| Datum 11-04-2010 | NOJG betrokken bij co-creatie sessie exoten voor de intregatie nieuwe wet natuur | ||||
| Op 24 maart was de NOJG op uitnodiging van het ministerie van LNV aanwezig bij de co-creatiesessie over het nieuwe te formuleren advies aan de Minister van LNV over het toekomstige beleid voor exoten in de nieuwe "wet Natuur". Bij deze sessie waren betrokkenen uit diverse belangengroeperingen aanwezig. De NOJG vertegenwoordigde hierbij samen met de KNJV de belangen van de jagers in Nederland. Nu wordt het exotenbeleid volgens de bestaande elementen van de FF-wet uitgevoerd. Artikel 14 FF-wet handelt over preventie, artikel 67 over bestrijding en beheer. Verder is nog de zorgplicht en regulering van gebruik en middelen opgenomen. Geadviseerd wordt een apart stuk in de wet over exotenbeleid te maken. Preventie blijft ongewijzigd in de nieuwe wet Natuur. Het gebruik van middelen blijft gereguleerd. Voor beheer en jacht blijven ook aparte regimes bestaan. Hier komt een vierde pijler bij: de exoten. Preventie is een wezenlijk element in exotenbeleid. Wanneer komt er dan wel een discussie over preventie? De veelgehoorde mening is dat de Overheid te weinig aan preventie doet. De wet biedt echter wel de mogelijkheid te reguleren, maar hier wordt weinig gebruik van gemaakt. De Overheid vraagt over de vierde pijler wat erin moet, wat niet en wat de toon moet zijn. Alle signalen zijn van waarde voor de weging en de definitie. De aanwezigen krijgen de opdracht met ideeën te komen voor de vier vragen zoals geformuleerd in de discussienota (pagina 4): 1. Wat vindt u van het huidige artikel 67 Flora en faunawet in relatie tot het bereiken van een nulstand van invasieve exoten (bestrijding)? Kan het anders en zo ja, hoe? 2. Wat vindt u van het huidige artikel 67 in relatie tot het beheersen van (invasieve) exoten? Kan het anders en zo ja, hoe? 3. Wat vindt u ervan dat er in de huidige situatie een zorgplicht geldt voor exoten? Vindt u dat in het wetsvoorstel een zorgplicht moet gelden voor exoten? 4. Vindt u dat de middelen voor het bestrijden en beheersen van exoten gereguleerd moeten worden op dezelfde manier als voor beschermde soorten? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Een deelnemer merkt op dat men ook eens kan kijken hoe het in België en Duitsland is geregeld. Als die landen diersoorten verbieden en Nederland niet (of andersom) dan hebben we in Nederland een probleem. Iemand anders stelt dat preventie belangrijk is. Er is beleidsruimte voor een houdverbod maar als dat in de buurlanden niet het geval is dan heeft het geen zin. Er zou beleid gemaakt moeten worden waarbij men niet eerst het probleem naar Nederland toe laat komen maar waarbij men preventie laat prevaleren. Co-creatiesessie exoten deel 3 ; Presentatie werkgroepen en discussie Henk Smit begint met de aanwezigen te vragen naar hun ervaring in de werkgroepen. Uit de werkgroepen komen de volgende reacties: ·
Groep 1 heeft de verschillende reacties (op de geeltjes) gegroepeerd naar een aantal grotere problemen met de bijbehorende oplossingsrichtingen.
In werkgroep 2 stond vraag 2 uit de discussienota centraal: Wat vindt u van het huidige artikel 67 in relatie tot het beheersen van (invasieve) exoten? Kan het anders en zo ja, hoe? Groep 2 stelde een aantal opdrachten in de beheersingsfase vast die groep 1 zojuist ook noemde. · In eerste instantie waaide de meningen alle kanten op. Bij de eindconclusie bleek dat de centrale rol van het ministerie van LNV (centrale overheid) de groep bond. Een goede inventarisatie, monitoring onderzoek en advisering is nodig. Daarvoor heeft groep 2 ‘Het "Instituut exoten" in het leven geroepen; · De centrale overheid en haar beleid moet heel ver gaan en de Provincies moeten de verplichting (‘het moet čcht’) krijgen de beheersingsfase ten uitvoering te brengen. Daar hoort geld bij; · Beroepsrecht. De hele groep meent dat het aanwijzen van een soort moet worden voorzien van een mogelijkheid tot beroep. Dit beroep moet gelden in alle fases tot en met het plan van aanpak; Dit is een grote verandering ten opzichte van de Flora en faunawet (FF-wet). Decentralisatie van taken is een zware aanbeveling van groep 2; Groep 2 heeft bij de uitvoering van de Provincie stilgestaan. Als de beheersing van exoten een landelijke behoeft dan moet men zorgen dat alle Provincies dat ook doen. Als die aanpak niet noodzakelijk is dan moet het anders worden ingericht; De aanbeveling van groep 2 luidt: regel landelijk dat iets moet gebeuren maar wees niet rigide in de uitvoering. Ga niet tot het uiterste om iemand te verplichten het een en ander te doen; ·De werkgroep is van mening dat artikel 67 niet echt past bij de kwestie rond de exoten. Het zou beter zijn de aanpak van de exoten apart te onderscheiden in de wet. Bijvoorbeeld ten aanzien van de middelen kan met breed naar de exoten kijken en dit een aparte plaats (misschien met een uitvoeringsbesluit) in de wet geven; Tot slot kwamen er nog twee elementen uit de discussie:--De visserijwet versus De wet Natuur. Welke hoort in welke en waarom? Moeten de uitgezette inheemse diersoorten een plaats hebben in de wet? Voor werkgroep 3 was de vraag: Wat vindt u ervan dat er in de huidige situatie een zorgplicht geldt voor exoten? Vindt u dat in het wetsvoorstel een zorgplicht moet gelden voor exoten? Het antwoord op deze centrale vraag is volgens groep 3: ‘ja’. Hierbij zijn een aantal haken en ogen benoemt. Bij dit antwoord kwam meteen de vraag over de middelen op. Middelen zijn verboden maar dan blijft de bestrijding vaak steken en gebeurt er niets. Dit was in de groep een belangrijk knelpunt. · Deze groep heeft zich vooral beziggehouden met de zorgplicht en stelt dat daar bij de exoten even zorgvuldig mee omgaan dient te worden als bij de inheemse soorten.Er moet een lijst komen met invasieve exoten die bestreden moeten worden. Tenzij de exoten op die lijst staan moet niet meteen tot bestrijding worden overgegaan. De groep pleit verder voor:
Voor werkgroep 4 stond de laatste vraag uit de discussienota centraal: Vindt u dat de middelen voor het bestrijden en beheersen van exoten gereguleerd moeten worden op dezelfde manier als voor beschermde soorten? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? ·
Uit de vier presentaties zijn gezamenlijke punten te halen:
Uit evaluatie blijkt dat men moet uitkijken niet de modebeelden te volgen.Staatsbosbeheer krijgt via de wet Natuur voor wat betreft exoten een dwingend verzoek en daarnaast moeten de natuurdoelen worden gehaald die zijn opgedragen. Bij beheersing moeten ook andere belangen worden afgewogen. Er zijn ook economische en capaciteitsproblemen bij de uitvoering. Elimineren moet en daar kan men ook mee aan de slag. Bij elimineren gaat het algemeen belang gaat boven dat van terreinbeheer, pas bij beheersen is er een mogelijkheid voor uitzonderingen. Het oprichten van een instituut is genoemd in de presentaties. Van dit instituut komt de kennis die nodig is om het probleem in kaart te brengen. Deze nieuwe instantie moet een plaats krijgen in de wet, vinden enkele aanwezigen. Mr. Niels Berg brengt daar tegenin dat een wet er is om gedrag te reguleren. Voor een kennisinstituut is geen wet nodig, dat is meer iets feitelijks dat de overheid moet regelen. Toch is het nu al zo dat er bij wet is geregeld dat er instituten zijn die kennis hebben. Het elimineren van een soort is nogal wat en dat kan niet zomaar. Daar is zorgvuldig, politiek onafhankelijk beleid voor nodig. Dit maakt dat er stemmen opgaan voor een kennisinstituut dat bij wet geregeld is. De instelling van een kennisinstituut is zo zwaar dat de overheid moet worden overtuigd dit bij wet te regelen. Zo niet dan wordt elke beslissing van de Minister aangevochten. Er is draagvlak nodig en dit geeft een effectieve manier om de consensus te organiseren. In de groepspresentatie is gesproken over lijsten met per soort de middelen die ingezet mogen worden. De bedoeling is om de inzet van middelen uniform en snel te maken. Nu zijn er verschillende interpretaties van de Provincies. Met een dergelijke lijst kan iedereen lezen hoe het moet en is het voor iedereen toepasbaar. Een aantal tegenargumenten wordt gehoord:
Geconcludeerd wordt dat men in de zaal eigenlijk hetzelfde zegt maar van mening verschilt over de manier waarop het wordt vastgelegd. Er zijn verschillende instituten betrokken bij het beheren van de soort. Bij de één is er wel een beroepsmogelijkheid, bij de andere niet. De deelnemers zijn het erover eens dat er algemene voorwaarden moeten zijn die aan een middel gesteld dienen te worden. Het juridische instrument dat wordt ingezet moet voldoen aan de voorwaarden van snelle slagvaardigheid, een mogelijkheid tot beroep en effectiviteit. Een voorstel is om een besluit op basis van artikel 67 vast te leggen waarbij de Minister soort, middel en voorwaarde noemt. Dit is effectief en snel en voor beroep vatbaar.De FF-wet beschermt inheemse diersoorten, de exoten vallen hier niet onder. Die mogen gedood worden met middelen die algemeen zijn toegestaan. Het jachtgeweer is niet toegestaan.De zorgplicht geldt ook voor niet-inheemse soorten. Als het niet per soort wordt vastgesteld kan er ook een middelenlijst worden opgesteld. Dit voorstel krijgt geen bijval van de meerderheid in de zaal. Voor de beheerfase per soort een lijst van middelen opstellen overtuigt niet. Men stelt dat de middelen moeten worden aangepast aan het doel. Een koppeling tussen de soortenlijst en middelen is niet nuttig. De zoetwaterkreeft, bijvoorbeeld doet dingen die we niet kennen en die we niet weten te bestrijden. Samenvattend: Wil men snelheid maken en selectief zijn, dan wil men de kennis op de goede plek hebben en niet op voorhand allerlei zaken vastleggen. Het is van belang een middelenlijst op te stellen omdat er veel middelen zijn die schadelijk zijn voor andere soorten. Men zou ook een lijst kunnen opstellen met middelen die niet selectief genoeg zijn en dus schadelijk voor andere soorten. Het kennisinstituut kan hierover toch ook met een advies komen, maar heeft geen wettelijke bevoegdheid. Concluderend: Dit punt kent meerdere kanten. De deelnemers vinden het belangrijk dat kennis en expertise van een instituut op de goede plek terecht komt. Er zijn geen harde argumenten waarom de lijst zelf in de wet moet staan maar wel argumenten over de criteria om tot een lijst te komen. Het voordeel van het opstellen van een middelenlijst is dat het duidelijk is voor de handhaver. Zonder de lijst, echter, heeft men de flexibiliteit om in te spelen op de situatie en nieuwe inzichten. Ten aanzien van de zorgplicht stelt men: als de zorgplicht een belemmering vormt om op te treden tegen invasieve exoten dan moet deze niet aangehouden worden. De zorgplicht geldt ook voor exoten, wordt daar tegenin gebracht. Soms levert dat een dilemma op. Bij het overzetten van dieren van de ene sloot naar de andere komt men ook de Amerikaanse rivierkreeft tegen. Die willen we in Nederland elimineren. Dan komt de vraag op: Zet je die kreeft dan over (conflict met invasieve exoten) of niet (conflict met zorgplicht)? Niet iedereen ziet dit dilemma omdat, zo wordt gesteld, de zorgplicht ruimte heeft voor afweging als er belangen zijn die zwaarder wegen. Men trekt de conclusie dat de reden van bestrijding in de definitie van de zorgplicht moet worden opgenomen. Hierbij blijft het ‘voorkomen van onnodig lijden’ overeind staan. ‘Snel en effectief bestrijden’ is ook van groot belang. Doet men dat niet dan volgt een conflict met de zorgplicht. Concluderend: de principes van de zorgplicht zijn uniform, alleen de toepassing binnen het domein van exoten moet nog goed bekeken worden. Uit de sessies van de werkgroepen zijn nog een aantal losse punten gekomen:
Op het gebied van uitvoering en handhaving wil men de wetgevers vooral meegeven dat duidelijkheid van groot belang is. De wet zou regelmatig, bijvoorbeeld eens in de twee jaar een update moeten krijgen. Samenvattend moet er een evenwicht zijn tussen de pretenties van de wet en de middelen die worden ingezet. Daarnaast is flexibiliteit van belang. Nu leeft de indruk dat het Ministerie uitgaat van een onveranderlijke natuur. Dat is niet zo. Ook op gebied van wetenschappelijke inzichten van de natuur verandert er veel. Door de starheid van de huidige FF-wet kan er niets aangepast worden. Preventie van uitbreiding van de exoten is erg belangrijk. Dit kan alleen met goede voorlichting. Er is veel steun onder de deelnemers voor een positieflijst van exoten hoewel dit bij sommige soorten zoals de kreeften direct problemen oplevert. Er zijn er zoveel die niet schadelijk zijn dat hier een negatieflijst veel beter zou zijn. Alleen voor zoogdieren zou een positieflijst werken. Het voorstel is om het proactief te bekijken per soortgroep en niet de soort zelf. Hierbij wordt opgemerkt dat gehandeld moet worden in de geest van de wet en dat niet alles dichtgetimmerd moet worden. Concluderend stelt Henk Smit dat er goede argumenten zijn voor een positieflijst en ook voor een soort ‘superzwarte’ lijst. Hier moet nader naar gekeken worden. Tot slot vraagt Henk Smit de juristen naar hun ervaringen vandaag. Zij vinden de manier waarop mensen open met elkaar discussieerden bijzonder. Er zijn beleidsmatig nog aardig wat bespreekpunten over. Over een Instituut voor invasieve exoten is men goed te spreken. Het valt op dat er een roep om regie door de Rijksoverheid klinkt. Dat wordt als een probleem gezien en daar moet aandacht aan besteed worden. Het was voor de juristen een leerzame dag. Mr. Niels Berg sluit de dag af. Hij bedankt de deelnemers voor het meedenken aan dit onderwerp. Men was erg enthousiast en bereidwillig om mee te denken en naar elkaar te luisteren. Er zijn inhoudelijk veel punten gewisseld. Het is lastig te voorspellen wat het ministerie van LNV met alle opmerkingen en argumenten doet. Men moet echt wachten tot een volgend Kabinet. Het advies aan de Minister is nog steeds om de tussenproducten met de stakeholders te bespreken. Het was nu nog abstract zodra de wetteksten kunnen worden voorgelegd zal dit een verdieping geven. |