Datum
25-11-2011

Reactie Jachtforum op het wetsvoorstel voor de Wet natuur

Homepage
Nieuwsarchief
In relatie met:
 
 
Het Jachtforum is een onafhankelijk internetforum (www.jachtforum.nl) voor weidelijke (voor)jagers en andere betrokkenen bij en geïnteresseerden in de jacht. Het Jachtforum kent een groot aantal actieve leden met zeer ruime ervaring in de Nederlandse (en buitenlandse) jachtpraktijk.

Ten behoeve van deze reactie is geïnventariseerd welke (praktische) problemen worden ervaren in de huidige Nederlandse jachtpraktijk, alsmede welke ruimte voor (verdere) verbetering in het wetsvoorstel wordt gezien, in het bijzonder met betrekking tot het bepaalde in hoofdstuk 3.

Het Jachtforum betreurt het dat de uitbreiding van wildsoorten beperkt lijkt te zijn tot soorten die verantwoordelijk zijn voor (aanzienlijke) wildschade (welke wildschade na kwalificatie als wildsoort niet meer voor vergoeding door het Faunafonds in aanmerking komt). Hierdoor lijkt de uitbreiding vooral financieel gedreven, terwijl de jacht ons inziens los moet worden gezien van beheer en schadebestrijding. Het argument de jacht te openen op een soort, omdat daarmee schade kan worden beperkt is oneigenlijk, omdat het de primaire functie van de jacht – het bemachtigen van wild – miskent. Het jachtforum ziet graag dat de lijst met wildsoorten wordt uitgebreid tot alle soorten die geschikt zijn voor consumptie, die niet in hun voortbestaan worden bedreigd en waarvoor de jacht niet vanwege internationale verplichtingen is uitgesloten. Een brede(re) lijst van wildsoorten gekoppeld aan de verplichting van de jachthouder een redelijke wildstand te borgen doet recht aan de kennis en kunde van Nederlandse jagers, alsmede de grote investeringen in tijd en geld die zij doen ter bevordering van de fauna en noodzakelijke biotopen.

Exoten dienen ons inziens op grond van een landelijke vrijstelling het gehele jaar te kunnen worden bestreden. Slechts dan bestaat reëel uitzicht op beperking van de stand of het kunnen behalen van een nulstand.

Onder de werking van de Flora- en faunawet blijkt regelmatig bezwaar en beroep te worden ingesteld door een zeer beperkte kring belanghebbenden, hetgeen niettemin grote gevolgen heeft voor de mogelijkheid effectief op te treden tegen dreigende schade. Het verdient aanbeveling besluiten tot beheer en schadebestrijding zoveel mogelijk door middel van verordeningen en ministeriële regelingen tot stand te brengen teneinde de uitvoering daarvan niet afhankelijk te stellen van bestuursrechtelijke procedures.
Een alternatief kan zijn dergelijke beschikkingen uit te zonderen van de mogelijkheid van beroep.

In het wetsvoorstel is de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en vogelbescherming opnieuw als maatgevend kader opgenomen. Deze Benelux-overeenkomst stelt belangrijke beperkingen aan de jacht en beheer en schadebestrijding die (deels) niet meer aansluiten op de actuele inzichten in de jachtpraktijk. Als voorbeeld kan worden genoemd het verbod op het gebruik van een geluiddemper of nachtzichtkijkers. Het gebruik van een geluiddemper draagt in belangrijke mate bij aan het beperken van verstoring door het schot (en daarmee aan de breed gewenste zichtbaarheid van wild), terwijl bijvoorbeeld grofwild hoofdzakelijk nachtactief is en het gebruik van nachtzichtapparatuur bijdraagt aan het zorgvuldig aanspreken en strekken van dit wild. Nu de Benelux-overeenkomst feitelijk achterhaald is doordat de grenzen tussen de betrokken staten reeds uit andere hoofde volledig zijn opengesteld, kan die overeenkomst ons inziens worden beëindigd, zodat niet automatisch rekening meer hoeft te worden gehouden met de daarin opgenomen beperkingen, maar de wetgever een eigen afweging kan maken op grond van actuele inzichten. Dit te meer, omdat het vrij verkeer van wild reeds is ingekaderd op grond van communautaire richtlijnen ter zake levensmiddelenhygiëne (hetgeen in Nederland leidde tot de introductie van zogeheten gekwalificeerde personen). De ratio achter de Benelux-overeenkomst is, kortom, door de tijd ingehaald.

Minst genomen zou de ruimte die de Benelux-overeenkomst biedt om lokmiddelen (zoals lokfluiten) toe te staan, moeten worden benut door lokmiddelen in artikel 3.19 lid 1 van het wetsvoorstel uitdrukkelijk als geoorloofd middel bij de jacht aan te merken. Het tweede lid van artikel
3.19 is daarentegen nu te beperkend geformuleerd, doordat daarmee in enge zin bijvoorbeeld jachtkleding verboden is in het veld.

Voor wat betreft de toegestane maximale hageldiameter van thans 3,5 millimeter wordt opgemerkt dat dit maximum ongewijzigd is overgenomen uit de (oude) Jachtwet en bijbehorende uitvoeringsregelgeving, terwijl die diameter is vastgesteld op een moment dat nog met loodhagel mocht worden geschoten. Lood heeft een substantieel hoger soortelijk gewicht dan de thans gebruikelijke staalhagel, zodat de maximale toegestane diameter zou moeten worden verhoogd tot bijvoorbeeld 4,5 millimeter teneinde een soortgelijk dodelijk effect te bewerkstelligen. Een goed dodelijk schot (in het bijzonder bij weerbare soorten als ganzen en vossen) is een belangrijke voorwaarde voor een weidelijke jachtuitoefening.

Aansluiting bij het begrip bebouwde kom uit de Wegenverkeerswet 1994 in artikel 3.19 lid 4 draagt bij aan duidelijkheid, maar het begrip “de onmiddellijk aan de bebouwde kom grenzende terreinen” laat daarentegen weer ruimte voor (mis)interpretatie. Het verdient daarom de voorkeur een objectie maatstaf te introduceren, bijvoorbeeld 50 meter gemeten vanaf bouwwerken die voor bewoning bestemd zijn. Het beoogde doel – inachtneming van een veilige afstand tot bebouwing – is daarmee geborgd.

Het verbod op zondag te jagen vindt onvoldoende steun meer in de huidige geseculariseerde samenleving. In die regio’s waar de zondagsrust van belang wordt geacht, kan de jachthouder zelf besluiten op zondag niet te jagen, dan wel kan degene die de jacht aan de jachthouder verhuurd een dergelijk verbod opnemen in de jachthuurovereenkomst. Ten minste zou beheer en schadebestrijding op zondag mogelijk moeten zijn, nu schade op alle dagen van de week optreedt.

Naast het ree en het damhert zouden ook de jacht op het wild zwijn en het edelhert onderworpen moeten zijn aan een goedgekeurd afschotplan als bedoeld in artikel 3.21 lid 1 van het wetsvoorstel.

Het zou naar onze mening op grond van artikel 3.26 lid 2 ook mogelijk moeten zijn een jachtakte te verkrijgen, indien een aanvrager alleen de mogelijkheid heeft tot beheer of schadebestrijding (maar nog niet de mogelijkheid tot jacht). Mogelijkheden schade te bestrijden zijn in Nederland aanzienlijk ruimer voor handen dan jachtvelden, zodat de koppeling met het beschikken over jachtmogelijkheid nodeloos de groep personen beperkt die kunnen bijdragen aan effectief beheer en schadebestrijding.
Uitgangspunt in het wetsvoorstel zou dienen te zijn dat jachthouders automatisch bevoegd zijn tot beheer en schadebestrijding zonder daartoe een afzonderlijke grondgebruikersverklaring benodigd te hebben. Verder zouden geweerdragers die in aanwezigheid van de jachthouder zijn eveneens gerechtigd moeten zijn tot beheer en schadebestrijding. De grondgebruikersverklaring is dan enkel noodzakelijk voor geweerdragers die buiten aanwezigheid van de jachthouder beheer en schadebestrijding uitvoeren. Een dergelijke regeling voorkomt nodeloze rompslomp en sluit aan bij de huidige regeling omtrent jacht in aanwezigheid van de jachthouder.

Het verbod op bijvoeren uit artikel 3.30 lid 1 dient te worden geschrapt.
De jachthouder is verantwoordelijk voor een goede wildstand in zijn veld.
Mede als gevolg van de intensieve veehouderij en monoculturen zijn geschikte biotopen voor het wild schaars geworden. Bijvoeren, alsmede het aanleggen van wildakkers, teneinde een goede wildstand te bereiken moet dientengevolge mogelijk zijn. Slechts wanneer bijvoeren leidt tot een te hoge wildstand bestaat een goede grond daaraan beperkingen te stellen.

Nu wilde zwijnen, edelherten en reeën tot de wildsoorten gaan behoren en jachthouders aansprakelijk kunnen zijn voor eventuele schade als gevolg van een te hoge stand, dienen jachthouders over goede mogelijkheden te beschikken de stand van deze soorten effectief in te perken. Om die reden verdient het aanbeveling de drijf- en drukjacht op grofwild opnieuw toe te staan, gekoppeld aan een verplicht zwartwildbrevet, opdat de jagers die deze jachtvorm uitoefenen vooraf aantonen daartoe geschikt te zijn. Minst genomen dient de drukjacht als omschreven in artikel 3.31 lid 2 gekoppeld te worden aan een bepaalde oppervlakte, zodat duidelijk is binnen welk gebied drijver en jager actief mogen zijn.

Voor wat betreft de mogelijke aansprakelijkheid voor schade als gevolg van een te hoge wildstand dient duidelijker onderscheid te worden gemaakt in standwild en trekwild. Met name voor wat betreft het trekwild hebben de inspanningen van een individuele jachthouder in een specifiek jachtveld niet of nauwelijks invloed op de daar aanwezige wildstand (die naar de aard der zaak fluctueert als gevolg van trekbewegingen). Dit geldt in het bijzonder voor de ganzensoorten, aangezien de ganzenstand als gevolg van jachtbeperkingen die eind jaren negentig van de vorige eeuw door de wetgever zijn ingevoerd enorm is geëxplodeerd en de Nederlandse jagers hierop als gevolg van de hen opgelegde beperkingen geen noemenswaardige invloed hebben kunnen uitoefenen.

Nu de beslissing al dan niet over te kunnen gaan tot beheer en schadebestrijding grotendeels aan de provincies wordt overgelaten, dient uit het wetsvoorstel duidelijk te volgen dat wanneer een provincie geen effectieve mogelijkheden openstelt voor beheer en schadebestrijding ten aanzien van een bepaalde soort, de provincie aansprakelijk is voor alle schade die deze soort veroorzaakt. Het Jachtforum ziet graag dat de huidige landelijke vrijstellingslijst wordt gecontinueerd nu de daarin opgenomen soorten niet nopen tot afwegingen op decentraal niveau.

Voor wat betreft de verplichtingen van jachthouders dient in het wetsvoorstel te worden verduidelijkt dat de grote terrein beherende organisaties (TBO’s) verplicht zijn een goede wildstand na te streven en mede daartoe effectief beheer en schadebestrijding dienen uit te voeren.
Op die manier worden “kraamkamers” voor schadelijke soorten als bijvoorbeeld ganzen, kraaien en vossen voorkomen. Ten aanzien van de TBO’s zou een wettelijke verplichting daadwerkelijk invulling te geven aan het jachthouderschap zinvol zijn.

Werkgroep Wet Natuur Jachtforum