| Datum: 20-07-2009 | Wijziging uitvoeringsregeling Flora- en faunawet - vangmiddelen |
Wijziging uitvoeringsregeling Flora- en faunawet Besluit beheer en schadebestrijding Per 1 januari 2008 geldt op grond van de art. 15a en 15 b van de Ffw een verbod op het gebruik van niet selectieve vangmiddelen bij het bemachtigen, vangen en doden van dieren die op grond van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn moeten worden beschermd. Bij art. 5 van het besluit beheer en schadebestrijding dieren is geregeld met welke middelen dieren mogen worden gevangen of gedood wanneer dat nodig is voor het beheer en schadebestrijding van schade. Op grond van art. 5, 1e lid sub e, f en j van het Besluit is het gebruik van niet selectieve vangmiddelen kastvallen, vangkooien en kunstmatige lichtbronnen toegestaan. Op grond van dit Besluit (art. 9) mogen kastvallen alleen worden gebruikt voor het vangen van eksters, zwarte kraaien en kauwen.
Op grond van nieuwe onderdelen (art. 15a en 15b van de Ff-wet) mogen deze middelen in principe in het geheel niet worden gebruikt bij het vangen of doden van dieren die worden beschermd door de Habitatrichting en de Vogelrichtlijn ook als het gaat om zwarte kraaien, eksters en kauwen Achtergrond:
Met de invoering van de FF-wet was het gebruik van vangkooien en kastvallen in bepaalde gevallen wettelijk gewoon toegestaan, bijvoorbeeld bij de bestrijding van zwarte kraai en kauw art 65 bijlage 1, de landelijke vrijstelling. Een ontheffing was hiervoor echter niet nodig. Dit was in strijd met de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn. Nederland is door Europa (Europese Commissie en Hof hierop gewezen dat Nederland de Europese regelgeving over het verbod op niet-selectieve middelen bij het bemachtigen, vangen en doden van vogels (o.a. de kraaienvangkooi), niet in nationale wetgeving had geļmplementeerd. (Artikel 15 Habitatrichtlijn EU )Wat betreft het vangen of doden van in bijlage V, letter a), genoemde wilde diersoorten verbieden de Lid-Staten, in gevallen waarin overeenkomstig artikel 16 afwijkingen worden toegepast voor het aan de natuur onttrekken, het vangen of het doden van de in bijlage IV, letter a), genoemde soorten, alle niet-selectieve middelen die de plaatselijke verdwijning of ernstige verstoring van de rust van de populaties van deze soorten tot gevolg kunnen hebben, en in het bijzonder: a) het gebruik van de middelen voor het vangen en het doden die worden genoemd in bijlage VI, letter a); Hoe verder te handelen met betrekking tot het gebruik van kastvallen, vangkooien zal worden gepubliceerd, de wijziging zal op 22 september 2009 officieel van kracht worden heeft de Minister van LNV aangegeven en daarna zullen deze middelen dus verboden zijn en dient hiervoor een aparte ontheffing art 68 voor moet worden aangevraagd en of de Faunabeheereenheden de middelen opnemen in de faunabeheerplannen etc., daar zij in de landelijke vrijstelling niet toegestaan zijn. De Fbe Limburg is hiermee al in overleg met de provincie).
Het voorkomen van schade door inheemse diersoorten op begraafplaatsen In de praktijk is gebleken dat sommige zoogdieren, met name konijnen, schade kunnen aanrichten op begraafplaatsen en graven vernielen. Bestrijding van deze dieren op begraafplaatsen is daarom nodig. Voorheen was hiervoor een ontheffing van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit vereist op grond van artikel 75, derde lid, van de wet. Sinds 12 mei 2006 is het mogelijk dat gedeputeerde staten op grond van artikel 68 van de wet een ontheffing voor deze vorm van schadebestrijding verlenen. Daarvoor dient het belang van de voorkoming en bestrijding van schade door dieren op een begraafplaats te worden 1 Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Flora- en faunawet in verband met de regulering van gebruik van niet-selectieve vangmiddelen en enkele andere zaken (Stb. 449). Advies NOJG aan Fbe's neem dit nu op in de Faunabeheerplannen, zodat hiervoor direct indien noodzakelijk men bij de FBE terecht kan en zodoende niet meer de hele procedure van de provincie gevolgd hoeft te worden. De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
|