Tekst: Joke van der Giessen, RIVM Het is meer dan 10 jaar geleden dat de parasiet E. multilocularis (vossenlintworm) voor het eerst werd gevonden in vossen in Limburg en Groningen. De vossenlintworm kan bij de mens leiden tot een ernstige leveraandoening, alveolaire echinococcose genaamd. In dit artikel worden de resultaten gepresenteerd van het onderzoek dat afgelopen seizoen is gedaan naar het voorkomen van E. multilocularis bij vossen in de grensstreek met Duitsland. Tijdens onderzoek in de grensgebieden in de periode 1996 – 1997 werden vijf besmette vossen gevonden, twee in Groningen en drie in Limburg. Allemaal besmet met een laag aantal volwassen wormen in hun darmen. Om verdere verspreiding in Nederland te kunnen nagaan, zijn in 1998 op de Veluwe en in de kustgebieden vossen onderzocht, maar daarbij zijn geen besmette dieren gevonden. Sindsdien zijn er in Limburg nog twee surveillanceprojecten uitgevoerd en nog één in Groningen. De laatste surveillance in kleine delen van Limburg (2005 – 2006) bevestigt de aanwezigheid en verdere verspreiding van de parasiet in deze regio. In figuur 1 is de geografische verspreiding van de tot 2006 onderzochte vossen aangegeven, de cirkel in Groningen geeft de mogelijk verdere verspreiding uit voorspellende modellen van de vossenlintworm aan. In 2008 is de eerste humane patiënt met een ernstige leveraandoening, alveolaire echinococcose, gesignaleerd in Limburg. Beroep op jagers en WBE’s Het doel van het onderzoek in een deel van de grensstreek met Duitsland in 2010-2011 is om te bestuderen of E. multilocularis zich heeft verspreid c.q. voorkomt in deze streek. Het onderzochte grensgebied bestaat uit een een smalle band van circa 15 km langs de Nederlands-Duitse grens, exclusief Groningen en Zuid-Limburg. In figuur 1 is te zien, waar WBE’s en jagers zijn gevraagd om mee te werken aan het onderzoek (paarse grensgebied) . In de periode oktober 2010 tot en met maart 2011 was het de bedoeling om 300 vossen voor dit onderzoek te verzamelen. Aan de jagers uit dit onderzoeksgebied (het paarse gebied op het kaartje in figuur 2) werd gevraagd om geschoten vossen ter beschikking te stellen voor dit onderzoek. Geschoten vossen werden na aanmelding opgehaald door een koerier van de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD). De vossen werden tijdelijk opgeslagen in een vriezer van de GD en wekelijks werden ze vervolgens naar het RIVM gebracht. De dieren zijn bij het RIVM eerst minimaal een week bij -80o C ingevroren om te zorgen dat eventueel aanwezige vossenlintwormeieren werden gedood, zodat deze geen risico meer vormen. Daarna werden de vossen naar het Dutch Wildlife Health Centre van de Faculteit Diergeneeskunde, afdeling Pathologie, gebracht waar de secties zijn uitgevoerd. Achterhoek Uiteindelijk zijn 260 vossen verzameld voor het onderzoek. De meeste zijn afkomstig uit het noordelijk en zuidelijk deel van het grensgebied (zie figuur 2). Dit is vergelijkbaar met het eerste grensgebiedonderzoek in 1996. We wilden in dit onderzoek echter ook vossen onderzoeken uit het gebied waar in het eerste onderzoek minder dieren zijn verzameld, in de Achterhoek. Tijdens het onderzoek is daarom herhaaldelijk een oproep gedaan, telefonisch en via de website, om uit de Achterhoek en Twente meer vossen aan te leveren. Uiteindelijk zijn toch meer vossen verzameld in vergelijking met het eerste onderzoek, maar het aantal aangeleverde vossen in deze twee regio’s is nog steeds minder groot dan gewenst. Van 259 vossen zijn de darmen microscopisch op het voorkomen van de vossenlintworm onderzocht en daarnaast is de inhoud van het laatste deel van de darm ook nog onderzocht met een methode waarbij het DNA van de vossenlintworm heel specifiek kan worden aangetoond. Deze laatste methode is nauwkeuriger dan het microscopisch onderzoek, maar wel veel bewerkelijker. Dit is ook de reden dat de resultaten van dit onderzoek pas veel later bekend zijn geworden. Resultaten van het onderzoek Alle onderzochte vossen uit het grensgebied waren microscopisch negatief, dat wil zeggen dat geen vossenlintwormen in de darmen zijn aangetoond. Met de DNA-methode bleek één vos positief te zijn. Dit onderzoek is meermalen herhaald om absoluut zeker te zijn dat de juiste vos positief werd bevonden. Deze positieve vos is afkomstig uit een regio nabij Staphorst, die eigenlijk buiten het onderzochte grensgebied ligt. De vraag is waar deze vos vandaan komt. Hoewel slechts drie vossen in dit gebied zijn onderzocht, lijkt het meer aannemelijk dat de vossenlintworm vanuit het eerder positief bevonden gebied in Oost-Groningen is verspreid dan een verspreiding vanuit de grensstreek, omdat alle vossen tussen deze positieve vos en de grensstreek negatief zijn. Dit zal nog verder onderzocht moeten worden. In totaal zijn 259 vossen onderzocht en uit statistisch oogpunt is dit voldoende om met een 95% betrouwbaarheid te kunnen zeggen dat de prevalentie in het grensgebied tussen de 0.02% - 1.7% ligt. Dit betekent dat de vossenlintworm in dit grensgebied zeer sporadisch voorkomt en het risico in het grensgebied voor de mens daarmee ook erg klein is om besmet te raken met de vossenlintworm. Feit blijft dat de vossenlintworm in het Duitse deel van het grensgebied aanwezig is, het advies om vossen altijd met plastic handschoenen aan te pakken blijft uiteraard onverminderd van kracht. Meer informatie over het vossenonderzoek en de vossen- lintworm is tot eind 2011 te vinden op de website: http://www.rivm.nl/cib/themas/Vossenonderzoek/ en op www.ziekdoordier.nl Met dank aan: Dit onderzoek is niet mogelijk zonder de inzet van heel veel mensen. Met dank aan alle jagers voor het ter beschikking stellen van de vossen. Margriet Montizaan, KNJV, voor de medewerking bij de opzet van het onderzoek. Prof. A. Gröne (Dutch Wildlife Health Centre, Faculteit Diergeneeskunde) voor het ter beschikking stellen van de sectiezaal en de fijne medewerking van alle sectiezaalmedewerkers. Leo Dekkers en Paul Wever van de Gezondheidsdienst voor Dieren voor de coördinatie van het vossentransport. Nicole van Hulst en Peter Kikkert, beiden student, die geweldig aan het onderzoek hebben bijgedragen. Marieke Opsteegh, Cecile van Dam, Katsuhisa Takumi en Merel Langelaar van het RIVM en Jaap Mulder (Bureau Mulder-natuurlijk) voor hun excellente bijdragen aan het onderzoek. Wim Ooms, nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit, voor het financieel mogelijk maken van dit onderzoek. ■ |