Datum
11-04-2010
NOJG betrokken bij co-creatie sessie exoten voor  de intregatie nieuwe wet natuur
Startpagina
Nieuwsarchief
In relatie met:
 
 

Op 24 maart was de NOJG op uitnodiging van het ministerie van LNV aanwezig bij de co-creatiesessie over het nieuwe te formuleren advies aan de Minister van LNV over het toekomstige beleid voor exoten in de nieuwe "wet Natuur". Bij deze sessie waren betrokkenen uit diverse belangengroeperingen aanwezig. De NOJG vertegenwoordigde hierbij samen met de KNJV de belangen van de jagers in Nederland.

De wet Natuur is een integratie van de natuurwetgeving en komt voort uit een evaluatie van de bestaande natuurwetgeving. De belangrijkste aanbeveling uit die evaluatie is om de wet hanteerbaarder te maken in praktijk. In juni 2009 is het plan van aanpak naar de Tweede Kamer gestuurd. Daarop kwam het verzoek terug om aandacht en ruimte voor consultatie te maken door tussenproducten aan de stakeholders voor te leggen. De geplande klankbordgroep in december 2009 is afgezegd wegens andere prioriteiten. Daarvoor in de plaats is de co-creatiesessie gekomen. In mei 2010 zou weer tussenproduct worden opgeleverd maar de demissionaire status van het Kabinet maakt dat er nu geen stukken naar buiten gaan.
De huidige minister benadrukt dat de nieuwe Natuurwet nodig is en verzoekt vooral hieraan door te werken. Met het voorleggen van stukken aan de klankbordgroepen moet worden gewacht tot er een nieuw Kabinet is geďnstalleerd. Het is aan de nieuwe minister om de lijnen uit te zetten. Aan de nieuwe minister wordt geadviseerd om ruimte te houden voor de klankbordgroepen. Co-creatiesessies worden georganiseerd om stakeholders ruimte te geven hun input te geven en te horen welke onderwerpen breed de aandacht krijgen. Er is veel nationale ruimte om dit naar de wet te vertalen. Het doel van deze co-creatiesessie is om te kijken of tot een invulling van het beleid kan worden gekomen waar iedereen een goed gevoel bij heeft. In de uitnodiging wordt gesproken over een eensluidend advies dat zwaarwegend zal zijn bij de invulling van de nieuwe wet. Dit is door de huidige demissionaire status van het Kabinet iets veranderd, maar niettemin is het advies uit de co-creatiesessie erg belangrijk.

Mr Niels Berg de projectleider LNV voor de integratie Wet Natuur, lichtte de inhoud van de discussienota toe: Exoten zijn uitheemse planten, dieren of micro-organismen die Nederland niet op eigen kracht en door menselijk handelen bereiken. Een exoot is invasief als deze zich na vestiging explosief ontwikkelt. Invasieve exoten kunnen een bedreiging vormen voor de inheemse biodiversiteit, de volksgezondheid en veiligheid. (discussienota 2.1) Mr Niels Berg stelde dat de habitatrichtlijn bijlage 4 soort in principe geen exoot kan zijn. Maar hier komt nog discussie over, wat ook bleek uit de reacties uit de zaal op deze stelling. Hij lichtte toe dat dit de werkdefinitie is die in de beleidsnotitie en de toekomstige wet Natuur wordt gehanteerd.

In 2007 verscheen de beleidsnota voortkomend uit de evaluatie van de bestaande natuurwetten. Hierin staat de aanbeveling om een transparante regeling voor exotenbeleid te maken. Hier wordt een vertrapte aanpak gevolgd:
--Preventie, als dat niet lukt: bestrijding, lukt dat ook niet dan: beheer.

Nu wordt het exotenbeleid volgens de bestaande elementen van de FF-wet uitgevoerd. Artikel 14 FF-wet handelt over preventie, artikel 67 over bestrijding en beheer. Verder is nog de zorgplicht en regulering van gebruik en middelen opgenomen. Geadviseerd wordt een apart stuk in de wet over exotenbeleid te maken. Preventie blijft ongewijzigd in de nieuwe wet Natuur. Het gebruik van middelen blijft gereguleerd. Voor beheer en jacht blijven ook aparte regimes bestaan. Hier komt een vierde pijler bij: de exoten.

Preventie is een wezenlijk element in exotenbeleid. Wanneer komt er dan wel een discussie over preventie? De veelgehoorde mening is dat de Overheid te weinig aan preventie doet. De wet biedt echter wel de mogelijkheid te reguleren, maar hier wordt weinig gebruik van gemaakt. De Overheid vraagt over de vierde pijler wat erin moet, wat niet en wat de toon moet zijn. Alle signalen zijn van waarde voor de weging en de definitie.

De aanwezigen krijgen de opdracht met ideeën te komen voor de vier vragen zoals geformuleerd in de discussienota (pagina 4):

1.    Wat vindt u van het huidige artikel 67 Flora en faunawet in relatie tot het bereiken van een nulstand van invasieve exoten (bestrijding)? Kan het anders en zo ja, hoe?

2.    Wat vindt u van het huidige artikel 67 in relatie tot het beheersen van (invasieve) exoten? Kan het anders en zo ja, hoe?

3.    Wat vindt u ervan dat er in de huidige situatie een zorgplicht geldt voor exoten? Vindt u dat in het wetsvoorstel een zorgplicht moet gelden voor exoten?

4.    Vindt u dat de middelen voor het bestrijden en beheersen van exoten gereguleerd moeten worden op dezelfde manier als voor beschermde soorten? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?

Een deelnemer merkt op dat men ook eens kan kijken hoe het in België en Duitsland is geregeld. Als die landen diersoorten verbieden en Nederland niet (of andersom) dan hebben we in Nederland een probleem. Iemand anders stelt dat preventie belangrijk is. Er is beleidsruimte voor een houdverbod maar als dat in de buurlanden niet het geval is dan heeft het geen zin. Er zou beleid gemaakt moeten worden waarbij men niet eerst het probleem naar Nederland toe laat komen maar waarbij men preventie laat prevaleren.

Co-creatiesessie exoten deel 3 ; Presentatie werkgroepen en discussie  

Henk Smit begint met de aanwezigen te vragen naar hun ervaring in de werkgroepen.

Uit de werkgroepen komen de volgende reacties: ·        

  • Er is goed met elkaar gesproken en naar elkaar geluisterd. ·        
  • Op hoofdlijnen is men het met elkaar eens. De dilemma’s leveren een stroevere discussie op. Er zijn nog allerlei punten die men vanochtend niet in de werkgroep kwijt kon. ·        
  • Op hoofdlijnen was de werkgroep constructief. Er waren een aantal dilemma’s en men was het ook wel flink oneens met elkaar. Het begrip dilemma ook enigszins emotioneel geladen.  
  • Werkgroep 1 is er niet aan toe gekomen extra punten te benoemen.
  • Voor werkgroep 3 staan alle punten op de flip over.
  • Werkgroep 2 en 4 heeft een aantal extra punten genoemd.  
Werkgroep 1 hield zich bezig met vraag 1 uit de discussienota: Wat vindt u van het huidige artikel 67 Flora en faunawet in relatie tot het bereiken van een nulstand van invasieve exoten (bestrijding)? Kan het anders en zo ja, hoe?   Hier gaat het vooral over de eliminatiefase.

Groep 1 heeft de verschillende reacties (op de geeltjes) gegroepeerd naar een aantal grotere problemen met de bijbehorende oplossingsrichtingen.

  1. Het huidige instrumentarium is te reactief om in de eliminatiefase iets te kunnen doen.

  2. Een oplossing zou zijn om probleemsoorten evenals soorten die nog niet in Nederland zijn sneller te signaleren. Artikel 67 gaat over de situatie na de signalering van exoten. Er moet ook iets in de wet staan waarmee men al eerder aan de slag kan.

  3. Artikel 67 is niet goed toegerust op de eliminatie van exoten. Dat heeft te maken met verschillende facetten en de decentrale aanpak. In praktijk werkt het niet als artikel 67 voor eliminatie wordt ingezet. De groep pleit ervoor een apart artikel op te nemen voor eliminatie. Hierin worden specifiek aangewezen soorten opgenomen. In de wet moeten voorwaarden worden benoemd waaraan soorten moeten voldoen om te worden opgenomen. Over de middelen moet ook iets worden genoteerd zodat dat ook geďntegreerd is.

  4. Artikel 67 heeft geen uniforme en een te vrijblijvende uitvoering. Provincies hebben allerlei bevoegdheden. In de eliminatiefase moet je echter landelijk denken, wat een meer uniforme en landelijke aanpak behoeft.

  5. De centrale overheid moet de regie nemen door:

    1. Instelling van een Team Invasieve Exoten (TIE) dat de Minister onafhankelijk adviseert;

    2. De Minister wijst soorten aan voor eliminatie.

  6. Hier hoort een landelijk uitvoeringsplan bij. Hierover zal het team invasieve exoten adviseren. Dit plan moet met verschillende partijen gemaakt worden, en tot een gemeenschappelijke visie dienen. Hierbij horen toetsbare doelstellingen en een evaluatiemoment. Men moet een uitvoeringsinstantie op maat kiezen die het beste bij de bestrijding hoort. ·

  7. Als een soort voor eliminatie is aangewezen dan mag men hier niet meer van afwijken.  

In werkgroep 2 stond vraag 2 uit de discussienota centraal: Wat vindt u van het huidige artikel 67 in relatie tot het beheersen van (invasieve) exoten? Kan het anders en zo ja, hoe?  

Groep 2 stelde een aantal opdrachten in de beheersingsfase vast die groep 1 zojuist ook noemde. ·        

In eerste instantie waaide de meningen alle kanten op. Bij de eindconclusie bleek dat de centrale rol van het ministerie van LNV (centrale overheid) de groep bond.

Een goede inventarisatie, monitoring onderzoek en advisering is nodig. Daarvoor heeft groep 2 ‘Het "Instituut exoten" in het leven geroepen; ·        

De centrale overheid en haar beleid moet heel ver gaan en de Provincies moeten de verplichting (‘het moet čcht’) krijgen de beheersingsfase ten uitvoering te brengen. Daar hoort geld bij; ·         Beroepsrecht. De hele groep meent dat het aanwijzen van een soort moet worden voorzien van een mogelijkheid tot beroep. Dit beroep moet gelden in alle fases tot en met het plan van aanpak; Dit is een grote verandering ten opzichte van de Flora en faunawet (FF-wet).

Decentralisatie van taken is een zware aanbeveling van groep 2;       

Groep 2 heeft bij de uitvoering van de Provincie stilgestaan. Als de beheersing van exoten een landelijke behoeft dan moet men zorgen dat alle Provincies dat ook doen. Als die aanpak niet noodzakelijk is dan moet het anders worden ingericht;

De aanbeveling van groep 2 luidt: regel landelijk dat iets moet gebeuren maar wees niet rigide in de uitvoering. Ga niet tot het uiterste om iemand te verplichten het een en ander te doen; ·De werkgroep is van mening dat artikel 67 niet echt past bij de kwestie rond de exoten. Het zou beter zijn de aanpak van de exoten apart te onderscheiden in de wet. Bijvoorbeeld ten aanzien van de middelen kan met breed naar de exoten kijken en dit een aparte plaats (misschien met een uitvoeringsbesluit) in de wet geven;

Tot slot kwamen er nog twee elementen uit de discussie:--De visserijwet versus De wet Natuur. Welke hoort in welke en waarom? Moeten de uitgezette inheemse diersoorten een plaats hebben in de wet?  

Voor werkgroep 3 was de vraag: Wat vindt u ervan dat er in de huidige situatie een zorgplicht geldt voor exoten? Vindt u dat in het wetsvoorstel een zorgplicht moet gelden voor exoten?   Het antwoord op deze centrale vraag is volgens groep 3: ‘ja’. Hierbij zijn een aantal haken en ogen benoemt. Bij dit antwoord kwam meteen de vraag over de middelen op. Middelen zijn verboden maar dan blijft de bestrijding vaak steken en gebeurt er niets. Dit was in de groep een belangrijk knelpunt. ·        

Deze groep heeft zich vooral beziggehouden met de zorgplicht en stelt dat daar bij de exoten even zorgvuldig mee omgaan dient te worden als bij de inheemse soorten.Er moet een lijst komen met invasieve exoten die bestreden moeten worden. Tenzij de exoten op die lijst staan moet niet meteen tot bestrijding worden overgegaan.

De groep pleit verder voor:

  1. Een goede definitief van invasieve exoten.

  2. Een risicobeoordeling. Welke exoten bestrijden en welke leveren geen risico op? Een voorzorgsbeginsel dat bij de toepassing van de lijst moet worden aangehouden. Het is niet altijd direct bekend of een soort schadelijk is. ·        

  3. Centrale regie. De lijst van te bestrijden soorten moet in heel Nederland gelijk zijn. Een helder en centraal overzicht van toegestane middelen. Het geweer, bijvoorbeeld, mag in een aantal Provincies niet gebruikt worden en daardoor vindt daar geen bestrijding plaats. Het vangen en daarna opvangen van soorten in plaats van doden.

  4. Een negatieflijst van te bestrijden soorten.

  5. Een positieflijst met soorten die door mensen mogen worden verhandeld en gehouden. ·         Het handhaven van de zorgplicht en het stellen van sancties bij overtreding. ·        

  6. Een goede afstemming van de wet Natuur en de Visserijwet. De visserij noemt bijvoorbeeld de Chinese wolhandkrab een Invasieve exoot maar dat zou niet zo moeten zijn.

Voor werkgroep 4 stond de laatste vraag uit de discussienota centraal: Vindt u dat de middelen voor het bestrijden en beheersen van exoten gereguleerd moeten worden op dezelfde manier als voor beschermde soorten? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?   ·        

  1. De eerste conclusie van de groep was dat ook andere middelen moeten worden toegestaan en niet alleen de middelen die nu in de FF-wet staan.

  2. Die middelen moeten aan een aantal eisen voldoen: effectiviteit, voldoende selectief en snel inzetbaar. Daarbij staat dierenwelzijn centraal; het dier moet minimaal lijden. ·        

  3. De wet moet transparant zijn over deze principes en eisen.

  4. Een aanbeveling is: benoem schadelijke invasieve soorten

  5. Plaats die soorten op een lijst en veranker die lijst in de wet Natuur. In de discussie kwam steeds terug dat exoten nieuw zijn en de kennis hierover beperkt. Dus het is van belang om steeds weer te evalueren. Voor exoten moet per diersoort een lijst worden aangewezen. Dat is een meer gedetailleerde aanpak dan bij de inheemse diersoorten. ·        

  6. Het begrip middelen moet zo breed mogelijk worden opgevat. Niet alleen het middel (het geweer) benoemen maar ook de toepassing (jacht/jagen) als middel weergeven. ·        

  7. Middelen moeten worden gebruikt door professionele mensen die er goed mee om kunnen gaan. (De inzet van) middelen moeten na beoordeling kunnen worden bijgesteld. Beoordeling door een deskundige instantie, bij voorkeur het Faunafonds. Het is hierbij lastig dat het Faunafonds wordt gedecentraliseerd of opgeheven. Ook kan gedacht worden aan de oprichting van een nieuwe groep die middelen moeten beoordelen.

  8. De beoordeling en toepassing van middelen moet worden gescheiden. De beoordeling moet plaatsvinden op basis van objectieve criteria. De monitoring moet praktisch worden ingesteld.  

Uit de vier presentaties zijn gezamenlijke punten te halen:

  1. Centrale regie heeft een lijn dwars door alle groepen. Dit komt niet door de afwezigheid van de Provincies vandaag want zij vragen hier zelf ook om.

  2. Het gaat om schadelijke en invasieve exoten. Hiervoor moet een lijst worden opgesteld met daaraan gekoppeld de middelen die kunnen worden ingezet. Het is belangrijk dat dit centraal geregeld wordt. Er wordt opgemerkt dat er in de conclusies nog een punt mist.

  3. Bij de uitvoering, of deze nu centraal of decentraal wordt aangestuurd, kan de exotenbestrijding worden geblokkeerd als de grondgebruiker geen toestemming geeft. Dus is het van belang dat de Minister een principebesluit neemt en dat de grondgebruiker daar geen invloed meer op heeft. De Provincie wijst mensen aan die zonder enige belemmering kunnen uitvoeren. Er moet echter wel een grondslag zijn waarop iemand met een geweer ergens mag lopen.

  4. Middelen uit de FF-wet mogen voor exoten worden ingezet. Het moet niet mogelijk zijn dat iemand zomaar het veld inloopt omdat het van de Minister mag. De Provincie moet dit verder oppakken en de regie nemen op de uitvoering.  

  5. De deelnemers stellen dat er twee scenario’s zijn te onderscheiden na de opdracht tot elimineren of beheren. Bij elimineren is een nog strakkere centrale regie nodig. Bij beheren is voor de Provincie een rol weggelegd.   Uit de zaal komt de wens om wettelijk te regelen dat de Provincie de instrumenten heeft naar de grondeigenaar of -gebruiker om te kunnen doen handelen. Daar wordt aan toegevoegd dat dit bij elimineren is te begrijpen maar bij beheren niet. In dat laatste geval bepaalt de beheerder wat er met de soort gebeurt.  

  6. Henk Smit vat samen dat de lijn is om zonder pardon te elimineren. Is de doelstelling om te beheersen dan volgt samenspraak en moet men tot afspraken komen op basis van gelijkwaardigheid. Hier pas de grondbeheerder ook in. Dit is analoog met beheersplannen zoals in Natura 2000 staan beschreven. Het is niet de bedoeling dat iemand de problemen voor de buurman laat bestaan.   Het wordt gewaardeerd dat de letterzetter van zware verordeningen naar adviezen is gegaan. Als het om beheren gaat moet de Provincie meedoen in bestaand beleid.

Uit evaluatie blijkt dat men moet uitkijken niet de modebeelden te volgen.Staatsbosbeheer krijgt via de wet Natuur voor wat betreft exoten een dwingend verzoek en daarnaast moeten de natuurdoelen worden gehaald die zijn opgedragen. Bij beheersing moeten ook andere belangen worden afgewogen. Er zijn ook economische en capaciteitsproblemen bij de uitvoering. Elimineren moet en daar kan men ook mee aan de slag. Bij elimineren gaat het algemeen belang gaat boven dat van terreinbeheer, pas bij beheersen is er een mogelijkheid voor uitzonderingen.  

Het oprichten van een instituut is genoemd in de presentaties. Van dit instituut komt de kennis die nodig is om het probleem in kaart te brengen. Deze nieuwe instantie moet een plaats krijgen in de wet, vinden enkele aanwezigen. Mr. Niels Berg brengt daar tegenin dat een wet er is om gedrag te reguleren. Voor een kennisinstituut is geen wet nodig, dat is meer iets feitelijks dat de overheid moet regelen. Toch is het nu al zo dat er bij wet is geregeld dat er instituten zijn die kennis hebben. Het elimineren van een soort is nogal wat en dat kan niet zomaar. Daar is zorgvuldig, politiek onafhankelijk beleid voor nodig. Dit maakt dat er stemmen opgaan voor een kennisinstituut dat bij wet geregeld is.   De instelling van een kennisinstituut is zo zwaar dat de overheid moet worden overtuigd dit bij wet te regelen. Zo niet dan wordt elke beslissing van de Minister aangevochten. Er is draagvlak nodig en dit geeft een effectieve manier om de consensus te organiseren.  

In de groepspresentatie is gesproken over lijsten met per soort de middelen die ingezet mogen worden. De bedoeling is om de inzet van middelen uniform en snel te maken. Nu zijn er verschillende interpretaties van de Provincies. Met een dergelijke lijst kan iedereen lezen hoe het moet en is het voor iedereen toepasbaar.

Een aantal tegenargumenten wordt gehoord:

  • Men weet nog niet wat er aan soorten komt over een aantal jaar. De lijst is inflexibel en dat levert problemen op. ·        

  • Het (nieuwe) Team Invasieve Exoten heeft de kennis en kan advies aan de Minister uitbrengen over hoe bijlage 3 wordt uitgevoerd.

Geconcludeerd wordt dat men in de zaal eigenlijk hetzelfde zegt maar van mening verschilt over de manier waarop het wordt vastgelegd.   Er zijn verschillende instituten betrokken bij het beheren van de soort. Bij de één is er wel een beroepsmogelijkheid, bij de andere niet. De deelnemers zijn het erover eens dat er algemene voorwaarden moeten zijn die aan een middel gesteld dienen te worden.  

Het juridische instrument dat wordt ingezet moet voldoen aan de voorwaarden van snelle slagvaardigheid, een mogelijkheid tot beroep en effectiviteit. Een voorstel is om een besluit op basis van artikel 67 vast te leggen waarbij de Minister soort, middel en voorwaarde noemt. Dit is effectief en snel en voor beroep vatbaar.De FF-wet beschermt inheemse diersoorten, de exoten vallen hier niet onder. Die mogen gedood worden met middelen die algemeen zijn toegestaan. Het jachtgeweer is niet toegestaan.De zorgplicht geldt ook voor niet-inheemse soorten.

Als het niet per soort wordt vastgesteld kan er ook een middelenlijst worden opgesteld. Dit voorstel krijgt geen bijval van de meerderheid in de zaal. Voor de beheerfase per soort een lijst van middelen opstellen overtuigt niet. Men stelt dat de middelen moeten worden aangepast aan het doel. Een koppeling tussen de soortenlijst en middelen is niet nuttig. De zoetwaterkreeft, bijvoorbeeld doet dingen die we niet kennen en die we niet weten te bestrijden.

Samenvattend:

Wil men snelheid maken en selectief zijn, dan wil men de kennis op de goede plek hebben en niet op voorhand allerlei zaken vastleggen.

Het is van belang een middelenlijst op te stellen omdat er veel middelen zijn die schadelijk zijn voor andere soorten. Men zou ook een lijst kunnen opstellen met middelen die niet selectief genoeg zijn en dus schadelijk voor andere soorten. Het kennisinstituut kan hierover toch ook met een advies komen, maar heeft geen wettelijke bevoegdheid.  

Concluderend: Dit punt kent meerdere kanten. De deelnemers vinden het belangrijk dat kennis en expertise van een instituut op de goede plek terecht komt. Er zijn geen harde argumenten waarom de lijst zelf in de wet moet staan maar wel argumenten over de criteria om tot een lijst te komen. Het voordeel van het opstellen van een middelenlijst is dat het duidelijk is voor de handhaver. Zonder de lijst, echter, heeft men de flexibiliteit om in te spelen op de situatie en nieuwe inzichten.  

Ten aanzien van de zorgplicht stelt men: als de zorgplicht een belemmering vormt om op te treden tegen invasieve exoten dan moet deze niet aangehouden worden. De zorgplicht geldt ook voor exoten, wordt daar tegenin gebracht. Soms levert dat een dilemma op. Bij het overzetten van dieren van de ene sloot naar de andere komt men ook de Amerikaanse rivierkreeft tegen. Die willen we in Nederland elimineren. Dan komt de vraag op: Zet je die kreeft dan over (conflict met invasieve exoten) of niet (conflict met zorgplicht)? Niet iedereen ziet dit dilemma omdat, zo wordt gesteld, de zorgplicht ruimte heeft voor afweging als er belangen zijn die zwaarder wegen. Men trekt de conclusie dat de reden van bestrijding in de definitie van de zorgplicht moet worden opgenomen. Hierbij blijft het ‘voorkomen van onnodig lijden’ overeind staan. ‘Snel en effectief bestrijden’ is ook van groot belang. Doet men dat niet dan volgt een conflict met de zorgplicht.

Concluderend: de principes van de zorgplicht zijn uniform, alleen de toepassing binnen het domein van exoten moet nog goed bekeken worden.  

Uit de sessies van de werkgroepen zijn nog een aantal losse punten gekomen:

  • De rivierkreeft als bijvangst is niet geregeld wat te doen? ·        

  • Wat is de definitie van exoten? ·        

  • Wat te doen met nieuwe kruisingen? ·        

  • Hoe ver gaat men terug om iets een exoot te noemen? 1900? 1500 of nog eerder? ·        

  • Hoe lang wachten we; wanneer wordt een exoot onderdeel van onze biodiversiteit? ·        

  • Wanneer stopt men met elimineren en gaat men over op beheren? ·        

  • Er zit een gat tussen de Visserijwet en de Ffwet, vooral voor exoten. Die mogen worden teruggezet en uitgezet.  

  • Dan wordt er gesproken over de definitie van exoten. Men stelt: exoten zijn soorten die geďntroduceerd zijn buiten het natuurlijk gebied, die hier kunnen leven en voortplanten. De definitie zoals in de Beleidsnota 2007 is opgenomen vindt men het meest solide. Deze moet niet worden aangepast door de beleving of mening over de natuur. De definitie moet gebaseerd zijn op objectieve informatie. Dat er in de definitie staat dat een soort niet op eigen kracht Nederland binnenkomt wordt niet van belang geacht. Het blijft een exoot.   Andere deelnemers vinden dat er geen nadere definitief van exoten nodig is omdat de invasieve exoten worden benoemd. Juridisch gezien moet de wetgever zo nauwkeurig mogelijk benoemen wat een exoot is. Vooral omdat men bijzondere zaken wil regelen en er veel verschillende opvattingen over zijn. De risicoanalyse moet maatwerk zijn waarbij wordt vastgesteld wanneer een soort schadelijk is en wat de proportionaliteit van de maatregelen is.  

  • Dan wordt de vraag gesteld: ‘wanneer is een soort geen exoot meer?’ In Duitsland is daarvoor in de wet een termijn (20 jaar) gesteld. Er gaan stemmen op dat het tijdstip soortspecifiek is. Sommige soorten zijn binnen tien jaar over heel Nederland verspreid. In dat geval zijn ze eigenlijk geen exoot meer te noemen. Nu wordt in de beleidsnota proportionaliteit van maatregelen gesteld.

    • De eerste vraag daarbij is of de soort problemen geeft.

    • Dan volgt de vraag of het haalbaar en betaalbaar is om te elimineren. Als de Minister daar ‘ja’ op zegt dan gaat men aan de slag. Lukt eliminatie niet dan geeft men het nog een jaar. Lukt het dan nog niet dan geeft men het op en accepteert de soort.   Hoe verhoudt dit zich met schade en schade tegemoetkoming? Een soort kan een exoot blijven die geaccepteerd wordt maar dan is die nog niet direct ingeburgerd. Er zijn bijvoorbeeld ook ‘niks-doe exoten’. De huidige regelgeving sluit niet mooi aan bij de schade die bepaalde soorten plegen. Er is behoefte aan om die zaken meer sluitend te maken.   Concluderend stelt men dat het nog steeds een invasieve exoot is als volledig elimineren niet lukt. Dan gaat men over tot beheersen, waarbij de term ‘exoot’ nog steeds wordt gebruikt.   De situatie rond de exoten zoals die nu is conflicteert met de Visserijwet. Er zijn uitheemse soorten die vissers mogen uitzetten. Die gaan zich vermenigvuldigen maar mogen niet worden bestreden. Er zijn ook soorten die men als beschermde soort wil vastleggen. De wetgever besteedt apart aandacht aan de koppeling en de raakvlakken met de Visserijwet.   Misschien moet er in de Visserijwet onderscheid worden gemaakt tussen het vissen en het vissen op exoten en het uitzetten daarvan. Men wil dit in de nieuwe wet Natuur graag geregeld zien, of met een aanpassing van de Visserijwet.Voortkomend uit de discussie over de Visserijwet wordt opgemerkt dat er een wet moet komen die zorgt dat organisaties een soort niet kunnen gebruiken om te zorgen dat een economische activiteit wordt stilgelegd. In het kader van de wet Natuur moet goed worden gekeken naar wat als beschermde soort wordt aangewezen.  

Op het gebied van uitvoering en handhaving wil men de wetgevers vooral meegeven dat duidelijkheid van groot belang is. De wet zou regelmatig, bijvoorbeeld eens in de twee jaar een update moeten krijgen. Samenvattend moet er een evenwicht zijn tussen de pretenties van de wet en de middelen die worden ingezet.   Daarnaast is flexibiliteit van belang. Nu leeft de indruk dat het Ministerie uitgaat van een onveranderlijke natuur. Dat is niet zo. Ook op gebied van wetenschappelijke inzichten van de natuur verandert er veel. Door de starheid van de huidige FF-wet kan er niets aangepast worden. Preventie van uitbreiding van de exoten is erg belangrijk. Dit kan alleen met goede voorlichting. Er is veel steun onder de deelnemers voor een positieflijst van exoten hoewel dit bij sommige soorten zoals de kreeften direct problemen oplevert. Er zijn er zoveel die niet schadelijk zijn dat hier een negatieflijst veel beter zou zijn. Alleen voor zoogdieren zou een positieflijst werken. Het voorstel is om het proactief te bekijken per soortgroep en niet de soort zelf. Hierbij wordt opgemerkt dat gehandeld moet worden in de geest van de wet en dat niet alles dichtgetimmerd moet worden.  

Concluderend stelt Henk Smit dat er goede argumenten zijn voor een positieflijst en ook voor een soort ‘superzwarte’ lijst. Hier moet nader naar gekeken worden.  

Tot slot vraagt Henk Smit de juristen naar hun ervaringen vandaag. Zij vinden de manier waarop mensen open met elkaar discussieerden bijzonder. Er zijn beleidsmatig nog aardig wat bespreekpunten over. Over een Instituut voor invasieve exoten is men goed te spreken. Het valt op dat er een roep om regie door de Rijksoverheid klinkt. Dat wordt als een probleem gezien en daar moet aandacht aan besteed worden. Het was voor de juristen een leerzame dag.  

Mr. Niels Berg sluit de dag af. Hij bedankt de deelnemers voor het meedenken aan dit onderwerp. Men was erg enthousiast en bereidwillig om mee te denken en naar elkaar te luisteren. Er zijn inhoudelijk veel punten gewisseld. Het is lastig te voorspellen wat het ministerie van LNV met alle opmerkingen en argumenten doet. Men moet echt wachten tot een volgend Kabinet. Het advies aan de Minister is nog steeds om de tussenproducten met de stakeholders te bespreken. Het was nu nog abstract zodra de wetteksten kunnen worden voorgelegd zal dit een verdieping geven.