Uitspraak Rechtbank Den Haag 9 juli 2026 – damherten Hoeksche Waard

image_pdfimage_print

Gegevens uitspraak

InstantieRechtbank Den Haag
Datum uitspraak9 juli 2026
Datum publicatie9 juli 2026
ZaaknummerSGR 24/8413
RechtsgebiedOmgevingsrecht / natuurbeschermingsrecht
Soort procedureEerste aanleg, meervoudige kamer
UitkomstBeroep gegrond; het besluit van het college is vernietigd.

Waar ging de zaak over?

Achtergrond van het besluit

Het college had al eerder, in 2020, geprobeerd om de damhertenpopulatie in de Hoeksche Waard tot nul terug te brengen. Dat eerdere besluit werd door de rechtbank in 2021 vernietigd, omdat onvoldoende was gemotiveerd waarom de gehele populatie moest worden gedood. Daarna nam het college in 2024 opnieuw een besluit met dezelfde strekking: de populatie moest alsnog naar nul.

Voor het nieuwe besluit baseerde het college zich vooral op een beheeradvies over het damwild in de Hoeksche Waard. Daarin werd ingegaan op de herkomst van de dieren, de verwachte groei van de populatie en mogelijke beheermaatregelen. Volgens het college stamde de populatie af van drie damherten die rond het jaar 2000 uit een hertenkamp in Numansdorp zouden zijn ontsnapt.

Juridisch kader

Het damhert is onder de Wet natuurbescherming een beschermde diersoort. In beginsel is het verboden om beschermde dieren opzettelijk te doden. Het college kan onder voorwaarden opdracht geven om een populatie te beperken, bijvoorbeeld ter voorkoming van ernstige schade aan gewassen of in het belang van de openbare veiligheid.

Een belangrijk onderscheid in deze zaak is dat bij verwilderde dieren minder zware toetsingsvereisten gelden dan bij wilde beschermde dieren. Als de damherten als verwilderd worden aangemerkt, hoeft het college bijvoorbeeld niet dezelfde toets uit te voeren naar alternatieven en de staat van instandhouding. Daarom was de vraag of de populatie uitsluitend uit verwilderde dieren bestaat juridisch zeer belangrijk.

Waren de stichtingen belanghebbenden?

De faunabeheereenheid stelde dat de stichtingen niet-ontvankelijk moesten worden verklaard, omdat zij geen feitelijke werkzaamheden zouden verrichten die specifiek zagen op het beperken van schade door damherten of het bevorderen van verkeersveiligheid in de Hoeksche Waard.

De rechtbank ging daar niet in mee. Voor belangenorganisaties is bepalend of zij volgens hun statuten en feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks betrokken algemeen of collectief belang behartigen. De rechtbank vond dat Stichting Animal Rights en Stichting Fauna4Life voldoende feitelijke activiteiten verrichten, zoals lobby, publicaties en bijeenkomsten. Zij werden daarom als belanghebbenden aangemerkt en hun beroep werd inhoudelijk behandeld.

Oordeel over de vraag of de damherten verwilderd zijn

De rechtbank oordeelde dat het college onvoldoende had onderbouwd dat de damhertenpopulatie in de Hoeksche Waard uitsluitend uit verwilderde dieren bestaat. Het college verwees vooral naar de stelling dat drie damherten rond 2000 uit een hertenkamp in Numansdorp waren ontsnapt. Maar zelfs als dat klopt, volgt daaruit volgens de rechtbank niet automatisch dat de huidige populatie alleen nog uit nakomelingen van die ontsnapte dieren bestaat.

Damherten

De rechtbank wees erop dat uit gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna blijkt dat damherten ook buiten de bekende kernleefgebieden zijn waargenomen, onder meer in gebieden dichter bij de Hoeksche Waard. Het college kon niet uitsluiten dat wilde damherten van elders zich met de populatie in de Hoeksche Waard hadden vermengd.

Daarbij vond de rechtbank het tegenstrijdig dat het beheeradvies enerzijds vermeldt dat toekomstige uitwisseling met damherten van elders goed mogelijk is, terwijl het college anderzijds stelde dat zulke uitwisseling in het verleden zeer onaannemelijk was vanwege barrières zoals snelwegen en waterwegen. Het college had niet inzichtelijk gemaakt waarom die barrières in de toekomst wel, maar in het verleden niet zouden kunnen zijn gepasseerd. Omdat genetisch onderzoek volgens het beheeradvies de enige zekere manier is om de herkomst vast te stellen en zo’n onderzoek niet was verricht, was de onderbouwing onvoldoende.

Oordeel over schade aan gewassen

Het college stelde dat de damherten ernstige schade veroorzaken aan landbouwgewassen en dat de schade zal toenemen als de populatie blijft groeien. De rechtbank erkende dat er op basis van enkele taxaties uit 2021, 2022 en 2024 sprake was van een concrete dreiging van ernstige schade. Die taxaties waren volgens BIJ12-protocollen opgesteld en de schadebedragen lagen duidelijk boven de drempel die in de rechtspraak relevant wordt geacht.

Maar daarmee was nog niet aangetoond dat de volledige populatie moest worden gedood. De rechtbank benadrukte dat het bij de wettelijke grondslag gaat om het voorkomen van ernstige schade, niet om het voorkomen van elke schade. Het college had niet duidelijk gemaakt waarom het handhaven van een kleinere populatie, bijvoorbeeld 40 dieren, al tot ernstige schade zou leiden.

De rechtbank vond daarom dat het college niet deugdelijk had gemotiveerd waarom het noodzakelijk was om de populatie tot nul terug te brengen. Dat een populatie van 40 dieren mogelijk op lange termijn niet levensvatbaar zou zijn vanwege inteelt, overtuigde de rechtbank niet, mede omdat uitwisseling met damherten van elders niet kon worden uitgesloten.

Oordeel over verkeersveiligheid

Ook het beroep op verkeersveiligheid slaagde niet als motivering voor het volledig verwijderen van de populatie. Het college wees op aanrijdingen met damherten en stelde dat een grotere populatie de kans op ongevallen vergroot. De rechtbank vond echter dat de cijfers dit standpunt onvoldoende ondersteunden.

In de periode 2016 tot en met 2022 waren slechts enkele aanrijdingen geregistreerd. Bovendien bleek uit het verweerschrift dat tussen 1 april 2025 en 31 maart 2026 geen enkele aanrijding met damherten was geregistreerd. De rechtbank onderschreef het eerdere oordeel van de voorzieningenrechter dat het college niet deugdelijk had gemotiveerd waarom verkeersveiligheid vereiste dat de gehele populatie moest verdwijnen.

Waren er andere bevredigende oplossingen?

De rechtbank beoordeelde ook of er andere bevredigende oplossingen waren dan afschot. Voor het voorkomen van ernstige schade aan gewassen vond de rechtbank dat het college voldoende aannemelijk had gemaakt dat alternatieven, zoals het plaatsen van rasters, niet geschikt en proportioneel waren. In de Hoeksche Waard is sprake van veel wisselteelt en een agrarisch landschap waarin volledige of gerichte afrastering praktisch lastig en ingrijpend is.

Op dit punt kregen eiseressen dus geen gelijk. De rechtbank vond dat het college voldoende had onderbouwd dat het doden van een deel van de populatie als maatregel tegen gewasschade niet zonder meer kon worden vervangen door minder ingrijpende alternatieven. Omdat de verkeersveiligheidsgrond al onvoldoende was onderbouwd, hoefde de rechtbank niet uitgebreid te beoordelen of daarvoor alternatieven bestonden.

Eindconclusie van de rechtbank

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond. Het college had onvoldoende zorgvuldig onderzoek gedaan en het besluit onvoldoende gemotiveerd. Vooral twee punten waren doorslaggevend: het college had niet bewezen dat de populatie uitsluitend uit verwilderde dieren bestaat, en het had niet overtuigend gemotiveerd waarom de populatie tot nul moest worden teruggebracht in plaats van tot een lager niveau.

Daarom vernietigde de rechtbank het besluit van 1 oktober 2024. Het college moet het betaalde griffierecht van € 371,- aan eiseressen vergoeden en wordt veroordeeld tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten. De voorlopige voorziening die eerder toestond dat de populatie voorlopig tot 40 dieren mocht worden teruggebracht, vervalt met deze uitspraak.

Praktische betekenis van de uitspraak

De uitspraak betekent niet dat beheer van de damhertenpopulatie in de Hoeksche Waard onmogelijk is. De rechtbank erkent dat er een concrete dreiging van ernstige schade aan gewassen kan bestaan en dat gedeeltelijk ingrijpen mogelijk verdedigbaar kan zijn. Maar de rechtbank maakt duidelijk dat een besluit om de hele populatie tot nul terug te brengen zeer zorgvuldig moet worden onderbouwd.

Voor een nieuw besluit zal het college beter moeten motiveren wat de juridische status en herkomst van de populatie is, waarom een bepaald populatieniveau noodzakelijk is, en waarom minder vergaande maatregelen onvoldoende zijn. Met name als het college opnieuw wil uitgaan van verwilderde dieren of volledige verwijdering van de populatie, zal het steviger ecologisch en juridisch bewijs moeten leveren.

Kort samengevat

  • Het beroep van Stichting Animal Rights en Stichting Fauna4Life is gegrond.
  • Het besluit om de damhertenpopulatie in de Hoeksche Waard tot nul terug te brengen is vernietigd.
  • Het college heeft onvoldoende aangetoond dat alle damherten verwilderde dieren zijn.
  • Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom volledige verwijdering nodig is om ernstige gewasschade te voorkomen.
  • Ook verkeersveiligheid rechtvaardigt volgens de rechtbank niet zonder meer het doden van de hele populatie.
  • De rechtbank accepteert wel dat er een concrete dreiging van ernstige schade aan gewassen kan bestaan en dat alternatieven zoals rasters onvoldoende kunnen zijn.
  • Voor een nieuw besluit is betere ecologische en juridische onderbouwing nodig.