgangspunten wanneer die niet langer noodzakelijk zijn vanuit het Europese recht.

Voor het faunabeheer zou de kernvraag daarom moeten verschuiven van:

“Kunnen we iedere verstoring van ieder individueel dier uitsluiten?”

naar:

“Heeft deze maatregel daadwerkelijk een wezenlijke invloed op de instandhouding van de populatie, en is ingrijpen proportioneel en ecologisch noodzakelijk?”

Dat is geen keuze voor minder natuur. Het is een keuze voor natuurbeleid dat meer rekening houdt met populaties, ecosystemen en de werkelijkheid buiten de grenzen van één natuurgebied.

De uitspraak van het Europese Hof biedt Nederland daarmee mogelijk meer ruimte voor effectief en proportioneel faunabeheer. Het is nu aan het Rijk, de provincies en de uitvoeringspraktijk om die ruimte ook daadwerkelijk te benutten.