WILD OP DE WEG


Ongeval met wild kopje

Aanrijdingen met wild: wie is verantwoordelijk en wie betaalt de prijs?

Aanrijdingen met herten, reeën en zwijnen komen regelmatig voor in Nederland. Aanrijdingen met  de grofwildsoorten zoals herten, reen en zwijnen maar ook met heel veel kleinere diersoorten komen regelmatig voor in Nederland. Zo’n 6.300 aanrijdingen met groot wild werden in 2013 gemeld bij de meldkamer van de politie. De totale schatting van het aantal grofwil in Nederland wordt geschat op 10.000 stuks en worden niet allemaal gemeld bij de meldkamers. De materiële schade wordt dan met een gemiddelde schade van zo’n € 1500 tot € 2500 en bedraagt dus zo’n € 15.000.000 en € 25.000.000 op jaarbasis. Extra veel aanrijdingen  met de grofwildsoorten vinden plaats na de omzetting van winter- naar zomertijd en vice versa. Dan vallen de verplaatsingen van reeën, wilde zwijnen en herten precies samen met de ochtend- en avondspits in het verkeer. Jagers leveren een grote bijdrage aan de veiligheid in het verkeer. Jaarlijks steken zij meer dan 250 uur per Wbe in preventie van aanrijdingen en het opzoeken van gewonde, aangereden dieren.

Wildspiegel draaiend molentjePreventie

Jagers spelen een belangrijke rol in de preventie van aanrijdingen en aanvaringen met grofwild waardoor de verkeersveiligheid in Nederland wordt bevorderd. Door op de juiste wijze beheren van de genoemde grofwildsoorten vermindert het aantal botsingen, door het registreren van de valwildplaatsen worden de ook knelpunten bekend waar veelvuldig de aanrijdingen plaatsvinden – en door het plaatsen van wildreflectoren wordt  het aantal aanrijdingen flink naar benedengebracht.

Om dit soort aanrijdingen te voorkomen, kunnen maatregelen getroffen worden;

  • zoals het plaatsen van hekken aan de rand van een natuurgebied,
  • het plaatsen van wildroosters langs een weg of
  • het beperken van de maximumsnelheid.
  • het beperken van de wildstand in de gebieden direct grenzend aan deze wegen

Tot op heden is onduidelijk of aanrijdingen met wild tot aansprakelijkheid kunnen leiden, en zo ja, wie dan aansprakelijk is, op basis waarvan en onder welke voorwaarden.

Uit een onderzoek van Rijksuniversiteit van Utrecht (RUU), wordt de Veluwe als praktijkvoorbeeld gebruikt om meer grip te krijgen op dit op landelijke probleem.

Aansprakelijkheid

Voor het aansprakelijkheidsvraagstuk is allereerst van belang om het begrip ‘wild’ nader te definiëren en de status van ‘wild’ in de wetgeving te beoordelen. Daarnaast is het ook belangrijk na te gaan of de mogelijkheden voor wildbeheer nog van invloed zijn op de aansprakelijkheidsvraag.

In dat verband is bekeken welke mogelijkheden de Flora- en faunawet biedt voor wildbeheer, alsmede of het voor privaat­rechtelijke aansprakelijkheid van belang is of en in hoeverre gebruik is gemaakt van een publiekrechtelijke bevoegdheid tot wildbeheer.

Daarna is onderzocht welke juridische mogelijkheden voor schadeverhaal er zijn bij aanrijdingen met wild.

Ten slotte is in dit onderzoek ook gekeken naar verschillende ongevalsituaties en de relevantie daarvan voor de aansprakelijkheid.

Wat is ‘wild’?

overstekend wild varkenIn dit onderzoek is met name gekeken naar edelherten, reeën, damherten, wilde zwijnen en moeflons. Er is echter nader onderzoek verricht naar het begrip ‘wild’, aangezien de reikwijdte van hetgeen onder ‘wild’ wordt begrepen relevant is in relatie tot aansprakelijkheidsvragen.

“Een wild dier is een dier dat van nature in bet wild voorkomt en dat in zijn voor zijn aard natuurlijke vrijheid leeft”. 

Of daarvan sprake is onder meer afhankelijk van de vraag of sprake is van een omheind terrein; tevens dient hierbij gelet te worden op de natuurlijke habitat van het dier en de beschikkingsmacht van de mens.

Dit laatste kan worden vastgesteld aan de hand van drie criteria;

  • namelijk de aard en omvang van het terrein,
  • de mate van Verwildering’ van de dieren en
  • de mate waarin het dier in staat is zichzelf in leven te houden zonder menselijk ingrijpen.

Is een terrein niet of niet doeltreffend afgesloten en is er geen beschikkingsmacht van de mens, dan zijn dat aanwijzingen dat het gaat om een wild dier. De term ‘wild’ is op zichzelf geen juridische term.

Voor beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag is echter wel van belang hoe in het wild levende diersoorten juridisch gekwalificeerd kunnen worden. In dit onderzoek worden in dit verband drie verschillende groepen dieren onderscheiden:

  • dieren die in iemands bezit zijn;
  • dieren die in volledige vrijheid leven;
  • en dieren die in een aanwijsbaar gebied leven, (in dit onderzoek wordt onder een  ‘aanwijsbaar gebied’ een natuurgebied verstaan dat enige begrenzing kent, geografisch dan wel fysiek bijv. door middel van een hek).

 Op deze dieren kan verschillende wetten en regelgeving van toepassing zijn.

Welke mogelijkheden biedt de Wet natuurbescherming voor het wildbeheer?

De Wet natuurbescherming  geeft een aantal mogelijkheden voor het beheer van populaties van wilde dieren (beheer) en het treffen van maatregelen ter voorkoming of beperking van de door hen toegebrachte schade (schadebestrijding).

  • Schadebestrijding is bij groot wild  is mogelijk op basis van artikelen  3.15, en 3.17 Wnb
  • Beheer is mogelijk op basis van artikel 3.17 Wnb
  • Overlast bestrijding (gemeenten) art 3.16 Wnb

Hierbij dient aan de volgende criteria te zijn voldaan:

  • Er mag geen afbreuk worden gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort en er dient een alternatieventoets te worden uitgevoerd. Dit laatste houdt in dat er geen andere bevredigende – minder belastende – oplossing mag bestaan.

Bij toepassing van art 3.15 Wnb dient, slechts wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, kan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid te worden gedaan ter voorkoming van:

  1. belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren, of
  2. schade aan de fauna.

Bij toepassing van ontheffing 3.17 Wnb dient verder nog te zijn voldaan aan voorwaarden;

  • Een ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt verleend aan een faunabeheereenheid, die handelt overeenkomstig het daartoe vastgestelde en goedgekeurde faunabeheerplan.
  • De faunabeheereenheid kan bij schriftelijke en gedagtekende toestemming de haar ingevolge het eerste en tweede lid toegestane handelingen door een wildbeheereenheid of anderen doen uitoefenen.
  • In afwijking van het tweede lid kan een ontheffing ook aan een wildbeheereenheid of aan anderen dan een faunabeheereenheid worden verleend, indien de noodzaak ontbreekt voor verrichting van de handelingendoor tussenkomst van een faunabeheereenheid.
  • In afwijking van artikel 3.12, eerste lid, en het tweede lid kan een ontheffing worden verleend voor handelingen die niet op grond van een faunabeheerplan worden verricht, indien de noodzaak ontbreekt voor een faunabeheerplan, gelet op de specifieke kenmerken van de desbetreffende diersoort dan wel de aard of omvang van te verrichten handelingen.

Een ontheffing wordt slechts dan verleend als een van de limitatief in de Wet natuurbescherming opgesomde belangen in het geding is, deze worden onderscheiden in:

Vogels

  1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
  2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
  3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren, of
  4. ter bescherming van flora en fauna;

Dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid:

  1. in het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna en van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
  2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden en wateren en andere vormen van eigendom, of
  3. in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang, of

Dieren van soorten als bedoeld in 3.10, eerste lid, met uitzondering van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid:

  1. om de redenen genoemd in onderdeel b;
  2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, industrieterreinen of begraafplaatsen,
  3. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren, en
  4. in het algemeen belang.

Artikel 3.15  en 3.16 Wnb bevat een generieke aanwijzingsbevoegdheid,

Artikel 3,17 Wnb biedt juist de mogelijkheid tot het verlenen van (individuele) ontheffingen. Daarnaast is een belangrijk verschil dat artikel 68 lid 1 sub e een restbepaling bevat, waaronder de ‘andere’ aan te wijzen belangen vallen.Vaak wordt deze restbepaling gebruikt om (nog) andere schadebestrijdings- methoden en plaatsen toe te staan.

Als geen gebruik wordt gemaakt van beheermogelijkheden, kan dit van invloed zijn op toepassing van een onrechtmatigheidcriterium bij schadeverhaal

Welke mogelijkheden zijn er per ongevalsituatie om iemand aansprakelijk te stellen?

Er bestaan verschillende ongevalsituaties waarbij wild betrokken kan zijn. Allereerst kunnen dieren in verschillende omstandigheden verkeren.

Hiervoor zijn in het onderzoek de navolgende voorbeelden verder uitgewerkt:

  • een hert in een hertenpark,
  • een hert dat vrij rond kan lopen en een hert in een met wegen doorkruist natuur­park.

Bij al deze voorbeelden kunnen zich, in een geval een ongeval plaatsvindt, verschillende situaties voordoen. Het kan gaan om een dier dat niet is te herleiden tot een aanwijsbaar gebied, een dier dat is uitgebroken uit een aanwijsbaar gebied of een dier dat schade veroorzaakt binnen een aanwijsbaar gebied. Al deze varianten kunnen onder omstandigheden tot aansprakelijkheid leiden.

Er bestaan vier verschillende vormen van aansprakelijkheid bij ongevallen tussen automobilist en wild:

  • aansprakelijkheid van de bezitter van een dier op grond van art, 6:179 BW;
  • aansprakelijkheid van de wegbeheerder op grond van art. 6:174 BW;
  • aansprakelijkheid van de grondbeheerder op- grond van art. 6:162 BW en
  • aansprakelijkheid van de overheid met een beheermogelijkheid op grond van art.6:162 BW

Uit het onderzoek van de RUU blijkt dat de aansprakelijkheidsvraag  zeker niet éénduidig te beantwoorden is. Om meer duidelijkheid te scheppen, komt in het onderzoek een aantal aanbevelingen naar voren de overheid kan meer duidelijkheid bieden omtrent aansprakelijkheidsrisico’s voor aanrijdingen met wilde dieren;

  • de overheid kan duidelijker definiëren wat zij onder een wild dier verstaat;
  • indien onduidelijk blijft wie aansprakelijk is voor verkeersschade veroorzaakt door wild, kan er mogelijk een regeling worden getroffen om schade te vergoeden uit een overheidsfonds (vergelijkbaar met Faunafonds);
  • onderzocht kan worden wie de kosten moet vergoeden voor het behandelen en/of opruimen van het aangereden wild.

Van wie?

Een ander probleem is dat dieren die in een aanwijsbaar gebied leven, vaak van niemand zijn.

In zo’n geval zijn er volgens de auteurs drie aansprakelijkheidsopties.

  • De eerste is aansprakelijkheid voor een beheerder die een beheertaak heeft verzaakt, bijvoorbeeld omdat er te veel dieren in de omgeving rondlopen.
  • De tweede optie is een wegbeheerder aansprakelijk te stellen, die onvoldoende actie heeft ondernomen tegen mogelijk gevaar van een veelgebruikte oversteekplaats voor wild. Lastig bij dit soort situaties is als er meerdere beheerders zijn of als er geen duidelijke afspraken zijn over weg- of gebiedsbeheer. In dat laatste geval moet volgens de auteurs op basis van objectieve criteria;
    • zoals ernst van de schade,
    • de waarschijnlijkheid daarvan en
    • de zorg in voorzorgsmaatregelen worden bekeken wie als eerste aansprakelijk kan worden gesteld.
  • De derde optie is het aansprakelijk stellen van de gebiedsbeheerder, bijvoorbeeld als sprake is van het ontbreken van een hek of wildrooster.

Als dieren in volledige vrijheid leven (en dus niet aan een bepaald gebied zijn gebonden), zijn er twee aansprakelijkheidsopties:

  • de aansprakelijkheid van de overheid met een beheermogelijkheid en
  • het aansprakelijk stellen van de wegbeheerder.

Pas wanneer aansprakelijkheid is vastgesteld, kan worden gekeken of de automobilist eigen schuld treft. Als onduidelijk blijft wie aansprakelijk is voor verkeersschade met wild, kan volgens de onderzoekers worden overwogen een (overheids)fonds (analoog aan het Faunafonds) in te stellen, waaruit verzekeraars en individuele automobilisten een gemaximaliseerde schadevergoeding kunnen ontvangen.

De achterliggende vraag van het onderzoek betrof de noodzaak van beheer van populaties wild door middel van beheer(bejaging), teneinde (verkeers-)schade te beperken.

Door verdere uitwerking van deze aanbevelingen, kunnen meer concrete afspraken worden gemaakt over vergoeding van de schade. Daarnaast kan onderzoek worden gedaan naar alternatieven om (schade door) aanrijdingen met wild te voorkomen.

Bij technische maatregelen zoals hekken, wildroosters, moderne waarschuwingsystemen en de nieuwe wildspiegels met een beperking van de maximumsnelheid kunnen aanrijdingen mogelijk op een andere manier dan door beheerjacht alleen worden tegengegaan.


Bron:

  • Wild op weg, Aanrijdingen met wild: wie is verantwoordelijk en wie betaalt de prijs? Rijks Universiteit Utrecht:Kennispunt 2008, Faculteit Recht, Economie, Bestuur en Organisatie
  • Verbond voor verzekeraars
Print Friendly, PDF & Email

Reageren is niet mogelijk